De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NOG EENS DE KENNIS DER ZONDE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NOG EENS DE KENNIS DER ZONDE

10 minuten leestijd

Wij zijn in ons vorig artikel niet ver gevorderd met de uiteenzetting van de kennis der zonde. Dat kan ook niet. Indien iemand een weg, die door de kerk gedurende negentien eeuwen ruim geleerd is, afwijst en een nieuwe weg meent te kunnen wijzen, ligt het voor de hand, dat hij alvorens ons op die nieuwe weg voor te gaan, eerst zal trachten ons van de dwaling van de andere weg te overtuigen om vervolgens de nieuwe weg aan te prijzen.

Dit nu was het, wat ons in het vorige stuk begon bezig te houden en nog onze aandacht zal vragen.

Wij mensen van de traditie kunnen de dwaling van de andere weg maar niet inzien en wij wagen het niet de oude beproefde weg prijs te geven op gezag van een theoloog, ook al is hij in één mensenleeftijd wereldberoemd geworden.

Daarbij komt, dat ons de oude weg als de Schriftuurlijke voorkomt, terwijl het overtuigend bewijs dat dit niet het geval is bij Barth ontbreekt. Barth's beschouwing kan bovendien moeilijk als Schriftuurlijk worden aanvaard.

Tenslotte brengen wij heel de zaak van de kennis der zonde op één concreet woord van de apostel Paulus (en van onze belijdenis) terug: n.l. Rom. 3 VS. 20 : „Want door de wet is de kennis der zonde". (Vgl. Rom. 7 vs. 7 ; Hebr. 7 VS. 18).

En om nu maar bij deze twee zegslieden te blijven : Paulus of Karl Barth, dan vergt deze laatste toch wel heel wat van de kerk, als hij in strijd met dit zo duidelijke getuigenis (en de geloofservaring van de kerk der eeuwen) van haar vraagt hem te volgen en Paulus los te laten.

Het zou niet alleen zo zijn, dat de kerk in al die eeuwen niet gezien heeft, wat Barth heeft ontdekt, en dat zij gedwaald heeft, maar Paulus (om van de overige apostelen maar te zwijgen) zou ook gedwaald hebben.

En Christus zelf ?

Hij is niet gekomen om de Wet te ontbinden, maar om die te vervullen. En Hij handhaaft de Wet zelfs met een ongekende verdieping van haar eis en betekenis. (Bergrede). Nergens leert Hij, dat wij de Wet Gods niet schuldig zijn te onderhouden en te betrachten. Denken wij ook aan het gesprek met de rijke jongeling. De Christus ontdekt deze vrome jongeman er aan, dat de betrachting der geboden gepaard kan gaan met een verbondenheid aan zijn goederen, die de ware godsvrucht in de weg staat. Maar geen woord van afkeuring over de onderhouding der geboden. Dat kan ook niet, want de Heere begint met te zeggen : , , onderhoud de geboden". (Mattheüs 19 : 16 v.v.).

Doch wat zullen wij langer verwijlen bij dergelijke Schriftplaatsen, die er inderdaad nog veel meer zijn te citeren, heel de ontdekkende functie van de Wet wordt door Barth prijs gegeven en daarom vragen wij, of het hem dan niets te zeggen heeft, dat God in het paradijs van de mens in de staat der rechtheid gehoorzaamheid eist.

Dat heeft Barth echter niet zoveel te zeggen, want hij heeft zijn eigen opvatting van Genesis 1—3, hij noemt dat sagen. Voor hem is de mens in rechtheid in het paradijs geen historische mens, want de historie kent geen mens in rechtheid volgens hem. Derhalve is ook de val geen feit in onze aardse historie, maar ligt daarbuiten.

Dan een ander punt. Als God de Heere het volk Israël in Egypte tot een volk heeft doen uitgroeien en het in de woestijn heeft geleid om het in Kanaän te brengen, begint Hij met de Wet en zet het volk onder de eis der gehoorzaamheid aan de Wet.

Hier hebben wij derhalve met een daad Gods te doen en wij vernemen van de profeten de roep : , , tot de Wet en de getuigenis". Zij bepalen het volk bij de eis tot gehoorzaamheid aan de Wet.

De Wet heeft een zeer duidelijk beschreven functie : de opvoeder tot Christus, klaar en duidelijk bedoeld als ontdekking der zonde.Waar geen Wet is, is geen overtreding. (Rom. 4 vs. 15).

