WEINIGEN OF VELEN?
En er zeide een tot Hem: Heere, zijn er ook weinigen, die zalig worden? Lukas 13 vers 23a.
De Heere Jezus is op Zijn laatste reis van Galilea naar Jeruzalem, waar Hem 't grote offer van Zijn kruisdood wacht. Verschillende steden en dorpen bezoekt Hij nog op deze reis om er het Woord des levens te prediken en er wellicht ook Zijn wonderwerken te doen.
Onder de velen, die Hem tijdens die reis horen prediken, is een man, die met een eigenaardige vraag bij Hem komt: „Heere, zijn er ook weinigen, die zalig worden ? "
Deze vraag is de enige bijzonderheid, die ons van deze man wordt medegedeeld.
Ge leest niets van z'n naam, z'n rang of stand in de maatschappij, z'n leeftijd, zelfs niet de plaats, waar hij met deze vraag tot de Heere kwam.
Er zeide een tot Hem. Meer niet! Een! Maar die een is een mens van gelijke beweging als wij, en wat hij vraagt, ligt besloten in het hart van veel mensen, die — zoals hij — onder de prediking van 's Heeren genadewoord leven. Zeer waarschijnlijk is die zelfde vraag ook bij ons wel eens opgekomen of hebben anderen ons deze gesteld.
Neen, het is helemaal geen vreemde vraag. Ze wordt dan ook door de Heere Jezus behandeld als niet van één man komend, maar van de hele schare, terwijl Gods Woord deze geschiedenis doorgeeft aan de kerk van alle eeuwen ook tot haar lering.
Heere, zijn er ook weinigen, die zalig worden ?
Wat moeten we van deze woorden denken ?
Zo op 't eerste gezicht is er veel aantrekkelijks in.
De aanspraak , , Heere"" laat zien, dat de anonieme vrager grote eerbied heeft voor de Heiland en Hem misschien wel beschouwt als Israels Messias.
Bovendien had hij blijkbaar goed opgemerkt, waarvoor de Heere Jezus gekomen was, namelijk om zalig te maken. Hij had zich dus ontworsteld aan de voorstelling van het Jodendom uit die tijd, dat voortdurend uitzag naar de komst van een aards koninkrijk. Hij heeft begrepen dat het in Christus' prediking ging om een Koninkrijk, dat, niet van deze wereld is.
Ook begreep hij, dat de zaligheid niet aller is, en dat de velen, die de Heere uiterlijk volgen, niet allen behouden zullen worden.
En moeten we het ook in deze man niet prijzen, dat hij met z'n vraag naar de Heere gaat en er niet een onderwerp van discussie en twistgesprek onder de mensen van maakt, zoals maar al te vaak in zulke gevallen geschiedt ? Ja, er schuilen veel mooie trekken in die vraag. En toch de wijze, waarop de grote Hartenkenner deze vraag beantwoordt, doet ons vrezen, dat zij niet uit goede, echt geestelijke motieven voortkwam.
Was het nieuwsgierigheid? Helaas !, onze zondenatuur wil gaarne wroeten in de verborgenheden van Gods Raad. Wat willen we graag weten welke namen er geschreven staan in het boek des levens, en hoevelen er dat zijn. Inplaats van de verborgen dingen te laten voor de Heere, onze God.
We zien eens om ons heen en ontdekken, dat duizenden en duizenden des Heeren dienst de rug toekeren of slechts in schijn volgelingen van de Heere zijn en dat er maar zo weinigen waarlijk de Heere leerden kennen en dienen.
Och, dan willen we het wel eens weten of het getal der ware kinderen Gods klein is of groot.
Ook geven we graag over dit vraagstuk onze eigen beschouwingen ten beste en menigeen in de gemeente wordt beoordeeld naar het antwoord, dat hij op deze vraag geeft.
De éen wil alleen maar horen, dat velen, of zelfs allen zalig worden, want hij houdt van een zogenaamd ruim evangelie.
