WILHELMUS à BRAKEL IV
Hoe worden wij levende lidmaten van de Kerk van Christus ? á Brakel, die o.i. toch bedoelt, dat de kennis der Verkiezende Genade Gods en de kennis van de weldaden van het Genadeverbond ten nauwste samenhoren, antwoordt op de bovengestelde vraag, dat de roeping één van de eerste weldaden van Verkiezing èn Verbond is en dat de krachtdadige roeping uitloopt op de wedergeboorte, waarmee dan het geloof aan de orde komt. á Brakel wijdt een apart hoofdstuk aan de kentekenen van het zaligmakend geloof, begrijpend, hoezeer menigeen daarmee gebaat moet zijn. Het geloof is voor hem de ziel van het christendom. Maar geloof en tijdgeloof moeten grondig worden onderscheiden. Hoe we dat uitmaken ? Echt geloof wordt altijd gekend aan droefheid om onze zonde. Waar geloof kent de , , onderhandeling" met Jezus, om Hem eenmaal en gedurig aan te nemen. Dat betekent dan een Hem aannemen in Zijn drie ambten. Zo komt er de gemeenschap met Hem, wat verlangen en vreugde wekt, maar ook heiligheid, afkeer van de zonde en oefenen van al, wat liefelijk is en wél luidt.
De rechtvaardigmaking betekent hem een tot kind van God worden aangenomen. Dat grote en genadige doen Gods wekt geestelijke vrede en geestelijke blijdschap en vindt zijn verzegeling door de Heilige Geest in Woord en Sacrament. Van beide Sacramenten wordt breder gesproken, evengoed van de Heilige Doop als van het Heilig Avondmaal. De praktijk van het Heilig Avondmaal, in voorbereiding, bediening en nabetrachting, wordt uitgewerkt op een wijze, die ons sterk herinnert aan Teellinck, Udemans en Saldenus, wat ons weer doet zeggen, dat de dogmatische vorm van á Brakel's verkiezingsleer (zie onze vorige artikelen) niet moet worden overschat, daar á Brakel zeer mild en evangelisch spreekt en niet tot een koude uitverkorenheidsfilosofie komt. We herhalen ook, dat naar ons inzicht het Evangelie van de Verkiezende Genade Gods dan ook veel beter tot zijn recht zou komen in deze warme, intieme omgeving. Het past hierbij aan, dat de verwerping, die á Brakel in zijn dogmatiek aanvaardt, in de uitwerking niet tot fatalisme wordt. De schuld van het ongeloof wordt elk en ieder zwaar op schouder en hart geladen. Wél degeen, die daaronder bezwijkt en zo de heilzame genade Gods vindt!
Hierbij aansluitend geeft á Brakel een vermaard hoofdstuk : Het leven des geloofs op de beloften, dat tot de beste en warmste hoofdstukken van zijn boek hoort. We moeten er alleen van opperen, dat bondigheid niet á Brakel's grootste kracht is. Die staat hem zeker ook in onze tijd in de weg. Wij zijn haast allemaal mensen, die niet zoveel tijd over hebben. Soms denken we: we moesten die wat breedsprakige , , Oude Schrijvers" beknopter kunnen weergeven, opdat men er de kern van kon vatten. Maar de 1134 blz. van dit eerste deel zouden ook in samenvatting toch nóg wel een lijvig boek vullen. Het sluit met een eveneens nogal bekend hoofdstuk: Waarschouwende bestiering tegen de Piëtisten, Quiëtisten en dergelijke. Onder de Piëtisten verstaat á Brakel niet de gereformeerde Piëtisten, dus de Mannen van de Nadere Reformatie, maar de lutherse Piëtisten, die hem reden tot bezorgdheid gaven. Onder dié Quiëtisten (dit woord komt van een latijns woord, dat rust betekent), verstaat á Brakel vooral de navolgers van de wijsgeer Spinoza, die leerden, dat men alles gelaten moet aanvaarden, omdat alles noodzakelijk komt, zoals het komt en men er dus op z'n Stoïcijn's in moet berusten. Van die noodlotsberusting wil á Brakel begrijpelijk niets weten.
Hiermee hebben we deel I, de dogmatiek, weergegeven en komen zo tot deel 2, waarin we de ethiek vinden, op een wijze, die wel sterk doet denken aan de ethiek van Witsius, die we onlangs weergaven.
