DE RECHTER IN HET GERICHT
De Rechter in het gericht, en dat in onze plaats, ziedaar het thema, waaraan Barth ruim 60 pagina's wijdt, zonder te verklaren, waarom hij dit verkiest om het werk van Christus (of liever een deel van de oude leer van het werk van Christus) in het bijzonder van Zijn , , hogepriesterlijk" ambt, te behandelen. (K. D. IV, 1, blz. 311).
Christus, volgens onze belijdenis gezalfd tot Profeet, Hogepriester en Koning. (Heidelb. Catech. zondag 12), kan krachtens Zijn zalving tot Koning ook Rechter worden genoemd, en Hij is ook zonder twijfel Rechter, want Hij zal wederkomen om te oordelen de levenden en de doden. Vgl. Hand. 10 : 42 : „En Hij heeft ons geboden den volke te prediken en te betuigen, dat Hij is degene, die van God verordineerd is tot een Rechter van levenden en doden", en Hand. 17 : 31 : , , Daarom dat Hij een dag gesteld heeft, op welke Hij de aardbodem rechtvaardiglijk zal oordelen, door een Man, Dien Hij daartoe geordineerd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, dewijl Hij Hem uit de doden opgewekt heeft".
Deze beide plaatsen zien duidelijk op de verrezen Christus. Hand. 17 : 31 spreekt van een Man en laat geen twijfel of deze goddelijke verordinering heeft betrekking op de Heere Jezus Christus als Middelaar en Voleinder van het Hem opgedragen werk, involverende ook het wereldgericht aan het einde der dagen.
Het bijzondere van dit Rechterschap is mede daarin gelegen, dat ook de menselijke natuur daarin deelt. De volkeren der aarde zullen door deze Mens, door deze Rechtvaardige, geoordeeld worden. Het is een deel van het Middelaars werk en de menselijke natuur wordt daarin uitermate verhoogd, dat zij deelt in het Koningschap van de Heere Jezus Christus. Overigens spreekt de Heilige Schrift van Gods rechterschap : God is Rechter. (Hebr. 12 : 23 en in het Oude Testament veelvuldig). De Heere is onze Rechter, (Jesaja 33 : 22),
Naar Zijn godheid deelt de Zoon in dat rechterschap Gods over allen en alles, zo waarlijk Hij deel heeft aan het Wezen Gods en aan de werken Gods, En nu moet men het aan dat goddelijk Koningschap en Rechterschap ontlenen, als men met Barth het, , hogepriesterlijk" werk der verzoening op de Rechter wil betrekken.
En waarom? '
Waarom het o. i. volkomen Schriftuurlijke gezichtspunt op het , , hogepriesterlijk" werk van Christus prijs gegeven, of liever ingeruild voor een visie als ons door Barth wordt gegeven en die bezwaarlijk als de door de Schrift bedoelde kan worden aangeprezen ?
Wij nemen niet aan, dat alleen de zucht om wat nieuws voort te brengen, — nieuwe dingen uit de oude schat — tot de visie van de Rechter in het gericht heeft geleid. Toch moet deze voorstelling van Barth volgens hem wel beter passen in zijn gedachtengangen over God en over de mens, die met de traditie op gespannen voet staan en die tot vreemde wendingen aanleiding geven in zijn beschouwingen.
Dit mag althans ook van het onderhavige stuk gelden.
Wel wijst Barth op Rom. 1 : 18— 3 : 20 als de locus classicus voor de betekenis van Christus als de tegen ons getuigende Rechter. Deze plaats spreekt waarlijk over het oordeel Gods, over de werken der mensen, over Jood en Griek. Er is geen aanneming des persoons bij God. (2 : 11).
Maar het is merkwaardig, dat Paulus in dit gedeelte ook spreekt over de dag, wanneer God de verborgen dingen der mensen zal oordelen door Jezus Christus „naar mijn Evangelie". (2 : 16).
Paulus spreekt in dit laatste dus over het Rechterschap van de Christus in de grote dag Zijner toekomst; maar niet over een rechterschap in hét lijden des Heeren.
Daarentegen spreekt hij in het eerst over het algemeen Rechterschap Gods, en niet inzonderheid over het rechterschap van Christus als Middelaar.
