DE KENNIS DER ZONDE
Wij hebben in Barth's beschouwingen over de verzoening onderscheidene keren de uitdrukkingen zonde en de mens der zonde ontmoet.
Ook hebben wij reeds aangevoeld, dat Barth over de zonde en de mens der zonde anders denkt dan de traditie.
Gij moogt het vreemd vinden, dat Barth eerst over de verzoening spreekt — daarbij de zonde als bekend onderstellende — en dat eerst daarna — na verzoening en oordeel — over de zonde zelf wordt gehandeld.
En dan gaat hij daarover handelen in het licht van de goddelijke verzoeningsdaad, naar de opvatting, welke hij daarvan heeft ontwikkeld.
Wat moet dat worden ? , hoor ik iemand opmerken. Hoe kan men beseffen, wat zonde eigenlijk is, hoe kan men daaronder gebukt gaan, als men de zonde alleen kan kennen in het licht der verzoening, of, zoals wij vonden in Gods hand, d.i. als vergeven ?
Men zal immers de ernst en het dodelijk oordeel der zonde eerst recht beseffen, als zij voor ónze rekening ligt. Nu zal Barth zeggen, dat zulks in strijd is met de werkelijkheid der verzoening. De zonden zijn in Christus eenmaal voor allen verzoend en daarmede is heel de situatie radicaal veranderd. De zonde ligt eenmaal niet meer voor onze rekening.
Daar staan wij voor het moeilijke punt in de dogmatische beschouwingen van Barth. Telkens en telkens weer stelt hij de verzoening algemeen, als een voor allen voldongen feit.
Gij zegt, dat de werkelijkheid, waarin wij leven, daarmede niet overeenkomt. Dat weet Barth ook wel en door zijn algemeen klinkende uitingen heen, glitst ook telkens een zinnetje, dat van geloof en kennis in het geloof gewaagt.
Wij willen niet zeggen, dat Barth dit alles duidelijk maakt, maar de beschuldiging van een algemene verzoening te leren — hoezeer het er toch op gelijkt — wijst hij af. Zeker is echter, dat Barth eerst over de verzoening handelt en dan over de zonde en de mens der zonde. Zeker is ook, dat hij zulks in welbewuste tegenstelling met de oude en de nieuwe dogmatiek doet en dat hij in dit opzicht - en in wat daarmede samenhangt — de leer van de Reformatoren afwijst. (K. D. IV, I, bl2. 396).
Deze omkering vond haar aanleiding in de Christologie, de kennis van de Christus, zoals Barth deze wil zien en in de waardering, welke hij bijzonderlijk aan het mens-zijn van God in de Zoon wil hechten.
Zijn Christologie is n.l. ook zeer verschillend van de traditionele en inzonderheid ook van de reformatorische leer aangaande Christus. Met name ligt hierin een belangrijk onderscheid, dat de kerk altijd de vleeswording des Woords en wel de geboorte uit de maagd Maria heeft beleden als een genadedaad Gods om der zonde wil. De nadruk valt daarbij altijd weer op het plaatsvervangend lijden en sterven van de Middelaar Jezus Christus, om onze zonden.
De oude Christologie is echter met de kennis van de Christus in het vlees niet uitgeput, zij handelt niet alleen over de Gezalfde des Heeren in Zijn openbaring in het vlees, maar volgde ook de aanwijzingen, welke Hij zelf of Zijn discipelen geven aangaande Zijn arbeid, welke aan Zijn vleeswording voorafgaat, terwijl Hij bij de Vader was.
Hij zelf toch getuigt, dat de Vader Hem gezonden heeft en dat Hij wederom naar de Vader gaat. (Joh. 16 vs. 5; 10 VS. 28). Hij spreekt ook van de heerlijkheid, die Hij bij de Vader had, eer de wereld was. (Joh. 17 vs. 5).
Hij leert ons, dat David kennis heeft gekregen van Hem door de Heilige Geest, toen Hij nog bij de Vader was. (Markus 12 vs. 35 v.v.). Zo ook van Abraham. (Joh. 8 vs. 56).
Hij zegt tot de Schriftgeleerden, dat de Schriften van Hem getuigen. (Joh. 5 VS. 39). De apostel Johannes schrijft, dat Christus de wereld geschapen heeft.
(Joh. 1 VS. 3). Al deze mededelingen verwijzen ons naar het Oude Testament en laten het licht vallen op de kennis van de profetie aangaande de Christus, eer dat Hij op aarde kwam in de gelijkheid des zondigen vleses, uitgenomen de zonde.
De Christologie bepaalt zich derhalve niet alleen tot de kennis van Christus in het vlees, maar strekt zich ook uit over de kennis van de Zoon, toen Hij nog bij de Vader was.
Ik zeg niet, dat Barth Zijn Godheid negeren zou of over het hoofd zien, maar het is voor geen tegenspraak vatbaar, zoals wij in het voorafgaande hebben kunnen opmerken, dat Barth aan de vleeswording des Woords een betekenis hecht, die het Schriftuurlijke om der zonde wil naar de achtergrond schuift, ten behoeve van zijn eigen gedachten omtrent God en de Godsopenbaring, welke in de menswording Gods een pleitgrond willen zoeken.
Hiermede raken wij aan het knooppunt van de draden, die de dogmatische beschouwingen van Barth beheersen. Niet in de eerste plaats de Christologie maakt scheiding tussen de traditionele en de Barthiaanse beschouwingen, maar wat Barth van de Christologie maakt.