Deze ethiek hangt weer aan Verbond en Verkiezing, getuige het opschrift : „Het heilig leven der Bondgenoten in derzelver toenemen, afnemen en strijden". We hebben al eerder geopperd, dat Calvijn de enge band tussen dogmatiek en ethiek nog nauwer weet aan te trekken. Bij hem krijgen we geen dogmatiek en, op grond daarvan, een ethiek, zo in de trant van sommiger preektrant: eerst een , , voorwerpelijke" uitleg, dan een , , onderwerpelijke" toepassing. Zo spreekt Calvijn ook niet, want hij geeft doorlopend toepasselijke, en toegepaste verklaring als een éénheid, en zo staat het met zijn dogmatiek en ethiek ook.
Zoals we dit na zijn uiteenzetting van de kentekenen van het ware geloof konden verwachten, begint á Brakel met te spreken over heiligmaking en heiligheid. Die hébben iets en veel met het Evangelie te maken, maar Gods Wet wordt er levend in het hart geschreven. Die Wet, de tien geboden, wordt daarom praktisch uitgelegd. Als hoofdzaken ervan legt de auteur de vinger nog bij de verheerlijking van God, de liefde tot Hem en tot de Heere Jezus Christus, de vreze Gods en de gehoorzaamheid, de hoop op God, die sterkte en dapperheid verleent.
U merkt, hoe Wet en Evangelie, Woord en Geest samengaan.
De , , oefening der godzaligheid" komt naar voren, als we lezen over de belijdenis van Christus en Zijn waarheid, die, als het moet, tot martelaarschap moet brengen. Het „vergenoegd zijn met het tegenwoordige" zal stellig leven bij mensen, die de verloochening van zichzelf, hun oude mens, als levensnoodzaak kennen. Deze weg loopt over de lijdzaamheid naar de oprechtheid en het gebed is er de spil en de kracht van. Een verklaring van het Onze Vader wordt daarom hier gegeven. Het beeld van de vader van onze á Brakel komt naar voren, als we ook de zoon horen spreken van vasten, waken, eenzaamheid en geestelijke overdenking.
Menigeen is geneigd, hier aanstonds iets „ziekelijks" te zien ; laat ons liever met beschaamdheid zeggen, dat deze dingen in ons leven zo deerlijk tekort komen, zodat ons leven ondiep en zakelijk blijft, á Brakel bedoelt het trouwens niet eenzijdig of negatief. Hij wist, dat bij het echte vasten, als lust en niet als last, een „gezalfd" aangezicht hoort. Zo wil hij hier, dat het zingen niet ontbreke. Waar zo Gode geloften gedaan worden, daar ontbreekt de ondervinding (bevinding) niet.
Hiermee is helemaal niet een geestelijk genieten, wat zo licht een geestelijk egoïsme wordt, bedoeld. Integendeel: geen christen zonder naastenliefde, zich uitend in nederigheid, zachtmoedigheid, vreedzaamheid, naarstigheid, milddadig en voorzichtigheid. Wat wij dus de , sociale ethiek" noemen, gericht op de naaste (maar dan om Gods wille) heeft hier grote aandacht.
Betekent dat een altijd maar verder harmonisch uitgroeien? á Brakel spreekt wel van geestelijke wasdom. Maar hij, weet ook van verachtering in het geestelijke leven, die zelfs leiden kan tot de geestelijke verlatingen, waarvan Voetius zo aangrijpend sprak. Dat kan dan wel heel ver gaan! Harde twijfel kan opkomen, bestrijding, of het Woord van God wel de waarheid is en het kan er diep en donker langs gaan. Is á Brakel dan vergeten, dat hij zijn dogmatiek al begon met de Verkiezing Gods, die toch immers de volharding der heiligen insluit ? Nee, dat is á Brakel niet vergeten. Maar de weg daarheen loopt voor hem onder aanvechting van satan door, die zo kan aanknopen bij de verdorvenheid in ons, die ons in geestelijke duisternis kan dompelen en geestelijk dood of dodig kan maken (denk aan Saldenus). En nochtans : daarin sterkt de volharding der heiligen, die niet vadsig en werkeloos maakt, maar die juist sterkt, bekwaamt, om roeping en verkiezing vast te maken.
