De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De heiliging naar de Gereformeerde conceptie

Bekijk het origineel

De heiliging naar de Gereformeerde conceptie

Lezing gehouden tijdens de predikantenconferentie, 8 januari 1957 in Woudschoten.

14 minuten leestijd

Het is niet voldoende op te roepen tot geloof, het moet ook duidelijk gemaakt worden waarin dat leven des geloofs concreet bestaat. Calvijn zegt ergens, dat de prediking van de wet ook dient, om de mens te prikkelen tot gehoorzaamheid net als een luie ezel, die moet worden aangevuurd. En vanwege de realiteit van het werk des Geestes is die prikkeling geen schot in de lucht. Het ontbreekt ons zo veelszins aan vertrouwen in de vernieuwende kracht van de Heilige Geest. Niet omdat Calvijn iets van de mens verwachtte, integendeel, maar omdat hij alles van de Geest verwachtte, neemt de heiliging zo'n brede plaats in al zijn werken in. Als dan maar duidelijk blijft, dat de oproep tot levensheiliging in wezen niet iets anders is dan de oproep tot geloof en dat het alleen mogelijk is in de gebondenheid aan Christus en zijn Woord.

Het ware geloof is een geloof, dat door de liefde werkt. De liefde is niet een tweede naast het geloof, maar die is het uitvloeisel, de keerzijde, van het geloof evenzeer als de hoop. Er kan geen geloof zijn zonder de liefde tot God en dus tot zijn geboden.Dat is de maatstaf bij het onderzoek of wij in het geloof zijn. En die liefde is niet een gevoel, maar een levenshouding: het geloof werkt inderdaad door de liefde, het werkt zich in de liefde uit. Dat komt omdat de Geest niet kan worden losgedacht van de vruchten dés Geestes en de wijnstok niet van zijn levenssappen.

Christus maakt de zijnen vrij van de macht der zonde, opdat ze Hem zouden dienen. Hij breekt de haat van het natuurlijk hart, opdat er liefde kome tot Hem en tot zijn dienst. De christelijke vrijheid bestaat in het bedwingen van de leden tot de dienstbaarheid aan Christus en het wordt de begeerte meer en meer aan Hem dienstbaar te mogen worden. Zo stuwt de Geest het leven van Christus in het leven van de zijnen in, zo krachtig, dat zij er geen weerstand aan kunnen bieden, hoewel ze hun levenlang met de weerstand van hun hart te kampen hebben.

Want dat nieuwe leven vertoont in deze bedeling altijd een dubbelzinnig karakter. Het is herstel, maar in de weg van de afbraak ; het is doding en levendmaking. De oude mens moet sterven, opdat de nieuwe mens leve. Dat zijn geen trappen, zodat men via de afsterving voortgaat naar de opstanding. Het gaat steeds met elkaar gepaard hoe meer Christus het leven van de Zijnen wordt, hoe meer zij leren sterven aan zichzelf. Zo gaat het licht van het herstel op, maar het vertoont zich in gebroken kleuren. Hoe meer de nieuwe mens oprijst, hoe breder de schaduw wordt die over de oude mens valt. Zo geschiedt de afsterving tegelijk met en door de levendmaking. Men heeft van Calvijn wel gezegd, dat bij hem de afsterving een te zwaar accent zou krijgen, zodat de hele leer van de heiliging in te doffe kleuren zou zijn getekend. In zoverre dat waar is, komt dat voort uit het feit, dat Calvijn zozeer overtuigd was van de blijvende zonde, dat hij er niet toe komen kon de bekering los te zien daarvan. De mens is in zichzelf een zondaar en blijft dat tot zijn laatste snik. Kohlbrugge zegt ergens, dat wij nog vergeving nodig hebben voor de zucht waarmee wij de laatste adem uit blazen. Het is juist de vrucht van de vernieuwing, dat dat steeds klaarder wordt beseft en steeds dieper wordt betreurd. Daarom gaat bij Calvijn steeds het leed over de zonde gepaard met de vreugde over de verlossende liefde Gods.