En het is deze functie der Wet, welke Paulus in Rom. 3 vs. 20 aanwijst in onderscheiding met de Joodse leraren der Wet. Deze toch zoeken het vlees te rechtvaardigen uit de werken der Wet. Maar Paulus wijst een dergelijk streven radicaal af. Geen vlees gerechtvaardigd uit de werken der Wet. Daarentegen : want door de Wet is de kennis der zonde.

De apostel Paulus geeft niet de minste aanleiding om te menen, dat deze functie der Wet heeft opgehouden na de dood en de opstanding des Heeren, noch ook, dat de Wet zou hebben afgedaan.

Deze apostel neemt, zoals hier blijkt, wel een kennis van de Wet aan, welke aan de , , uitnemende kennis" van de Heere Jezus Christus voorafgaat. Hoe anders noemt hij de Wet een opvoeder tot Christus ?

Men kan in het midden brengen, dat deze uitspraak op heel Israël ziet, maar daar is geen enkele reden om zulk een naar Christus leidende werking der Wet — en daarmede de kennis der Wet — voor de nieuwe bedeling uit te sluiten.

Het argument van Karl Barth, om zulk een kennis der Wet, die aan de kennis van Christus voorafgaat, niet toe te staan, is bovendien uiterst zwak.

Ten eerste spreekt hij van een „zelfstandig gefundeerde" kennis buiten de kennis van Jezus Christus, het vleesgeworden Woord. (K. D. IV, blz. 396).

Dit is een merkwaardige uiting van een theoloog. Wat toch moet men onder , , zelfstandig gefundeerde kennis" in het algemeen en wat zou men daaronder in de theologie moeten verstaan ?

Waar komt zulk een kennis vandaan, vraagt Barth, als Jezus Christus niet de grond van die kennis is ? (t.a.p. blz. 397).

Over de kennis in het algemeen zouden wij nu eigenlijk eerst moeten spreken, om aan te tonen, dat , , zelfstandig gefundeerde" kennis een zelfmisleiding is ook ten aanzien van de kennis in het algemeen. Voorts, dat zulk een zelfmisleiding en de begeleidende hoogmoed in de wereld geen zeldzaamheid zijn.

Dat is echter alles niet nodig voor de Schriftgelovige, omdat hij weet, dat wetenschap en kunst gaven Gods zijn en, dat de Heilige Geest die gaven werkt. Men leze o.a. Jesaja 28 vs. 23 v.v., een uit de vele Schriftplaatsen, die geciteerd kuruien worden.

En wat dan de kennis van de Wet aangaat, hoe kan iemand deze stellen als zelfstandig en buiten Christus om, terwijl de Schrift daaromtrent zo uitvoerig getuigenis geeft in de geschiedenis van de openbaring Gods op de Sinaï, waarbij Hij voor het ganse volk van Israël verschenen is ? Hoe het volk vreesde, en Mozes tussen getreden is om de Wet uit Gods hand te ontvangen?

Het ontbreekt ook niet aan talrijke getuigenissen in de Heilige Schrift, die aantonen, dat de Israëlietische gelovige bij de uitwendige kennis van de Wet niet bleef staan, maar nodig had, dat zijn wegen gericht werden om Gods inzettingen te bewaren. (Psalm 119).

De kennis van de Wet Gods staat dan ook niet op zichzelf, maar achter de Oud-Testamentische openbaring en haar werking in het hart der vromen in Israël staat de drieënige God. Of heeft Calvijn onschriftuurlijk gesproken, als hij zegt, dat de 2e en 3e Persoon, dat Woord en Geest als de handen Gods ' zijn in alle werken Gods?

Hoe wil iemand nu van , , zelfstandig gefundeerde kennis" spreken buiten Christus om ?

Dan moet hij Calvijn's getuigenis als in strijd met de Schrift wraken, en dat zal moeilijk gaan, tenzij hij een geheel andere Schriftbeschouwing volgt dan Calvijn en de Heilige Schrift heel anders leest dan de kerk haar altijd gelezen heeft, ja, hij moet haar van haar goddelijk gezag beroven, om dergelijke beweringen te doen over , , een zelfstandig gefundeerde" kennis.

