WILHELMUS à BRAKEL III
We waren begonnen iets te zeggen over de inhoud van Brakel's Redelijke Godsdienst. We spraken daarbij uit, dat á Brakel de mindere is van Calvijn, vooral ook bij de behandeling van Gods Verkiezing. Bij Calvijn wordt die niet redenerend uit Gods Wezen afgeleid, maar bij de , .toepassing des heils", dus : als wij tot geloof en bekering komen, beseffen wij en belijden wij dat het God was, die willen en werken gaf naar Zijn welbehagen. De bij velen toch nog wel levende gedachte : Ben ik uitverkoren, dan kom ik binnen, wat ik ook doe, en ben ik verworpen, dan , , helpt" alles toch niets, kan bij Calvijn zeker niet opkomen, terwijl á Brakel er niet sterk tegen staat, al ontkent hij, begrijpelijk, de waarheid van deze woorden ten sterkste.
Uit dit gezegde moet volgen, dat we het bij á Brakel zeer missen, dat hij niet begint zoals Calvijn het deed: bij de voortdurende verbondenheid van Godskennis en zelfkennis. Dat betekent bij Calvijn, dat, zolang ik mijzelf niet ken, ik ook God niet ken, maar dat de kennis van (de verkiezende God) pas oplicht, wanneer ik tot kennis van mijzelf, van mijn zonde en van Zijn genade kom. Dat betekent dan tevens, dat God (de verkiezende) God kennen in het aangezicht van de Heere Jezus Christus, een zaak van geloof is en niet van redenatie, zodat ik van die God en Zijn verkiezing ook niet werkelijk weten kan, wanneer ik niet in geloof, dus als overtuigde zondaar en rebel, voor Hem heb leren buigen.
Dat laatste zal á Brakel hartelijk beamen. Maar in zijn dogmatische uiteenzetting komt het helaas niet tot zijn recht. Dat lijkt ons daar vandaan te komen, dat de verstandelijker-redelijker tijdgeest hem ook niet is voorbijgegaan en hij zo in zijn dogmatiek aan de redenatie kan toekennen, wat in de aard alleen door geloof ("bevinding"!) gekend wordt. Wat Calvijn in een levende eenheid greep, valt bij á Brakel meer uiteen. En we hebben de vrees, dat velen van onze mensen, als ze peinzen over de genade, het geloof, de Verkiezende God, eerder bij Brakel hun licht opsteken dan bij Calvijn, hoewel dat o.i. een groot verschil uitmaakt. We verhelen zeker niet onze sympathie voor zeer veel in á Brakel, maar in dezen prijzen we hem niet. Op deze wijze wordt de Verkiezing Gods te gemakkelijk zó verstaan, dat wij mensen te voren toch wat moeten zijn; dat we tevoren ons verkoren moeten weten, om , , recht" te hebben of althans vat op de beloften der genade en van het Evangelie. Het kan intussen alleen onze ervaring zijn, dat Gods genade in Christus tot goddelozen komt en verlorenen, en dat we zó van ons deel in Christus worden verzekerd : om niet, om dan zó op te klimmen tot de oorsprong van het heil en van die genade : het , , voornemen dat naar de verkiezing" is. De strijd in de Geref. Gemeenten in de laatste tijd heeft dezelfde inzet als hier getekend wordt. Daar wordt het begrip der Verkiezing schools en hard voorop gezet, zoals ook á Brakel doet. Door een gelukkige inconsequentie blijft á Brakel dan ook wel weten, dat God goddelozen verkiest en rechtvaardigt. Maar als men consequenter redeneert, dan blijft er niets van Gods beloften over dan voor hen, die zich tevoren reeds verkoren wisten.