De ander houdt het bij de beschouwing, dat er maar héél weinigen zullen behouden worden.
Maar het blijft allemaal beschouwing! We veranderen er niet bij ! We blijven die, we zijn, we houden het oude zondeleven vast, we reizen onbekommerd voort.
Het , , vele" of , , weinige" brengt in ons innerlijke leven niets teweeg.
Niet genoeg kunnen we voor zulk beschouwen bang zijn. Het lijkt mooi, maar het is onvruchtbaar. We blijven er verloren mensen bij.
In Zijn antwoord geeft de Heere Jezus dan ook op de beschouwende vraag een praktisch bescheid.,
, , Strijdt om in te gaan door de enge poort, want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen".
Laat daar onze aandacht op gericht mogen zijn of wij wel tot dat volk behoren, dat door genade heeft leren worstelen om behouden te worden.
Kennen we uit ervaring iets van de strijd des geloofs, de strijd der bekering, de strijd des gebeds ?
De strijd des geloofs! Want het kost zoveel strijd om van al onze rechten, al onze deugden, al onze inzichten, al onze vrome inbeeldingen, af te komen, en als een behoeftig zondaar zich vast te klemmen aan die enige Zaligmaker, Jezus Christus.
De strijd der bekering! Deze betekent immers niet minder dan de afsterving van de oude mens en de opstanding van de nieuwe. Dat sluit in, dat al wat uit het vlees opkomt, voortdurend ten dode gewijd moet worden, opdat de nieuwe mens steeds klaarder uitkome. Kennen we die strijd ?
De strijd des gebeds! Door de enge poort komen we alleen op de knieën binnen. Dat bidden is een worstelen met God, opdat Hij u bijsta in uw zwakheid, u licht geve in uw duisternis, u steune bij uw struikelen, u oprichte uit uw val.
Neen, nieuwsgierig vragen zal niemand redden.
Wie aldus zoekt in te gaan, zal niet kunnen!
Toch kan deze zelfde vraag ook voortkomen uit echte bekommernis des harten om eigen behoud.
Als we gesteld worden voor die diepe nood van eigen zonde en verloren toestand, en we bemerken hoe we alle uitredding Gods ten enenmale onwaardig zijn, dan wordt het zo'n wondere zaak, dat er voor ons nog redding kan zijn, En als dan Gods Woord op meer dan één plaats spreekt van , , weinigen" die de weg des levens vinden, dan wordt dat alles de oorzaak, dat we tot deze zelfde vraag komen.
Ge hoort het daardoor ook heilbegerigen vragen : , , Zijn er maar weinigen, die zalig worden ? "
Wellicht zijn er onder onze lezers óok wel, die daarom met deze vraag tobben. Gelukkig, als we dan met deze vraag niet naar de mensen, maar naar de Heere en naar 's Heeren Woord leren gaan.
Lukas 13, het hoofdstuk van onze tekst, geeft aan dezulken reeds uitzichten.
De Heere beantwoordt immers deze vraag niet met een getal te noemen, maar dezulken op te roepen tot geestelijke strijd. En deze roeping is geen ijdel vertoon, maar een in waarheid gemeend woord.
Voorts wijst de Heere Jezus in ditzelfde hoofdstuk er op, dat Hij Zijn volk van Oosten en Westen, en van Noorden en Zuiden doet komen om aan te zitten in het Koninkrijk Gods.
En tenslotte, er zijn laatsten, die de eersten zullen zijn; en er zijn eersten, die de laatsten zullen zijn. '
Beschroomden, ootmoedigen, kleinen, die anderen uitnemender leerden achten dan zichzelf, zullen ingang vinden in het Koninkrijk der hemelen.
De Heere schenke ons de genade om ons onder die laatsten te scharen, die gering van zichzelf denken en in dat besef strijden om in te gaan door de enge poort.
Niet voor niets lezen we in Joh. 14 : , , In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen ; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben ; Ik ga heen om u plaats te bereiden".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's