De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WILHELMUS à BRAKEL

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WILHELMUS à BRAKEL

10 minuten leestijd

Van de laatst hier behandelden moest gelden, dat ze minder bekend waren. Als dat een gemis was, dan wordt het wel dubbel goedgemaakt door het feit, dat W. á Brakel een heel goede bekende is. Tenminste zijn naam. Zijn hoofdwerk Redelijke Godsdienst telt meer dan 2000 blz. ; men kan niet aannemen, dat elk, die Brakel's naam kent, ook van heel de inhoud van dit boek kennis draagt. Het zou anders helemaal geen luxe wezen.

De vertrouwdheid en de genegenheid, die W. á Brakel geniet, komt sprekend uit in de aanduiding: , , Vader Brakel". Deze aanduiding geeft ons stof tot enige overpeinzing.

Vreemd in de eerste plaats, dat men deze eretitel aan een mens wilde geven. De Heere Jezus verbood immers, iemand op aarde onze Vader te noemen, omdat Eén een werkelijke Vader is, n.l. onze Vader, die in de hemelen is. Blijkbaar heeft men deze tekst anders opgevat en daarom die vadernaam toch zo gebruikt. Maar eigenaardig dan weer, dat men b.v. niet van Vader Voetius sprak of Vader Teellinck. De afstand van deze twee tot de kerkmensen is blijkbaar gro­ter geweest dan die tot W. á Brakel. Wie de moeite neemt, hun portretten met elkaar te vergelijken, zal dat ook langs die weg wel goed kunnen begrijpen.

Maar nog hebben we niet alles geopperd. Een beetje spijtig vinden we het, dat men W. á Brakel, dus Brakel junior, met de vadernaam versierd heeft, terwijl men zijn vader, D. G. á Brakel, die naam weer onthouden heeft. Terwijl de eerlijkheid gebiedt te erkennen, dat de vader toch diepzinniger en oorspronkelijker mag heten dan de zoon.

We zullen hieruit de slotsom moeten trekken, dat die vadernaam wel vooral een aanduiding is van populariteit. En volgens die maatstaf wint Smytegelt het nog weer van W. á Brakel. Begrijpelijk, want hij is nog minder theologisch en ingewikkeld. Wij voor ons zullen toch niet verzwijgen, dat de lectuur van W. á Brakel en Smytegelt alleen een eenzijdige, verschraalde kennis geeft van het gereformeerde leven. Wie naast hen tenminste iemand uit de voortijd legt (Teellinck) en iemand uit de natijd (Comrie) en daarbij Calvijn niet te zeer vergeet, die zal mogen hopen, een wat completer, reëeler indruk van het genoemde gebied te verkrijgen.

We behandelen W. á Brakel na Witsius. Dat doen we, omdat hij later dan Witsius overleed. Toch vermeldden we al, dat we eigenlijk W. á Brakel veel liever eerder behandeld hadden, omdat we de schaduwkant, die we bij Witsius opmerken, bij hem veel minder tegenkomen.

Witsius geeft aan de rede al groter plaats dan zijn voorgangers. W. á Brakel deelt zijn afkeer van scholastiek, dus van wijsgerige, ingewikkelde onderscheidingen en begrippen, maar heeft toch wel iets merkwaardig nuchters, dat wijst op een minder mystieke inslag.

Brakel is geboren als zoon van D. G. á Brakel, die we veel eerder besproken hebben. Dat gebeurde dus in Friesland en daar (in Franeker) had dan ook de theologische studie plaats. We merken hierbij even op, dat hij geen leerling was van Coccejus, die al eerder van Franeker naar Leiden was vertrokken. De grote belangstelling, die W. á Brake! voor het Verbond heeft, komt dus niet rechtstreeks uit Coccejaanse bron. Zoals ook anderen dat graag deden, studeerde Brakel een tijd lang elders, in Utrecht, en hoorde daar Voetius én Essenius.

Zijn eerste predikantsplaats is Exmorra, daarna Stavoren, Harlingen, Leeuwarden, Rotterdam. We letten er terloops even op, dat de richting, die Brakel voorstaat, in die tijd dus ook in Friesland z'n aanhangers vond: dat is later zeer afgenomen.