We kunnen bij deze — zo bij uitstek belangrijke — zaak nu niet langer blijven staan, maar kunnen het niet laten, als we á Brakel aan Calvijn meten, dat ook nog te doen aan W. Teellinck en de eerste (en beste) mannen van de Nadere Reformatie. Bij hen vinden we de verkiezing Gods veel minder vaak behandeld dan we verwachten zouden. Geen wonder intussen: in een levend, ootmoedig geloof is de erkentenis van het feit, dat God ons vóórkwam in Zijn genade, van stonde aan gegeven en hoeft het niet expres dogmatisch worden uiteengezet. Men heeft n.b. deze mannen van de Nadere Reformatie wel voor Remonstrant gehouden, omdat ze minder over de verkiezing spreken en meer wijzen op de roeping, de verantwoordelijkheid, de waarachtigheid van Gods beloften in Christus. Daarmee is bedoeld dat zelfde, wat ook Calvijn stelde : de verkiezing Gods wordt door ons pas achteraf gekend, maar wordt ook dan nooit voorwerp van logische redenatie. Dat men Teellinck en de zijnen het bovengenoemde verwijt maakte, bewijst, dat men zijn echt-gereformeerde beleving van de verkiezing Gods, niet meer kende. We tekenen er dan bij aan dat immers juist Calvijn de mensen die begerig zijn naar kennis van hun verkiezing, naar het Evangelie, naar Christus verwijst met de betuiging, dat de verkiezing, buiten Hem beschouwd, een verslindende afgrond is.
We stellen samenvattend vast, dat á Brakel zowel een calvinist mag heten als een man van de Nadere Reformatie, maar dat hij in beide opzichten er de blijken van geeft, in een natijd te leven, waarin de redenatie vruchteloos poogt, levend geloof en haar spontane, , , mystieke" bevinding te vervangen.
We keren weer tot de aanvang van á Brakel's dogmatiek. De verkiezing zet hij aan het begin, terwijl we die erg graag wilden verplaatsen naar het eind, waar ze o.i. bij hem ook heel goed passen zou, omdat hij in de toepassing van het heil mild en evangelisch is.
Het doet ons in alle geval genoegen en geeft ons grote voldoening, dat hij, nu vragend naar de weg, waarop zich Gods verkiezende genade verwerkelijkt, ons naar het verbond van God verwijst. En ons dunkt, dat bij hem dit verbond, dat een milde aanbieding des heils in houdt, in mindere mate door de verkiezing Gods, in de zin zoals hij ze dogmatisch leert, wordt beheerst, dan dat bij Witsius het geval was. Eerst wordt uiteengezet, dat echt gereformeerde stuk van het verbond der verlossing, dat inhoudt, dat in de , , huishouding" van de drieënige God gedachten des vredes zijn opgekomen, en de Zoon op zich neemt, de Middelaar van dat verbond der verlossing te worden. In verband daarmee worden besproken de schepping der wereld, het bestaan der engelen en het ontstaan dèr duivelen, vooral schepping en aard van de mens, wien de genade is beschoren, dat God's voorzienigheid in een bijzondere zin over hem gaat. Het werkverbond wordt door á Brakel geleerd, hoewel hem zeker wel bekend is geweest, dat men daartegen van sommige zijden bezwaar heeft gemaakt en althans geen werkverbond begeert, dat een tegenstelling tegen het genadeverbond zou zijn. Brakel tekent, hoe dit werkverbond brak en de zonde in de wereld kwam, met vloek, nood en dood als gevolg. Over vrije wil en onmacht te spreken, komt hier dan wèl van pas, ook over de grimmige straf, die op de verbondsbreuk gesteld wordt. We merken hier wel, dat de vrees, als zou verbondsprediking 'n , , lichtere" en gemakkelijker weg tot het heil voorstellen, geen grond heeft, hoewel dit misbruik er wel van gemaakt kan worden.
Het genadeverbond komt dan in het zicht en breed en hartelijk wordt nu van de Middelaar gesproken, Zijn Godheid en mensheid. Zijn drie ambten. Zijn twee staten, uitlopend op Zijn verhoging. Zijn opvaren tot Gods rechterhand, om vandaar Zijn gemeente te vergaderen en te regeren door Zijn Woord en Geest.