Er blijft derhalve niet anders over dan het aandeel des Zoons in het Rechterschap Gods krachtens Zijn goddelijk Wezen, als men enige functie als zodanig in het Middelaarswerk, of in het vleesgeworden Woord wil plaatsen.
Daarop moet Barth ook wel doelen, als hij het zo stelt: de Rechter in.het gericht, of duidelijker : onder het gericht. Dit zou althans de grote nadruk verklaren op het God zelf in de verzoening. God zelf, de Rechter, onder het gericht of in het oordeel.
Deze voorstelling wordt als thema wel verklaarbaar; De verkiezende God is ook de verkorene mens, de verzoenende God is ook de verzoende mens, de Rechter God is ook de veroordeelde mens.
Op blz. 240 (K. D. IV, 1) wordt opgemerkt, dat er ook wel zo'n rechterlijke functie is, dat dit aspect ook aanwezig is — en dit kan dan met meer of minder recht aanleiding zijn om het geliefde thema ook op deze functie over te brengen en te pogen, de geschiedenis des lijdens onder dit aspect te beschrijven.
In hoeverre het gerechtvaardigd kan heten, dit — zoals wij zullen zien — nog al , , gewilde" gezichtspunt in de plaats te schuiven van de , , hogepriesterlijke" bediening, waarop de Schrift het volle licht laat vallen, laat zich moeilijk bevestigen.
Het zwakke punt in Barth's theologie, de eenpersoonlijkheid Gods, maakt de figuur van de Rechter in het gericht toch ook bijster moeilijk met de Heilige Schrift in overeenstemming te brengen. Het éne goddelijke Ik is toch volgens Barth de handelende God in de Zoon en ook in het vlees geworden Woord. Als God dan de partij van de mens, d.i. van de zondaar, opneemt en zich in zijn plaats onder het gericht stelt, dan stelt het éne handelende goddelijke Ik zich onder het gericht van dat éne goddelijke Ik.
Dat lijkt toch wel heel veel op een goddelijke zelfveroordeling en derhalve op een conflict in God.
In verband met de plaats, welke Barth inruimt voor een , , Nietige", overigens niet een aan de Heilige Schrift ontleende, maar een aan de wijsbegeerte' ontleende idee, zou deze structuur niet zo vreemd zijn.
God schiep immers de mens onder de bedreiging van het, Nietige", tegen welke de mens niet bestand was zonder Gods hulp, en welke bedreiging nu eenmaal aan de schepping volgens Barth kleeft.
De vraag dringt zich zelfs op, of de God van deze beschouwing zijn schepsel wel ooit van het gevaar van het 'Nietige" zou kunnen verlossen, daar Zijn scheppend handelen dat gevaar volgens Barth noodwendig medebrengt.
Overigens valt er in de Evangeliën genoegzaam op te merken aangaande het feit, dat Christus zich Rechter weet en als zodanig ook zich openbaart. Zijn Middelaarsambt brengt niet alleen mede dat Hij op onze plaats gaat staan, waarop Barth in de onderhavige behandeling zo veelvuldig en met nadruk wijst, maar óok, dat Hij aan Gods zijde tegenover ons staat.
Om slechts één plaats te noemen : de Bergrede. Als Hij over de geboden Gods spreekt en een vernietigend oordeel uitspreekt, dat allen onder de schuld zet tegenover God, doet Hij dat met de Autoriteit van de goddelijke Rechter: , , Ik zeg u".
Er waren meer voorbeelden te noemen. Men denke aan de gesprekken met de Parizeen, de Schriftgeleerden en de oversten: , , Gij zijt uit uw vader, de duivel".
Men denke ook aan Zijn koninklijke houding in het verhoor voor het Sanhedrin en voor Pilatus.
Het is dan ook volstrekt niet nodig op deze zaak uitvoerig in te gaan om te betogen, dat van een rechterlijke functie bij Christus sprake kan zijn. En enkele getuigen, uit de oude Christelijke Kerk, door Barth zelf aangehaald, mogen aantonen, dat deze dingen niet onopgemerkt bleven.
Wij houden het dan ook voor zeker, dat van de goddelijke Rechter met toepassing op de Christus met recht gesproken kan worden, en dat Hij zich als zodanig tegen ons openbaart, zo vaak Hij Gods recht tegenover onze schuld stelt.