Zodoende nemen in de leer van de heiliging de zuchten en de bekommernis, de klachten over het vlees en de droefheid over de zonde, een wel niet overheersende, maar toch wel brede plaats in. De gemeenschap met Christus sluit dat niet uit, maar in. Wanneer die klachten veelszins achterwege blijven komt dat niet voort uit een sterk, maar uit een zwak geloof. De toenemende gemeenschap met Christus kan alleen beleefd worden in een gelijktijdig sterven van het eigen ik. De heiliging is zozeer een realiteit en de overmacht des Geestes is zó sterk, dat het hart er door gebroken en dus verbroken wordt. Een mens blijft zondaar en beseft dat in steeds sterkere mate, maar de verhouding van de mens ten opzichte van zijn zonde wordt anders, omdat er een andere verhouding tot God ontstaat.

Het is onjuist om te zeggen, dat bij Kohlbrugge de mens alleen maar zondaar zou blijven en dat de vernieuwing te weinig aan de orde zou komen. Hij heeft er wel degelijk op gewezen, dat de mens een andere zondaar wordt, n.l. een boetvaardige zondaar. Het is niet waar, dat er tussen Calvijn en Kohlbrugge een diepgaand verschil zou zijn in de leer van de heiliging. Beiden hebben zij de mens ontluisterd en Christus alle eer toegebracht, alleen worden de accenten ietwat verschillend gelegd. Kohlbrugge heeft er de nadruk op gelegd, dat Christus de fontein van het nieuwe leven is. en dat het dus steeds aankomt op het geloof in Hem, terwijl Calvijn er bredere aandacht aan besteed heeft hoe dat nieuwe leven nu gestalte krijgt. Maar dat is geen principieel verschil. Men moet niet denken, dat men over de heiliging bij Kohlbrugge alles zou gezegd hebben met de opmerking, dat goddélozen en rechtvaardigen op één hoop geworpen worden, want dat hebben alle reformatoren gedaan, . Misschien kan men van Kohlhrugge eerder dan van Calvijn zeggen, dat bij hem de afsterving sterker beklemtoond wordt dan de levendmaking, maar dat is geen wezenlijk verschil. Het is ook niet waar, dat bij Kohlbrugge de nieuwe mens identiek zou zijn met Christus, zodat de heiliging in het voorwerpelijke vlak zou liggen. De nieuwe mens is Christus en wat Hij heeft tot stand gebracht, het is de wijnstok met de ranken. De Heilige Geest neemt bij Kohlbrugge een veel breder plaats in dan vaak wordt gezien en daardoor staat hij dichter bij Calvijn dan men wil toegeven.

In ieder geval is door de hele reformatie de heiliging paradoxaal getekend. De gestalte van Christus, die door de Heilige Geest in het verdorven mensenleven wordt ontworpen is een gebroken gestalte. Zoals Calvijn zegt: nostri non sumus, Dei sumus. Daarom is het hart van de heiliging het gebed om de schuldvergeving en is overigens het gebed het voornaamste stuk der dankbaarheid. Het is droefheid en vreugde, bekommernis en zekerheid, sterven en leven. Kohlbrugge zegt in zijn verklaring van Rom. 7 : 2 wij staan op een bodem, die poreus is en waardoor onophoudelijk bitter zondewater opwelt, maar wij mogen onze handen uitstrekken naar de maandelijks vruchtdragende boom des levens.

Wij vinden die bekommernis en die vreugde beiden in Rom. 7, een hoofdstuk, dat in de reformatorische leer van de heiliging steeds een brede plaats heeft ingenomen. Daar ligt het zo dooreen, dat het niet systematisch kan geordend worden. Paulus is verkocht onder de zonde en toch is hij ervan verlost. Dat is de strijd tussen vlees en Geest. Hij wil de zonde niet, maar het goede, en toch is hij geen slaaf der zonde.

Zo wordt de belijdenis van het nieuwe leven een diep ootmoedige klacht, een zuchten onder de tweespalt. Men zou van een , , tweemens" kunnen spreken, als daar maar niet mee bedoeld wordt een mens, die in twee stukken kan onderscheiden worden, zoals Kuyper b.v. sprak van de kern en van de omtrek. Het is de ene mens der zonde, die door de Heilige Geest geregeerd wordt, de éne oude mens, die door de Heilige Geest herschapen is tot een nieuw schepsel in Christus. De pijn van de tweespalt ligt juist hierin, dat hij niet in tweeën gespleten wordt. Afsterving en opstanding tegelijk, simul justus, simul peccator. Bedelaar in zichzelf en toch medeërfgenaam met Christus.