Besloten wordt met de tekening van sterven en begraven, van de staat der zielen tussen sterven en opstanding. Met de opstanding der doden komt het laatste oordeel en daardoor heen voor de „geheiligde bondgenoten" de eeuwige heerlijkheid.
Met een vrij kort derde deel sluit het héle boek. Het doet nogal sterk Coccejaans aan, hoewel we vorige malen hebben uiteengezet, wat we daaronder moeten verstaan. Dit derde deel spreekt van de staat der kerk onder het Oude Testament, vergeleken bij die onder het Nieuwe. Belangrijk is het hoofdstuk, dat getiteld is: Hoe Christus borg was onder het Oude Testament. Daar leerde Coccejus van, dat onder het Oude Testament de vergeving een andere was dan onder het Nieuwe. Het Nieuwe Testament kent de volle vergeving. De Vaderen onder het Oude Verbond hadden een mindere, voorlopige vergeving. Dat ontkent á Brakel met kracht. Dat doet tekort aan de volheid van Christus' eeuwig ambt, dat door de tijd niet wordt beïnvloed. Daaraan knoopt dan aan het hoofdstuk: De staat der gelovigen onder het Oude Testament, dat zich bij het vorige nauw aansluit, immers christen dankt alles aan de Heere Jezus Christus en vertoont Zijn beeld.
Het derde deel, en zo heel het boek, besluit met een verklaring van de Openbaring van Johannes. Dit is één der niet zó talrijke, die in de oude tijd over dit bijbelboek zijn verschenen, á Brakel had het hier niet zo makkelijk: weinig grote voorbeelden. Luther en Calvijn heibben beiden b.v. geen commentaar op de Openbaring van Johannes nagelaten. De eerlijkheid gebiedt te erkennen, dat deze verklaring van á Brakel geen meesterstuk is. Het maakte weinig opgang en opende geen nieuwe perspectieven. Dat konden we van á Brakel dan ook niet verwachten, want dit bedoelde hij ook niet. Hij dacht minder aan de theologen dan aan de kerkmensen en daar deed hij goed aan : meestal gaat het omgekeerd en dat kan op gereformeerd terrein nóóit toegejuicht worden.
Hiermee beëindigen we onze korte beschrijving van W. á Brakel en zijn werk. Tenslotte nog iets. merkwaardigs. Zijn Redelijke Godsdienst heeft in ongeveer 150 jaar meer dan 20 drukken beleefd, tot op heden wel 22, waaronder als laatste moet gerekend worden de uitgave in nieuwe spelling door ds. Donner, in 2 forse delen. Nu is het opvallende, dat in de tijd tussen 1650 en 1850, dus in ook een 200 jaar, de Institutie van Calvijn in ons land niet één enkele maal is herdrukt. Daarna pas kwamen er enkele (4) nieuwe uitgaven.
Hoe komt dat? á Brakel wilde toch een calvinist zijn en is dat ook. Vanwaar dan dat grote verschil in waardering voor die twee gereformeerde dogmatieken ?
Blijkbaar vond en vindt men Calvijn moeilijk, tè moeilijk. Maar daarin ligt o.i. bepaald ook geestelijke luiheid, die goedkope „stichting" zoekt. Daarom hebben we al eens gezegd en herhalen het nóg eens : Wie de gereformeerde theologie en vroomheid breed en diep wil leren kennen, moet niét bij á Brakel blijven staan. Waarom legt men ze niet eens naast elkaar: Calvijn èn á Brakel, en vergelijkt, wat samenstemt en wat verschilt? De intellectueel zal ook á Brakel kunnen en moeten waarderen, vooral om de openheid, de zin voor het praktische, de echte vroomheid. Daarin is Calvijn o.i. wat minder openhartig, al leest men misschien het beste bij hem achter en tussen de regels.
Kennis van de gereformeerde waarheid, voor zover ze middellijk verkregen wordt, vraagt dus toch wel toewijding en arbeid der ziel. Het beste wordt wel verkregen „als in de slaap", maar de Heere maakt Zijn kinderen ook op tijd wakker, opdat ze waken, strijden, en groeien.
Dit bovenstaande wil toegepast zijn op het bestuderen van Calvijn en á Brakel en belooft dan rijke vrucht, tot 30, 60, 100 voudig!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's