WILHELMUS à BRAKEL II
Er zijn twee wegen, om met á Brakel nader vertrouwd te worden. De ene is, uitvoerig weer te geven, hoe á Brakel, als hij preekte, zijn gemeente aansprak, taxeerde en leidde. Dat kunnen we echter niet met heel veel detail doen, want we staan voor het merkwaardige feit, dat á Brakel in zijn leven zeker een paar duizend preken gehouden heeft, terwijl er maar 10 van gedrukt zijn! Een vergelijking met Smijtegelt doet het wat ongewone van deze stand van zaken te meer opvallen. Hoe komt dat ? Heeft á Brakel misschien instinctief gevoeld, dat hij in het preken niet zijn sterkste kant had, zodat hij die naar buiten niet zo openbaar maakte ? We moeten dit vermoeden echter weerspreken. Hoewel á Brakel zeker geen groot geniaal kanselredenaar was (al heeft A. Hellenbroek dat na zijn sterven wel beweerd), maar hij hoeft voor de doorsnee Voetianen in geen enkel opzicht onder te doen. Maar misschien heeft zijn grote dogmatisch handboek, het bekende: Redelijke Godsdienst, hem de handen zó vol werk gegeven, dat daardoor de uitgave van meer preken is uitgebleven? Dat kunnen we echter evenmin aannemen, want á Brakel was een werkzaam man, niet voor extra werk vervaard. En nadat zijn handboek eenmaal klaar was gekomen, betekenden de vele herdrukken voor hem niet meer zóveel werk.
Onze slotsom is dus, dat we niet kunnen verklaren, waarom hij in dezen de kaars wat onder de korenmaat zette. Intussen waarderen we dan te meer het weinige, dat hij gaf, dat we vinden in zijn ene prekenbundel, getiteld : De ware christen of oprechte gelovige, hebbende deel aan God in Christus, in tegenstelling met een geveinsde en huichelaar of natuurlijk onbekeerd mens : beide voorgesteld in hunne karakters en merktekenen, zoals zij zich opdoen in haar begin, voortgang en einde.
U merkt wel aan deze zeer brede titel, dat hij zelf en zijn tijd wel wat tot breeksprakigheid neigt. Anderzijds moeten we zeggen, dat deze titel zeer compleet is en uitstekend de bedoeling van die 10 preken weergeeft.
Het gaat er Brakel dus om, de ware, oprechte christen te tekenen. We overzien even al die 10 preken, om te weten waar de klemtoon gelegd wordt. Dan treft ons, dat het positieve overheerst. De boetetoon, hoezeer te verwachten van een gereformeerd piëtist, is toch gematigd. Brakel overschat de enkele gelovige zomin als de hele gemeente, maar hij leeft er bij, dat de Heilige Geest in, de gemeente Gods werkt, zodat hij haar niet mag aanspreken, als een geesteloze, dorre hoop.
We menen de volgende hoofdgedachten bij Brakel te vinden. Hij preekt over Jesaja 28 : 16 : Wie gelooft, zal niet haasten; over Job 35 : 10 : En niemand zegt, waar is God mijn maker, die de Psalmen geeft in de nacht; en over Efeze 2 : 4, 5 : Maar God, die rijk is in barmhartigheid, toen wij dood waren in de misdaden en de zonden, heeft ons levend gemaakt. In deze preken beluisteren we een sterk vertrouwen op God (de H. Geest) als de Beginner en de Voleindiger van het heil. Brakel leeft uit de barmhartigheid Gods in Christus, uit de volharding der heiligen.
Het blijft tot waakzaamheid opscherpen als hij preekt uit Psalm 45 : 8 : Gij hebt gerechtigheid lief, daarom heeft U God gezalfd met vreugdeolie boven uw medegenoten. De gerechtigheid van God, van Christus, tempert het zelfbewustzijn en een al te grote gerustheid. Echt gereformeerd wordt in Efeze 4 : 30 uitgewerkt: Bedroeft de Heilige Geest Gods niet, waardoor gij zijt verzegeld tot de dag der verlossing; evenzo wekt de preek over Matth. 25 : 1—4, over wijze en dwaze maagden, tot waakzaamheid op. De volharding heeft toch grote klemtoon ; behalve wat we al noemden, klinkt ons datzelfde tegen uit de preken over Hebr. 2:1: Daarom moeten we ons houden aan hetgeen wij gehoord hebben, en over 1 Cor. 15 : 2 : Waardoor gij zalig wordt, wanneer gij het houdt op zodanige wijze, als ik het u verkondigd heb. Tenslotte treft ons de beduchtheid voor valse inbeelding en huichelarij : Job 8 : 13 : De verwachting der huichelaars zal vergaan, en 1 Cor. 8: 1: De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht.