Kohlbrugge heeft het kind des Heeren graag met de hinkende Jakob vergeleken en Calvijn zegt: zij, die de rechte weg volgen, gaan hem steeds hinkend, zij zijn steeds zwak en slepen zich slechts moeizaam voort. Daarom krijgen zij in toenemende mate een afkeer van zichzelf. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen ? Maar dat staat in Rom. 7 in de omlijsting van de dankzegging; ik dank God, door Jezus Christus onze Heere. Want deze strijd tussen vlees en Geest is de strijd des geloofs, d.w.z. het is een strijd vanuit de overwinning. Het is voor Paulus midden in zijn klachten geen onzekere zaak, dat hij eens Anderen is. Daarom kan hij dat stervende ik niet meer erkennen als zijn eigen ik : ik dan doe de zonde nu niet meer, maar de zonde, die in mij woont. Want zijn ik wordt bepaald door de gemeenschap met Christus. Wij zien in Rom. 7 een voortdurende distanciëring van de oude mens ; hij is in het licht van Christus een vreemde geworden. Daarom is de gebrokenheid geen tegenstelling, maar de keerzijde van het herstel.

Juist het geloof in de overwinning leert strijden tegen de zonde en doet klagen over het onvolmaakte. Het is een vrucht van het geloof zichzelf steeds meer als een zondaar te leren kennen. Daardoor trekt Christus de begeerten van het hart steeds meer naar Zich toe en komt tegen de achtergrond van het stervend ik de schoonheid van Hem steeds meer uit. Het wordt zo ook steeds sterker het verlangen om het leven te richten naar Zijn geboden. Zo is er tussen de droefheid en de blijdschap een wisselwerking, het ene wekt steeds het andere op en ze kunnen nooit van elkaar worden losgemaakt.

Daarom mag het ook geen vraag zijn of wij wel van voortgang in de heiliging kunnen spreken. Het geloof, waardoor de gemeenschap met Christus tot stand komt, is niet een in zichzelf rustend iets, maar het is een beweging van zichzelf af en naar Hem toe. Het geloof kan ook nooit losgemaakt worden van de oefeningen des geloofs, Calvijn zegt: God roept ons tot zich, niet opdat wij blijven waar wij zijn, maar Hij drijft ons voorwaarts, het doel van de voleinding tegemoet. Vanuit de unio mystica zou het onmogelijk zijn om niet van de voortgang der heiliging te spreken. Als trouwens in 1 Cor. 1 : 30 gezegd wordt, dat Christus ons gegeven is tot heiligmaking, dan wordt daar niet de heiliging bedoeld in zijn voleinding, maar juist in zijn wording en groei. Vanwege de toenemende zelfkennis wordt Christus steeds meer dierbaar en wordt men steeds meer gewillig om Hem te volgen. De heiliging is in Schrift en belijdenis altijd een weg met een totdat. Zo wordt in zondag 44 het hele leven der heiliging gezien als een beginsel, totdat wij tot de voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken. Er wordt duidelijk gesproken over een meer en meer, En de Dordtse Leerregels spreken van een hoe langer hoe meer doden van het vlees. De onvolkomenheid van de heiliging wordt nooit in verband gebracht met een slechts gedeeltelijk werken van de Geest of een onvolledige schenking van de Christus. Het geloof schenkt van de aanvang af gemeenschap met de volle Christus, en dat is niet voor uitbreiding vatbaar. In die richting zou men alleen kunnen denken als men de heiliging verstaat als het instorten van bepaalde eigenschappen, maar de heiliging is immers de levende verbinding met de persoon van de Middelaar. Wie gelooft, heeft het volle heil in Hem, maar Hij moet steeds meer ruimte krijgen om zich in het leven te ontplooien en daartoe moet het eigen ik steeds meer worden stukgebroken. Zo is de voortgang niet een voortgang van de Christus af, maar naar Hem toe en bestaat het in zelfverloochening en kruisdragen. Calvijn gebruikt ergens het beeld van het met Chris tus samen gekneed worden tot hetzelfde deeg; dan verliest men steeds meer het eigen bestaan.

