De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ONZE ZONDE IN GODS HAND

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ONZE ZONDE IN GODS HAND

10 minuten leestijd

In veelheid van woorden gaat Barth door op het thema : „de Rechter in onze plaats geoordeeld". Hij tracht het licht te doen vallen op verschillende aspecten van het werk der verzoening en toch — ondanks telkens terugkerende uitdrukkingen, die bekende klanken schijnen te vertolken, stuit men van bladzij tot bladzij op onverteerbare wendingen.

Heel de rechterlijke beschouwing, welke Barth poogt te ontwikkelen, wordt door het bezwaar gedrukt, dat een „rechtshandel" der verzoening, op een dergelijke wijze als Barth ons wil voorstellen, door de Schrift nergens wordt geleerd.

Deze voorstelling schijnt veeleer de partijen in het werk der verzoening om te draaien. Als de apostel Paulus schrijft: God in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hunne zonden hun niet toerekenende. (2 Cor. 5 : 17), wordt de wereld met God verzoend.

Het is van betekenis er op te letten, dat de apostel in vers 11 begint met te zeggen : , , wij dan wetende de schrik des Heeren' .

De apostel bepaalt ons bij het gericht: , , Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage, hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad". (2 Cor. 5 : 10).

Barth stelt het ons zo voor : Wij zijn eigenwijze mensen, die onze eigen rechter willen zijn, zelf uitmaken, wat goed en wat kwaad is, en daarmede zijn wij in strijd met God en op weg naar het verderf.

Daarmede kunnen wij het eens zijn. Verder leert Barth, dat Christus in onze plaats is getreden als de legitieme Rechter, Hij is bevoegd, heeft de competentie en de macht. De Zoon, Jezus Christus, wordt ons getekend als God in Zijn menselijkheid. In die menselijkheid onderwerpt God zich aan Zijn eigen gericht over de mens, waarin dan het , , legitiem" rechterlijke moet uitkomen.

Daarin, dat Hij dat doet en op deze wijze doet, oordeelt Hij ons. Hij oordeelt ons met een oordeel der liefde en spreekt ons vrij. Zo bewijst Hij Zijn trouw.

God doet dat niet slechts als God, maar als de ware mens in ons midden, als één der onzen. Hij kan de zaak Gods tegen ons op zulk een wijze volbrengen, dat Hij ons deze onze euvele zaak ontrukt en zich zelf er mede belast.

De menselijkheid van God speelt in deze beschouwingen een zo grote rol, dat men haast de indruk zou krijgen, dat het alleen om de menselijkheid van God gaat, en dat daarin het doel der schepping zou opgaan.

Volgens Barth maakt God in Zijn Zoon de zaak van de (gevallen) mens niet alleen tot de Zijne, maar Hij maakt ook de zonde tot de Zijne. Hij neemt de verantwoordelijkheid voor het Rechterschap, dat wij ons wederrechtelijk hebben toegeëigend — en dan nog ten eigen bate aangewend en in ongerechtigheid misbruikt, — op zich. In dit doen is de wereld omgekeerd, van vijand tot vriend geworden en is de zonde te niet gedaan. Het is alles nieuw geworden.

Hoe men dit kan weten ? Wel, zie maar eens, wat er tussen Goede Vrijdag en Paasmorgen is geschied : Hij is opgestaan! Dat betekent de goddelijke goedkeuring op Zijn rechterlijk handelen. (Vgl. t.a.p. blz. 261) : Onze zonde is niet meer de onze, maar zij is Zijn zonde, de zonde van Jezus Christus. God heeft ze tot de Zijne gemaakt. Daarmede heeft Hij de zonde en ons als de daders geoordeeld.

Wij zijn uit ons rechtersambt in deze zaak ontzet, (t.a.p. blz. 263). N.B. Hier wordt van een ambt gesproken, alsof het ons toekwam.

Dergelijke voorstellingen van het verzoenend lijden en sterven van Christus de Middelaar, kan men moeilijk Schriftuurlijk heten. Wél kan Barth van Luther enkele zinsneden aanhalen, die het doen voorkomen, of Luther er ook zo over gedacht heeft.

Inderdaad kon Luther zich wel eens sterk uitdrukken en toch zijn wij van oordeel, dat' Barth te veel zegt, als hij beweert, dat onze zonde niet meer de onze, maar Christus' zonde is.

De Heilige Schrift zegt dat o.i. niet: Wij denken o.a. aan 2 Kor. 5 : 21 : Want dien die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.