Wat is er toch bij de mens, dat waarlijk , , zelfstandig gefundeerd" kan worden genoemd tegenover God, dan de waan van zijn eigen ik ?

Wij schijnen echter weer voor een ogenblik saam te gaan, als Barth beweert, dat wij, als wij over kennis der zonde spreken, met geloofskennis, kennis der openbaring, van doen hebben.

En als Barth over de onvolkomenheden en spanningen in de saamleving spreekt, om te beweren, dat de kennis van het kwaad in de samenleving nog geen kennis van onze zonde tegen God is, zijn wij het ook eens — al kunnen wij het niet beamen, dat die spanningen met de zonde „niets te maken hebben", en gerekend mogen worden tot de door God goed geschapen menselijke natuur, als de Y/erking van licht en donker en wat hij daarvan verder aanhaalt. (, t.a.p. blz. 397).

Barth ziet de door God goed geschapen natuur, aan welke zulk een dialectiek eigen is, blijkbaar als normaal. Daarin gaan wij toch weer niet met hem mede, al was het slechts om die éne reden, dat Barth niet de minste term van vergelijking heeft met een niet gevallen historische mensheid, omdat hij die niet erkent. Maar dan kan hij omtrent deze ook geen kennis dragen, noch ook beoordelen wat normaal of niet normaal is ten aanzien van deze aangelegenheid.

Ook de kennis van de Wet Gods en de kennis van onszelf in het licht der Wet, is door de kerk altijd als geloofskennis gezien en wel als een kennis, gewrocht door Woord en Geest. Om Gods Woord geestelijk te verstaan, kunnen wij de leiding en de verlichting van de Heilige Geest niet ontberen. De Heilige Geest is de Bewerker der harten.

Barth schijnt in de afwijzing van welke kennis ook, die vooraf zou gaan aan de kennis van Christus, onder de vrees te verkeren van alles wat op z.g. , , natuurlijke kennis" gelijkt.

Dit is intussen ook weer zo'n vreemd begrip in de mond van een theoloog. Wat is natuurlijk ?

Zin kan het soms hebben als tegenstelling van geestelijk.

Welnu, als Barth dat dan bedoelt, en voor zover hij met geestelijk ook bedoelt, wat de Schrift daaronder vérstaat, het door de Heilige Geest geschonkene, tot de dingen die des Geestes Gods zijn behorende, kan er zonder twijfel aanleiding zijn om te waarschuwen tegen de zelfverleiding van een verstandelijke kennis.

In dien zin kan hij ook spreken van rationalisme, dat moet gemeden worden.

Als wij zijn uitdrukking geloofskennis in dien zin mogen verstaan, moeten wij er toch op wijzen, dat hij juist bij deze behandeling van zaken zo heel weinig van de Heilige Geest spreekt als de inwendige Leermeester van de dingen, die ons geopenbaard zijn.

Doch daar stuiten wij alweer op tegenstand, want zo stelt Barlih de dingen niet.

Daarom zal het ook geen nut hebben er op te wijzen, dat wat Barth dan verslaan wil hebben onder de kennis van Jezus Christus, het vleesgeworden Woord, het enige en eigenlijke Woord Gods, ook louter verstandelijk van horen zeggen kan zijn, ook een abstractie van , , zondevergeving" kan wezen in de hersenen van wie het gehoord hebben, een dode kennis zonder onderscheiding van de geestelijke werkelijkheid.

Dat kan met de voorstelling, welke Barth geeft, even zo goed als met de Wet.

De belijdenis van Petrus moet ons hier voor ogen staan.

Wie zeggen de mensen, dat Ik, de Zoon des mensen, ben ?

En wie zegt gij, dat Ik ben ?

Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.

Dat kon de schare niet zien, maar de discipelen werd het gegeven: Vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, die in de hemel is.

Die openbarende daad Gods staat tussen verstandelijke en ware geloofskennis, want geloof is de vrucht dier openbarende daad.

Dat geldt niet alleen van de kennis van de lijdende Knecht des Heeren, maar van het ganse werk der openbaring door Woord en Geest, ook van de kennis van God de Schepper, en ook van de kennis van de Wet Gods.

Wat Barth ons wil voorhouden, betekent een verarming van het leven des geloofs en van de rijkdom van het Woord Gods, dat ons is geopenbaard.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

NOG EENS DE KENNIS DER ZONDE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's