Vandaar dat de voortgang in de reformatie overwegend negatief beschreven wordt: het is het toenemen in schuldbesef en afhankelijkheid, 't steeds meer leven als een arme zondaar uit de rechtvaardiging van de goddeloze. Het is tekenend juist voor de voortgang, als Luther eindigt met: wir sind Bettier, das ist wahr, en als Calvijn spreekt van: nous pauvre pêcheurs. Hoe meer de Geest doordringt in het hart, hoe duidelijker de zonde wordt. Daarom is de belijdenis van : , , lk ben niet waardig", het door de Geest gewerkte correlaat van de genade. De voortgang ligt in de afbraak ; Berkouwer zegt, dat de militia christiana op de puinhopen zichtbaar wordt. Daarom is er een wassen in de genade en kennis van Christus en dat wordt alleen in de onderwerping aan het Woord en aan de Christus der Schriften verkregen. Door de toenemende binding aan Christus wordt het geloof sterker en begint het ook meer door de liefde te werken.

De leer van de heiliging wordt bij Calvijn gedragen door zijn leer van de hoop. Calvijn heeft het leven van de christen getekend als een krijgsdienst, een strijd voor en om de zaak van God, overal en steeds. Daardoor krijgt het geheel iets millitants : een christen is niet alleen een slachtschaap, maar ook een soldaat op zijn wachtpost. Maar niet minder sterk komt de heiliging naar voren als het afleggen, van de weg naar de toekomst des Heeren. Op Zijn komst en de volkomen verlossing was Calvijn voortdurend ingesteld. Kolfhaus zegt ; „het eschatologische licht flitst steeds weer door Calvijns heiligingsleer heen, zonder dat men hem daarom zonder meer eschatologisch zou mogen noemen". In elk geval heeft de overdenking van het toekomende leven een brede plaats bij hem ingenomen. Die meditatie futurae vitae was niet een rustige bezinning, maar betekende een gespannen verwachting. Het leven met Christus was voor hem niet een in zichzelf verzonken genieten van zijn weldaden, maar een zich uitstrekken naar Zijn toekomst. Calvijn kende zichzelf steeds als een pelgrim op weg, en hij zegt: wanneer de hemel ons vaderland is, wat is dan de aarde anders dan een oord der ballingschap ? Die verwachting is bij hem de kracht der heiliging. Hij schrijft: de overdenking van het hemelse leven , , trekt onze genegenheden zowel tot de dienst Gods als tot de beoefening der liefde". Die hoop is niet een aanvulling van het geloof, maar de keerzijde en de vrucht ervan. Zij komt niet voort uit de schamelheid van het geloof, maar juist uit de rijkdom ervan. Het geloof verbindt met de volle Christus en de hoop ziet uit naar Zijn volkomen heerlijkheid en weet, dat daarin dé heerlijkheid van de Zijnen begrepen is. De last van de blijvende zonde stuwt de hoop op naar de voleindiging en de liefde tot de ere Gods doet verlangend uitzien naar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.

Daarom is er voortdurend de spanning tussen het nu en straks. De kracht van de hoop is evenredig met de kracht des geloofs, omdat het geloof leeft van datgene, wat de hoop verspiedt en de hoop gestimuleerd wordt door wat het geloof bezit.

Zo legt de gelovige de weg af in spanning, haastend naar het einde, en toch geduldig, omdat hij aan Christus genoeg heeft: getemperd ongeduld. Hij mag ouderwets uit Christus leven, maar mag tegelijk voor zich uit zien de muren van het nieuwe Jeruzalem. Daartussen is een voortdurende wisselwerking. Zodoende  heeft dit gezichtspunt Calvijns leer van de heiliging niet verlamd. Na het hoofdstuk over de overdenking van het toekomende leven, volgt dat over : hoe men het tegenwoordige leven en deszelfs hulpmiddelen heeft te gebruiken. De christen is onderweg, maar hij heeft oprechte belangstelling voor wat hij onderweg ontmoet, want het zijn gaven van die Christus, die hij tegemoet reist. Voor Calvijn was deze wereld niet alleen maar een stuk verleiding. De pelgrim behoeft niet te reizen met de ogen dicht. Hij vervult zijn taak, nauwgezet, maar hij doet het onderweg.

Zo valt over de strijd het licht van de overwinning. Zoals de rechtvaardigingsleer kan worden samengevat met het woordje , , nochtans", is de leer van de heiliging te beschrijven met het woord „totdat". Dat veroorzaakt de droefheid : het is er nog niet, maar tegelijk de blijdschap : maar het komt!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De heiliging naar de Gereformeerde conceptie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's