Daarin komt het Middelaarsambt en het hogepriesterlijke juist uit en tot zijn recht, dat de Middelaar bij de mens voor de rechten Gods opkomt en bij God tussentreedt voor de zondaar. Dit nu wordt in deze behandeling van Barth gemist.
Doch laat ons nu eerst horen, hoe Barth over de „Rechter in het gericht" handelt.
Het is een beetje vreemd, nadat wij van hem gehoord hebben van de Eenpersoonlijke God, en de zijnswijzen, dat hij telkens van de , , Persoon Zijns Zoons" spreekt. (Zie blz. 241, K. D. IV, 1). Mogelijk bedoelt hij daarmede de persoonlijkheid van de Middelaar als mens.
En dan vraagt men zich af, wie handelt nu in de Middelaar, het goddelijk Ik, of het menselijk Ik? Wie oordeelt als Rechter ?
Hoe dit ook zijn moge, Barth zegt : dat God zelf in de Persoon van Zijn Zoon in ons midden is getreden en ~ een mens als wij geworden — gericht oefent. In dat gericht heeft God de mens wat te zeggen, dat de mens zonder zulk een direkte confrontering met God zich niet zelf wil zeggen en ook niet zeggen kan.
De mens wil n.l. zijn eigen rechter zijn. Daarin is het wezen en de oorsprong van alle zonde. En, omdat hij dat zijn wil en dienovereenkomstig denkt en handelt, is zijn gehele wereld met God in strijd, (t.a.p. blz. 241).
En nu treedt God hem in de Persoon van Zijn Zoon in het vlees in het aangezicht tegen, opdat over hem het werkelijke gericht ga.
De vernedering van Gods Zoon tot onze staat, de door Hem in deemoed gebrachte gehoorzaamheid als onze, broeder, is de goddelijke aanklacht tegen ieder mens en aller veroordeling. Immers de wereld is daarin tegenover God één van zin en besloten, dat zij haar rechtvaardiging niet van Hem, maar van zich zelf verwacht. Daarin is het vlees vlees. Daarom betekent de vleeswording des Woords het gericht, en wel het verwerpende en verdoemende gericht, dat over alle vlees gaat. (T.a.p. blz. 241 V.).
God heeft in Zijn Zoon als onze en aller mensen Rechter gehandeld. De Zoon van God is mens geworden, de onze, onze broeder, onze medegenoot in onze situatie om de wereld te richten, (t.a. pi. blz. 243).
Om de wereld te richten in de koninklijke vrijheid, aan ons door de voltrekking van het gericht genade te bewijzen, om ons door onze veroordeling rechtvaardig te spreken, door onze gevangenneming vrij te maken, door onze dood ons leven te funderen, door ons verderf ons redding en heil te verschaffen. Zó heeft God ons in Christus Jezus gericht, (t.a.p. blz. 243 v.).
Hoe Barth dat opvat ?
Dat de Zoon van God het rechtvaardige gericht over ons daarmede voltrok, dat Hij zelfs als mens in onze plaats ging staan en in onze plaats het gericht, waarin wij gevallen waren, over zichzelf liet gaan.
In zulk een voor ons was Hij als onze Rechter tegen ons.
Het gericht kwam punt voor punt over ons, zoals het ons moest overkomen •—, maar nu, want zo wilde God Zijn gericht in Zijn Zoon aan ons voltrekken — in zijn Persoon, als Hem treffende aanklacht, veroordeling en doding.
Hij richtte en het was de Rechter, die daar geoordeeld werd, zich zelf liet veroordelen, (t.a.p. blz. 244 v.).
Men ziet, het plaatsvervangend karakter van Christus' lijden en sterven wordt hier, schoon heel sterk op de voorgrond gedreven, n.l. het „voor ons", , , in onze plaats", zodanig gewijzigd onder het thema , , de Rechter in onze plaats geoordeeld", dat het hogepriesterlijk offer verdwenen is. (Vgl. Hebr. 9 : 12 ; 1 Petrus 1 : 18, , 19).
Met nadruk immers wil Barth gezegd hebben, dat God zelf handelt in de Zoon, het vlees geworden Woord.. Zó wilde God Zijn gericht in Zijn Zoon aan ons (wij cursiveren) voltrekken — in Zijn Persoon, als Hem treffende de aanklacht, veroordeling en doding.