Daar hebt u een indruk van het geheel. We vinden het een aantrekkelijk boekje: goed gezond gereformeerd-piëtistisch. Niet ongezond lijdelijk; niet overactlef, maar alles op z'n plaats.
Laten we het hierbij laten blijven en liever wat naders vertellen van anderen, van wie we niet zo makkelijk het geheel van hun bundels kunnen weergeven. In alle geval menen we te hebben aangewezen, wat we bij het begin zeiden, n.l. dat deze prekenbundel een goede weg opent om de schrijver ervan te leren kennen.
Nu de andere weg. Die is bekender, maar ook wel veel meer inspanning vragende. Want we bedoelen er natuurlijk mee zijn handboek der dogmatiek, dat voluit is getiteld: Logike Latreia. Dat is de Redelijke Godsdienst, in welke de goddelijke waarheden des genadenverbondts worden verklaard, tegen partijen beschermt en tot de practijke aangedrongen. 1700, 2 dln.., ruim 2200 blz.
Het is wat vreemd, dat á Brakel, die een bescheiden man is, toch even meedoet met de mode van zijn dagen, om, ook als men voor het volk schrijft, van enige geleerdheid te laten blijken. De woorden: Logike latreia, zijn n.l. de Griekse woorden voor : Redelijke Godsdienst, en ze waren daarom ook wel overhodig.
Even moeten we die titel toelichten, want hij wordt niet altijd goed begrepen. Het zou heel goed kunnen zijn dat iemand terugdacht aan wat we over Witsius opmerkten, n.l. dat bij hem de menselijke rede op weg is, om het hart te gaan overstemmen. Dan zou het voor de hand liggen, te zeggen, dat datzelfde bij Brakel dan ook wel erg het geval moet zijn. , , Redelijke Godsdienst". Kan dat wel wat anders betekenen dan een verstandelijke godsdienst ?
Het betekent dat intussen helemaal niet. Als Paulus deze uitdrukking gebruikt tegenover de Romeinen, betekent het woord, dat onze Statenvertaling met , , redelijk" vertaalt, zoveel als : gezond, gepast, verantwoord. En zó bedoelt á Brakel het ook. De Heere, is niet om een verstandelijke —, zelfs niet om een doordachte dienst verlegen, maar Hij vraagt een gezonde, gepaste, verantwoorde eredienst.
Verder merkt u wel, wanneer u deze titel leest, hoeveel reden we hadden, op te merken dat a Brakel wèl geneigd is het gezonde in het genadeverbond op te merken, zelfs, wanneer dat door vele van zijn geestverwanten erg is veronachtzaamd. Het genadeverbond vormt de grondslag van deze dogmatiek en Brakel weet, Coccejus op zijn tijd weersprekend, toch ook diens juiste gedachten te respecteren.
Nu we het over Brakel en Coccejus hebben, moeten we even herinneren aan een pennestrijd, waarin Brakel door deze zelfde zaak werd gewikkeld. Toen hij in Leeuwarden stond, woonde in zijn buurt een Coccejaanse collega, die nogal beroemd werd, n.l. David Flud van Giffen. Die vervult op een avond een vacaturebeurt in Leeuwarden en preekt dan over Psalm 8, die hij geheel Coccejaans verklaart. Men noemde dat toen graag , , profetisch" en het ging er dan om, om zoveel mogelijk trekjes in de tekst in Christus vervuld te zien.
á Brakel hoort van die preek en besluit, haar als hij de volgende zondag de dienst heeft, tegen te spreken. Hij kiest dan dezelfde tekst, maar verklaart die bezonnen, sterk naar de wijze van Calvijn, als niet alleen en geheel op Christus ziende, maar naar de aard van de Oude Bedeling, goeddeels van God de Vader. Deze preek heeft Brakel uitgewerkt tot een boekje, getiteld: David's Halleluja ofte de lof des Heeren uit de 8e 'Psalm, 1680.
In latere drukken is dit uit- en omgewerkt tot het grotere werk : Halleluja over het Genadeverbond, dat vaker voorkomt en dat mogelijk bij Brakel de gedachte heeft opgewekt, om de Verbondsleer nóg weer breder te ontvouwen, zoals dan gebeurd is in de Redelijke Godsdienst.