In Friesland heeft, zo begrepen we het uit het optreden van Witsius, het Labadisme velen op een tweesprong en een tweestrijd gebracht. Daar hoort á Brakel ook bij en dat eert zijn eerlijkheid en openheid. Hij vertelt er zelf van, dat hij dagenlang zich afzonderde in een tuinhuis, om te verstaan, of de Labadistische oproep tot separatie uit God was of niet. Als dat laatste hem tot zekerheid wordt, pakt hij de pen en bestrijdt hij P. Yvon, de theoloog-verdediger van de Labadistische zaak, die niet nagelaten heeft daarop krachtig te antwoorden. We merken in deze gang van zaken echter een sprekend merkteken van á Brakel's behoren tot deze Reformatie, n.l. zijn open oog hebben voor de gebreken der Kerk, zonder haar daarom te kunnen prijsgeven. Aan deze Labadistische crisis hebben we een aantal boekjes over het Heilig Avondmaal van zijn hand te danken, die we wel erg graag ter kennis zouden brengen van , , onze mensen". Er blijkt nl. uit, dat á Brakel's houding tegenover het Heilig Avondmaal niet overeenkomt met wat zovelen onzer jaar in jaar uit, toepassen. We tekenen er bij aan, dat in de 18e eeuw en hele stroom „Avondmaalslectuur" is geschreven op een wijze, die de 17e eeuw, als was ze niet van goud, zo niet gekend heeft. Het zou belangwekkend zijn als iemand aan de hand van deze literatuur eens het verloop van het kerkelijk- en geestelijk leven ten onzent belichtte.

Enkele voorvallen uit Brakel's predikantsleven vermelden we liever in het kader van zijn theologische opvattingen. We verzwijgen echter niet het feit, dat we van á Brakel's vrouw niet alleen de naam kennen (ze heette Sara Nevius), maar aan haar ook een boekje te danken hebben, dat in onze kring wel vrij bekend moet zijn. Als we even terugzien op de plaats van de vrouw in de gereformeerde kerk, dan merken we op, dat die aanvankelijk zeer sterk lijkt op de plaats van Sara, die wegschuilt achter Abraham, haar heer. Van de vrouw van Calvijn, Voetius, Amezius, enz., weten we weinig meer dan de naam. Ze dienden hun man en hun gezin en traden niet naar voren in het publieke leven. Luther's vrouw, Catharina van Bora, is hier een uitzondering, die de regel eerder bevestigt.

We begrijpen, dat niet alle Sara's dochters het achter „Abraham's" rug even breed gehad hebben. We zagen met name, hoe Anna Maria van Schurman als een andere Sara op clandestine wijze iets poogt mee te beleven van wat zich afspeelt in Abraham's hart. En — we kunnen niet anders dan vaststellen, dat ze daarin toch ietwat baan heeft gebroken. Ze heeft aan de vrouw binnen de kring van de Nadere Reformatie althans iets meer armslag verworven. We komen nog al eens tegen de geschriften van zekere Maria Buys, lidmate van de Geref. Kerk, later Eva v. d. Groe, en we zien ook Sara Nevius met een geschrift buiten de schemering van haar , , tent" treden. Dat boekje van haar heet: Een aandachtig leerling van de Heere Jezus Christus. Daar kwam ze zo toe, dat ze, geboortig uit Utrecht, met haar moeilijkheden nogal eens kwam tot Witsius, die daar predikant en hoogleraar was. En Witsius placht haar dan nog al eens te antwoorden: Waarom vraagt ge mij ? Vraag het aan de Heere Jezus Christus zelf ! Dat heeft Brakel's vrouw pogen te doen en de neerslag ervan vinden we in dat boekje. Het boekje is zeker daardoor aantrekkelijk, zonder dat we daarom kunnen zeggen, dat het vloeide uit de pen van een bijzondere , , Moeder van Israël."

Eer we nu aan een vermelding en bespreking van Brakel's werken overgaan, gaan we iets in op zijn toebehoren tot de Nadere Reformatie. In zijn houding tegenover de kerk zagen we dat al weerspiegeld. Het verwondert ons wel zeer, dat vele onkerkelijken en thuiszitters, die menen dat hun zich afzijdig houden van leven en strijden der kerk in de lijn der „oude schrijvers" is en die liefst in Brakel roemen, juist hem bepaald tegen zich hebben. Wat heeft á Brakel nog een hart voor kerk en sacramenten, véél meer dan een nageslacht, dat nog wel in zijn naam roemt, maar hem kennelijk slecht begrepen heeft, als ze hem tenminste zelfs maar heeft gelezen.