Het gericht Gods is aan ons voltrokken, maar het trof de Zoon in Zijn Persoon ! Op grond van Barth's beschouwing ten deze is die Persoon de menselijke Persoon des Zoons, want van een goddelijke Persoon Zoon wil Barth niet weten.
Barth zegt dan ook ; omdat Hij een mens was als wij, kon Hij geoordeeld worden, zoals het ons toekwam. En aangezien Hij God was, goddelijke Rechter, had Hij de autoriteit ons vrij te spreken. God in Christus spreekt vrij, de mens in Jezus Christus wordt veroordeeld, d.w.z. wij ondergingen in Hem ons oordeel en wij werden door Hem vrij gesproken. Allen zijn veroordeeld in de Ene en allen zijn vrij gesproken, omdat zij in Hem geoordeeld zijn.
Wie heeft nu geleden in de Zoon? De Vader? Neen, want de zijnswijze Zoon is niet de zijnswijze Vader.
Kan een zijnswijze lijden, gehoorzaamheid brengen, sterven ? Of kan alleen een Persoon dat volbrengen?
Heeft de Ene persoonlijkheid Gods dan in de Zoon geleden ? Is de ene persoonlijkheid Gods in de Zoon geoordeeld als de Rechter, die zichzelf oordeelt ?
Of is het tenslotte de Persoon van de Zoon als mensgeworden God, de menselijke persoonlijkheid, die zich onder het oordeel Gods heeft gesteld en is dat geschied voor ons ? Dan heeft God als mens voor ons geleden, voor ons alles volbracht, opdat Hij zelf onze verzoening met Zichzelf teweegbracht.
Als onze medemens, als mens met ons, heeft Hij dat voor ons kunnen doen, zegt Barth, en Hij heeft dat in onze naam gedaan in plaatsbekledend handelen, (t.a.p. blz. 254).
Het is echter merkwaardig vreemd, dat Barth deze plaatsbekledende handeling als een rechterlijke ziet: Hij is als Rechter in onze plaats getreden.
Barth ziet daarbij op de zonde, wier oorsprong en wezen hij legt in het zelf rechter willen zijn en nu neemt Christus die plaats in, waar ieder mens op het hoogste bij zich zelf staat.
Dit heiligdom behoort Hem en niet aan de mensen. God gaat dus in Hem op de plaats staan, waar de mens het meest zichzelf wil zijn. De mens is geen rechter. Jezus Christus is Rechter.
Jezus Christus doet derhalve hetzelfde, wat wij doen. Neen, zegt Barth, als Hij als Rechter op onze plaats gaat staan, neemt Hij een plaats in, die Hem van eeuwigheid eigen is. Hij is legitiem rechter, wij niet.
Maar Hij neemt voor eigen verantwoordelijkheid, wat wij op die plaats doen. Hij veroordeelt ons daarmede, dat Hij die verantwoordelijkheid op Zich neemt.
Hij kan dat doen, omdat Hij één der onzen is en als één der onzen ook waarachtig God. (ta.p. blz. 259),
Omdat Hij dat doet, houdt de zonde op onze zonde te zijn. Zij gaat ons niet meer aan..
Hiji heeft ons weggedragen van die plaats, waar wij rechter willen zijn. De zonden, die wij daar doen, zijn Zijn zonde geworden. Hij is de Enige, die daarmede belast is temidden van mensen, die door Hem ontlast zijn. Hij is de enige verworpen mens. (t.a.p. blz. 260).
Het kan duidelijk zijn, dat het hogepriesterlijk karakter van het plaatsvervangend lijden en sterven van de Middelaar in deze rechterlijke beschouwingen is verloren gegaan.
Het werk der verzoening wordt als een juridisch handelen Gods jegens de mens voorgesteld, waarin veroordeeld worden de zin schijnt te hebben van vrij gesproken worden, gelijk elders onmacht als openbaring van macht wordt voorgesteld.
Ook de vleeswording des Woords wordt tot een juridische acte gemaakt, welke in de grond der zaak het om der zonde wil zo niet ganselijk buiten kracht zet, dan toch geheel op de achtergrond dringt.
Wij zijn echter nog niet aan het einde van deze beschouwingen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's