Niet de Christologie bepaalt zijn openbaringsbegrip, maar Barth's openbaringsbegrip doet hem de vleeswording des Woords aangrijpen, omdat hij de enige weg der Godsopenbaring wil zien.
Het ligt — dat is stellig de indruk, die men krijgt — volgens Barth in de weg Gods om de mens te benaderen en zich aan hem bekend te maken in — wat men in Barthiaanse kringen ook zo uitdrukt — , , de menselijkheid Gods".
Het moeilijke in al deze beschouwingen is, dat zij waarheidselementen bevatten, hoewel zij nochtans niet aanvaardbaar zijn op Schriftuurlijk standpunt.
Wij geloven ook, dat God, om zich aan de mens bekend te maken, tot de mens wil afdalen en zich op menselijke wijze bekend maakt. God schiep de mens om zich aan hem bekend te maken en om met hem gemeenschap te hebben. Het ligt in de schepping van de mens naar Gods beeld. In de Godsopenbaring, wel te verstaan in de openbarende daad Gods, is iets van een omzetten van het voor ons onkenbare, onbegrijpelijk goddelijke van Zijn Wezen in menselijk bevattelijke gestalte.
Wij zouden daarin een scheppende werkzaamheid willen zien, welke inhaerent is aan de openbarende daad Gods. Men zou kunnen zeggen, dat God in Zijn openbaring een zekere menselijkheid aanneemt, en wijl Hij zich openbaart door Zijn Woord, zou het de voorkeur verdienen het nog weer wat anders te stellen : Het Woord Gods neemt menselijke gestalte aan in de Godsopenbaring.
Vooral bij de Persoonsonderscheiding van Vader, Zoon en Heilige Geest, is het van betekenis, want dan is het de Zoon, die zulks doet en wordt de , , menselijkheid Gods" beperkt tot de Zoon of het Woord.
Zoals wij weten, valt de Persoonsonderscheiding in de Godsheschouwing van Barth weg. Hij erkent slechts één goddelijke Persoon in drie Zijns-wijzen : Vader, Zoon en Heilige Geest. Zo is het niet de Zoon, die vlees wordt, lijdt en sterft, maar de Eenpersoonlijke God wordt vlees, lijdt en sterft.
Dat dit alles geschiedt in de zijnswijze van de Zoon, maakt niet zoveel uit, omdat het gaat om de menswording van die Ene goddelijke Persoon.
Zoals wij voorts hebben vernomen, wil Barth het vleesgeworden Woord, Jezus Christus, als de enige en eigenlijke Gods'openbaring erkend hebben, buiten welke geen Godskennis mogelijk is. Zondekennis is alleen in deze Godskennis mogelijk en in deze wordt de zonde als verzoend gekend.-
Ook de traditionele theologie kan zeggen : buiten Christus geen Godskennis, maar dan zegt zij toch heel wat anders dan Barth, omdat haar Christologie niet alleen bij het vleesgeworden Woord blijft staan, zoals zoëven werd gememoreerd.
Zij ziet Christus als Middelaar Gods ook achter het gehele Oude Testament, zijnde onze hoogste Profeet en Leraar, en in het Oude Testament, o.a. ook in de verschijningen van den Engel des Heeren, en het geloof ontdekt Hem in de werking van Zijn Woord en Geest. Ook onder het Oude Verbond is Christus de Middelaar der Godsopenbaring.
En zouden wij zeggen, dat buiten de kennis van het vleesgeworden Woord, Jezus Christus, geen Godskennis mogelijk is, hoe zijn dan Abraham, Izaak en Jacob gekomen tot het geloof in de enige God, Schepper van hemel en aarde ? Dat zij de enige en waarachtige God gekend en gediend hebben, mag toch uit het woord van de Heere Jezus zelf worden verstaan, die spreekt van de God der levenden en Abraham, Izaak en Jacob noemt. (Lukas 20 vs. 38).
Wij stoten andermaal op een fundamenteel verschil in de theologie van K. Barth en de oude theologie, waaronder ook de reformatoren. Handelt Calvijn niet in zijn eerste boek over de kennis van God, de Schepper, en belijden de Twaalf Artikelen des geloofs niet in de eerste plaats God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde ?
Daarmede is Barth het heel niet eens. Hij stelt het voor, alsof door deze beschouwing de kennis van God zou worden opgesplitst in twee andersoortige stukken. Dit hangt uit de aard der zaak samen met zijn begrip van openbaring in het vleesgeworden Woord alleen.
Intussen is van geen opsplitsing der openbaring sprake, omdat alle Godskennis door Gods Woord en Geest wordt gewerkt, de kennis van de Schepper en ook de kennis van God, de Verlosser.
Het kan Barth toch ook niet ontgaan zijn, dat het Oude Testament er talloos vele malen op wijst, dat de levende God de Schepper van hemel en aarde is.
En toch wil Barth geen plaats inruimen voor Godskennis, die aan de kennis van Christus voorafgaat, als kennis van God de Schepper. Derhalve kan er ook geen kennis van zonde zijn buiten de door hem voorgestelde kennis van het vleesgeworden Woord.
In het vorig artikel werd dit reeds aangevoerd in verband met de Wet. Barth wijst dit alles af als , , zelfstandig gefundeerde" kennis, natuurlijke kennis, en zegt, dat dit slechts tot rationalisme leidt. (K. D. IV, blz. 390 v.v.). In dit alles komt hij dus in conflict met de theologie der reformatoren en met onze belijdenis, en dat toch waarlijk niet op ondergeschikte punten, zoals wij nog nader willen aantonen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's