Het is innerlijk tegenstrijdig om te onderstellen, dat onze zonde door Christus tot de Zijne zijn gemaakt, want Christus heeft geen zonde gekend noch gedaan. Hoe ook zouden wij in Hem rechtvaardigheid Gods kunnen worden, als Hij met onze zonde besmet was.

Veeleer moeten wij hier een alsof invoeren : alsof onze zonde de Zijne waren, gelijk de Heere de Zijnen ook genade bewijst, alsof zij alle gehoorzaamheid volbracht hadden, die Christus gebracht heeft.

In die zin verstaan wij ook Jesaja 53 : 4 V.: Waarlijk Hij heeft onze krankheden op zich genomen en onze smarten heeft Hij gedragen Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld ; de straf, die ons de vrede aanbrengt was op Hem en door Zijn striemen is ons genezing geworden.

Als onze zonden de Zijne zijn geworden, is Hij de schuldige, wordt Hij als zodanig geoordeeld en is er geen reden, dat wij geoordeeld worden, want onze zonde is er niet meer en Zijn zonden zijn in Zijn dood verzoend. Hij is der zonde gestorven.

Het wordt waarlijk niet gemakkelijk, als wij daarbij bedenken, dat God volgens Barth in de Zoon, in de menselijkheid van het vleesgeworden Woord onze zonde tot de Zijne maakt en des doods schuldig wordt.

Onze zonde Gods zonde In Zijn menselijkheid, ons oordeel Gods oordeel.

Zit achter deze beschouwingen niet nog wat anders ? Moeten wij de achtergronden niet zoeken in Barth's uiteenzettingen omtrent de zonde als de , , onmogelijke mogelijkheid" en die van het „nietige" ?

De zonde behoort toch tot het door God niei-gewilde. Zonde kan men in die zin zien als de wraak van het , , nietige". Vanuit de wil Gods gezien, kan er geen zonde zijn. Vanuit de wil Gods gezien is de zonde onmogelijk. Vanuit de gerechtigheid Gods gezien is de zonde derhalve ook onmogelijk.

Op deze wijze kan men in de lijn van Godsgerechtigheid en ook van Gods trouw redeneren, dat God blijvend Zijn niet-willen stelt tegenover de zonde en, dat Hij de zonde in Zijn Zoon voor eigen rekening nemend, haar naar het , , nietige" verwijst en de mensen vrijspreekt.

Zoiets van God wil het niet en daarom is het er niet.

God zou dan op deze wijze de strijd tegen het , , Nietige" voor de mens hebben aangegrepen, welke de mens zonder Gods hulp niet had kunnen winnen. Die strijd lag bij wijze van spreken toch op Gods weg en zelfs als een strijd met en voor de mens.

Alleen God immers kan volgens de voorstellingen van Barth de dreiging van het , , nietige" afweren en de mens voor het gevaar behoeden. Geen mens is daartegen bestand. Gods triomf over het , , nietige" komt er dus feitelijk op neer, dat God het, , nietige" negeert door de zonde te niet te doen in de Zoon, in Zijn mensheid, en dat voor allen.

Anders toch kan men ook niet verstaan, waarom Barth zegt, dat wij de zonde vooral niet ernstiger moeten nemen dan de genade.

Niet het schepselmatige op zich zelf wordt als een zwakheid gezien, want God heeft goed geschapen, wat Hij schiep. Het was alles zeer goed. Dit wordt ook door Barth uitdrukkelijk erkend. Maar Barth leert, als God schept, wat Hij verkiest, verwerpt Hij, wat Hij niet schiep. Hij heeft immers niet gewild, wat Hij niet schiep. Men zou kunnen zeggen : het door God niet gewilde is het , , nietige".

Wij onderschrijven deze leer niet en, zijn van oordeel, dat het niet juist is, de scheppende werkzaamheid Gods als een keuze tussen, wat Hij wel of niet wil scheppen te verstaan. Dat heeft wel enige gelijkenis met wat dé wijsgeer Leibnitz aangaande de schepping leerde, maar de Schrift geeft aan dergelijke gedachten geen steun.

Theologisch is het allerminst gemakkelijk te beamen, dat hetgeen God niet geschapen heeft, zich op een of andere manier wreekt in het , , nietige". En dat om de eenvoudige reden, dat hetgeen God niet zou hebben willen scheppen en hetgeen daarom door God verworpen zou zijn, niettemin in God zelf zou opgekomen zijn. Het onvermijdelijke van het , , nietige" als dreiging en gevaar zou dan tenslotte toch op God zelf terugvallen en zijn diepste oorsprong in God zelf hebben.