Daarmee komt dan de kerk ter sprake en het verwondert ons niet, dat á Brakel verbond en kerk, ook verbondszegels en kerk nauw verbindt. Wat is hij voluit een kerkelijk man, sterker dan de meeste dergenen die na hem komen ! Een sprekend hoofdstuk is het aldus getiteld : Dat men zich bij de kerk moet voegen en er bij blijven. Daar bedoelt á Brakel zeker de onzichtbare (échte) kerk mee, maar die kan hij niet los zien van de zichtbare, van de Gereformeerde Kerk van zijn dagen, die immers toen nog die schone naam voerde, die ze in 1816 zou afleggen, á Brakel wil ze daarom niet scheiden, omdat de zichtbare kerk hier op aarde zoveel mogelijk moet samenvallen met de onzichtbare. We proeven vooral in dit hoofdstuk zijn verweer tegen De Labadie en diens felle critiek op de zichtbare kerk van zijn dagen, á Brakel weet met verdriet, hoeveel grond die critiek heeft. En toch blijft hij zelf in die kerk en eist van zijn mensen, dat ze evenmin zullen weglopen. U merkt licht ook wel, waarom De Labadie ging en á Brakel bleef. Daar ligt stellig een andere waardering van de gelovige, herboren mens aan ten grondslag. De blijvende zonde in de gelovige is voor á Brakel's besef veel sterker dan bij De Labadie en daarom onderscheidt á Brakel zo tussen een ware kerk en een volmaakte kerk. Hij moet wel vrezen, dat een volmaakte kerk de Heere Jezus Christus en Zijn borgtocht niet blijvend zou nodig hebben. Maar daarom kan ze ook niet bestaan ! De ware Kerk van Christus is een kerk van blijvend-behoeftige en tekortkomende mensen, die daarom de Heere Jezus Christus en Zijn Heilige Geest gedurig minder missen kunnen.
Deze goed-bijbelse onderscheiding kan en moet nog heden ten dage worden gebruikt tegenover kerkistische mensen binnen de , , gereformeerde gezindte" die vanuit de , , volmaaktheid" van eigen kerk zo hevig kunnen uitvaren tegen de valsheid der Hervormde kerk. Deze kreten doen sterk Labadistisch aan en we zeggen, met leedwezen en niet met vermaak, dat vooral in de Doleantie dit , , Labadisme" het er even, slecht afbrengt als dat in de 17e eeuw en dat het overal elders niet anders zal kunnen gaan. Een werkelijk ootmoedig gereformeerd zijn verdraagt zich nooit met kerkelijke, zelfvoldane hoogmoed, hoewel dit euvel o.i. veelvuldig voorkomt. Deze trotsen zullen het dan toch maar aanzien, dat Gods welbehagen de overwinning geeft aan , , amechtige Joden".
U ziet wel, dat een aandachtige beschouwing van het gereformeerde kerkbesef veel beschaming in heeft, maar, daardoor heen, meer vertroosting. Misschien zijn er weinig stukken van de gereformeerde belijdenis, die zó misverstaan en vertekend worden. We stellen hier met voldoening vast, dat de Nadere Reformatie deze zaak op een zeer geestelijke, d.w.z. ootmoedige wijze heeft verstaan. Het is de moeite waard, deze erfenis niet maar uit de verte, maar van dichtbij te bezien!
Ware kerk is voor á Brakel: een gemeenschap der gelovigen met Christus en zo met elkander. De kerkregering: kerkorde, belijdenis, is hem lief; we spraken er al van, hoe hij dat tegenover de overheid staande hield. Hoog denkt hij van het ambt: wat een genade is de zending der dienaren, hoe kostelijk is het herderlijk ambt, zo goed als dat van ouderling en diaken! Opdat de zichtbare kerk de waarheid en de kracht van üe onzichtbare hebbe, is de kerkelijke macht ingesteld, de bediening van de sleutels van Gods Koninkrijk : de tucht. Daarmee besluit á Brakel zijn uiteenzetting van het stuk der kerk.
Als we even tellen, blijkt ons, dat dit stuk bijna een vierde deel van heel zijn dogmatiek inneemt. Of hij dus een kerkelijk man was! Zagen we tot nu hoe de kerk er meer naar buiten uitziet, volgende maal: hoe ze meer naar binnen is gesteld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's