Als we nu dit laatst genoemde boek opslaan, blijkt het uit 3 delen te bestaan. 'Het eerste zouden we kunnen noemen de dogmatiek, de uiteenzetting van de grote hellsfeiten. Die dogmatiek loopt dan uit op een tweede deel, dat we de ethiek kunnen noemen, waarboven Brakel als titel schrijft, dat hier het heilig leven der bondgenoten wordt behandeld in hun toenemen, afnemen en strijden. We moeten er hier al bij aantekenen dat deze ethiek, hoewel ze het leven in die tijd volkomen ernstig neemt, toch weer tegen de achtergrond der eeuwigheid tekent, naar de aard van de , , gereformeerde ascetiek", waarvoor wij gedurig al de aandacht vroegen. Het derde deel, stellig het minste belangrijke van heel het boek, bevat vooral een verklaring van de Openbaring van Johannes. Daar proeven we weer invloed van Coccejus in, want onder de Gereformeerden bestond nog al terughoudendheid in dezen, terwijl de Coccejanen hier vooral bij'voorkeur vertoefden. We vinden het dapper van á Brakel, dat hij hier zo ongeveer als eerste deed, wat na hem meerderen vrijmoedig ondernamen. Maar al was á Brakel hier iets als een ijsbreker, het heeft hem toch niet mogen gelukken, hier iets nieuws of zeer belangrijks te geven. Het wacht nog op een onderzoeker, die dat eens doorlicht: De Openbaring van Johannes binnen de Gereformeerde Theologie.
In zijn dogmatiek begint a Brakel, : zoals dat gewoonte is geworden ten onzent : met de Godskennis uit de natuur en dan die uit de Schrift. Merkwaardig, dat hij niét begint, zoals Calvijn begon, n.l. door de Godskennis en de zelfkennis in verband met elkaar te beschouwen. Calvijn zegt daarvan, dat hij niet op God kan zien (de Schepper), zonder tot zichzelf te worden gebracht (het schepsel), en ook omgekeerd, zo spoedig hij het schepsel opmerkt, daardoor tot God als de bron te worden gebracht. Door deze nauwe verbinding van Godskennis en zelfkennis, dus ook van God en inens, van geloof en leven, bereikt Calvijn het dat hij niet, zoals Brakel, die verdeling in dogmatiek en daarna de ethiek heeft, maar ze veel inniger kan verbinden. Met teleurstelling stellen we vast, dat dit boeiende en levende beginsel van Calvijn zelden is begrepen, noch gevolgd, wat heeft meegebracht, dat men in allerlei opzichten zich van Calvijn verwijdert, helaas niet ten bate van het geheel. Mier werkt, ook wel bij á Brakel, een meer verstandelijk, onderscheidend behandelen van de geloofsleer, dat na hem hand over hand toeneemt en al meer -systeem en al minder leven meebrengt. Eigenlijk is het alleen Amezius en zijn enkele volgers (á Mastricht), die het levende, , , mystieke" gezichtspunt hebben overgenomen, maar de hoofdstroom van de Nadere Reformatie deed dat niet en heeft daar een zeer zwak punt.
Het hier getekende blijkt al aanstonds als we zien, hoe á Brakel de Verkiezing Gods behandelt. Hij spreekt van de besluiten Gods in het algemeen en dan van de eeuwige voorordinering, verkiezing en verwerping. Maar hij stelt deze op een o.i. veel te natuurlijke, beredenerende wijze in het Wezen Gods, d.w.z. hij gaat ervan uit en beredeneert vandaar het vervolg van de geloofsleer.
Dat deed Calvijn niet en daarom is hij bepaald á Brakel's meerdere. Bij Calvijn vindt u de Verkiezing Gods pas in het derde boek van de Institutie, dat handelt over de toepassing des hells. Dat betekent, dat wij nooit logisch van de Verkiezing mogen uitgaan om te gaan redeneren, rmaar dat wij, wanneer wij, door de. dienst van het Evangelie en de Geest tot het heil komen, leren omzien en opzien en zeggen : Heb ik naar Hem omgezien, die mij aannam? Zo rijst de troost der Verkiezing, die eigen werk beschaamt, maar tot rust brengt in het volbrachte werk van Christus en dat door de Geest, en door niets van ons. Op deze wijze krijgt de Verkiezing bij Calvijn veel meer warmte en diepte, troost en vermaan, dan bij á Brakel. Calvijn kan de schuld van het ongeloof strak handhaven. Brakel doet het ook, maar o.i. op veel minder hechte grond.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's