Brakel's „piëtisme" is dus evenzeer geestelijk als dat het kerkelijk wil zijn en die twee staan in gedurige spanning. Met zijn voorgangers deelt hij de afkeer van dans, toneel, luxe enz., maar het heeft minder nadruk dan weleer. Het moet genoegzaam zijn bekend geweest en, dunkt ons, er mengt zich ook wel zekere moedeloosheid in. Men luisterde in brede kring toch niet naar dit vermaan. Het is of de 18e eeuw met gretigheid wil inhalen, wat een ingetogener 17e eeuw had laten liggen. Het gevoelselement dat voor het piëtisme wel niet een beginsel uitmaakt, maar dat het wel pleegt te begeleiden, treedt bij á Brakel minder sterk op. Maar dat betekent geenszins dat Brakel koud zou moeten heten. Hij heeft wat ook Calvijn, Voetius, Comrie hebben : een ingehouden hartstocht, een beteugeld sentiment, die ons krachtiger lijken dan het onbeteugelde, al loopt dat meer in het oog.

De inzet van de Nadere Reformatie was: de wedergeboorte, de vernieuwing van kerk en volk. Daarbij was een ergerlijke belemmering, dat de overheid de kerk zo beknibbelde en poogde te boeien. Daar zien we de meeste mannen van de Nadere Reformatie tegen in het geweer. Brakel óók, die zijn aard hierin niet verloochent.

We vinden dat prachtig bij hem terug, als hij onverschrokken de heren van het stadhuis een neen laat horen. Tot 2 maal toe was hiertoe aanleiding : in 1682 in Leeuwarden, in 1688 in Rotterdam. In een preek zei Brakel enkele waarheden aangaande de bevoegdheid van kerk en overheid, zo onopgesmukt en ongezouten, dat de Hoogmogende Heren in het harnas sprongen en deze vrijmoedige predikant de terugtocht wilden laten blazen, misschien wel de aftocht. Maar daar was á Brakel bepaald niet voor te vinden, hoewel ze met schorsing en inhouding van tractement dreigden. In beide gevallen heeft de overheid een veel gematigder toon moeten aanslaan en we kunnen niet verzwijgen dat, wanneer alle predikanten zo karaktervol als á Brakel waren gebleken, onze kerk daarvan vele vruchten zou hebben geplukt en b.v. die smadelijke , , regentenoverheersing", die we nog in 1816 waarnemen, als de Koning een onkerkelijke kerkorde opdringt, niet zou zijn mogelijk geweest. Maar die moed heeft bij velen zeer ontbroken, wat Brakel's daad tot een waagstuk, maakte, dat ons ongeveinsde sympathie ontlokt. We zien hierin dan nog weer bevestigd, dat deze Nadere Reformatie, hoewel ze het geestelijke leven bedoelt, daarmee aan het politieke geenszins voorbij wilde gaan. Brakel hield graag conventikels, maar zijn dapper optreden tegen de regenten openbaart een andere geest, dan die de conventikels na hem gaven.

Over die conventikels gesproken : we weten immers, hoe ze, maar dan kerkelijk bedoeld, zo helemaal bij de Nadere Reformatie horen. Brakel, die de lof der catechisatie zo voorbeeldig bezongen heeft (en daarnaar dééd), was dus ook een vriend van huiscatechisatie, lidmatencatechisatie enz. Hij had daarin van broeders en collega's nogal eens verzet te verduren, maar heeft zich daarvan gelukkig weinig aangetrokken. Hij voelde veel te goed, dat de kerk al meer breedte, al meer , , vlees" kreeg en daar was hij ook dankbaar voor. Maar: alleen, wanneer daarmee gepaard ging toenemende verdieping, en voortgaand leven van de Geest. Dat leek hem (met de meesten van zijn voorgangers) ook in de samenspraken, volgend op preek of catechisatie, zo goed mogelijk en dat heeft hij daarom met evenveel trouw beoefend als zijn preken, huis- en ziekenbezoek.

Hiermee hebben we Brakel's leven en bedoelingen wat omlijnd.

Volgend maal hopen we tot de bespreking van zijn werken voort te varen en er zoveel kort van weer te geven, dat het wat spreekt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

WILHELMUS à BRAKEL

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's