Men kan moeilijk aannemen, dat deze voorstellingen niet van invloed zouden zijn op de leer der verzoening en op haar voorstelling als een rechterlijke daad, waarbij God onze zonde tot de Zijne maakt en voor Zijn verantwoording neemt.

Als Barth verder redeneert (t.a.p. blz. 263), poneert hij, dat Christus, die onze zonde tot de Zijne heeft gemaakt, voor ons wordt gesteld als een spiegel, waarin wij onze boosheid moeten zien. Jezus Christus is de objectieve kenbron betreffende onze boosheid. Wij kunnen die volgens Barth niet kennen aan enige vrij gekozen of gevonden maatstaf voor goed en kwaad. Reeds daarom niet, omdat wij ontslagen zijn van ons Rechtersambt, (alsof wij waarlijk rechters over goed en kwaad van Godswege waren geweest).

Onwillekeurig moet men bij de woorden : , , vrij gekozen of gevonden maatstaf over goed en kwaad" aan de Wet Gods, aan de Tien Geboden inzonderheid denken.

, , Uit de Wet is de kennis der zonde", zo worden wij onderwezen door de apostel Paulus. Christus zelf heeft nergens gezegd, dat wij de Wet niet zullen betrachten, maar wèl heeft Hij de maatstaf van Gods Wet zo scherp gesteld, dat niemand vrij uitgaat. Christus zegt ook, dat Hij niet gekomen is om de Wet te ontbinden.

Het zo algemeen gesproken woord van Barth omvat de maatstaf van Gods geboden ook en Barth sluit de Wet Gods met geen enkel woord uit van zijn negatief oordeel. Neen, met nadruk wijst hij op Jezus Christus als de spiegel, waarin wij ons zelf hebben te leren kennen. Hij heeft zich in onze plaats gesteld en zo wordt beslist welke deze onze plaats is.

In Jezus Christus kunnen wij leren kennen, wie wij zijn, omdat wij in Hem gekend zijn, hoedanigen wij zijn. Hij vertegenwoordigt ons, in dat, wat wij in waarheid zijn, n.l. zondaren, maar wier zonden in Hem vergeven zijn. Ons zondaarzijn is in Zijn handen (t.a.p. blz. 266). Onze zonden zijn niet meer in onze handen, niet meer object van zorg en angst. In Jezus Christus heeft God onze zonden in Zijn handen genomen. Wij weten onze zonden in Gods handen, kennen die alleen in Gods handen. Daarom is deze kennis object van onze Godskennis. Ons zondaar zijn behoort Gode en niet ons.

Deze redenering komt er dan op neer, dat wij alleen in het aanschouwen van Jezus Christus kunnen weten, dat wij zondaars zijn en dat wij onze zonden alleen kunnen kennen als in Zijn hand, d.w.z. vergeven.

Een andere kennis van zonde dan deze, welke object is van onze Godskennis, wordt dus klaarblijkelijk door Barth niet erkend.

In dit licht en zó gesteld, is er geen ontdekking der zonde uit de Wet en moet men besluiten, dat Paulus ten onrechte zo spreekt en ook ten onrechte de Wet een opvoeder tot Christus heeft genoemd.

Anderzijds moet men zich afvragen, of Barth zich zelf voorbij praat in deze wijze van voorstellen, want, hoe kan hij — indien het waarlijk zo is, dat wij in de spiegel Jezus Christus ons leren kennen — weliswaar als zondaren, maar als zondaren die hun zonden in Zijn hand, d.i. in Gods hand weten — hoe kan hij dan spreken over angst en zorg vanwege de zonden, en dat het onze angst en zorg niet meer zijn kan ?

In de spiegel Christus is die angst en zorg in Zijn hand, maar om van angst en zoirg te kuimen meespreken, om angst en zorg te kunnen gevoelen, moeten onze zonden nog als de onze en voor onze rekening en verantwoording liggende gekend worden.

En dat nu kan juist niet in de spiegel Jezus Christus, want dan wordt de zonde niet als de onze gekend volgens Barth, maar in Gods hand, en dan kan zij geen angst en zorg wekken.

Vanwaar nu die angst en zorg ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

ONZE ZONDE IN GODS HAND

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's