RONDBLIK OVER HET KERKELIJK ERF
Een oproep.
We kregen een circulaire in handen, die bedoeld is als een opwekking tot meer regelmatig kerkbezoek. Een kerkeraad zond deze aan zijn gemeenteleden, „doch tegelijk met begrip voor de omstandigheden, welke dit bemoeilijken". Dat zijn niet b.v. de continu-dienst in sommige bedrijven, want het is geen industrieplaats ; neen, maar rustig thuis zitten, een boek lezen, wandelen met je gezin e.d. Ook is er altijd wel wat te doen, waarvoor in de week de tijd ontbreekt. De „herderlijke brief" zegt hier geen woord kwaad, van, doch constateert, dat de zondag naast dit alles ook nog iets anders kan bieden. „Een mens heeft behoefte, heeft het althans nodig, nu en dan zich op de geestelijke achtergrond van het leven te bezinnen, te luisteren om te verstaan hetgeen God ons te zeggen heeft in de prediking'van Zijn Woord". Het gemeenschappelijk luisteren is daarbij van grote waarde ; het gezamenlijk gezang en gebed, het gezamenlijk weten van moeite en van zwakte, van tekort, en het gezamenlijk vragen om kracht voor het dagelijks leven. „Dit geeft aan de zondag, en dus aan het leven, een zekere waarde, een zekere inhoud, een zekere stijl en nieuwe kracht en hoop, die wij buiten de kerk niet vinden. Maar om dit te kunnen beleven is dan ook een zekere regelmaat in het kerkbezoek nodig. Ook in dit opzicht is gewoonte, is traditie in het leven vereist".
Wij zijn benieuwd of deze oproep om „de gemeente tot levende werkelijkheid te maken" veel gehoor gevonden heeft.
De kerkgang in bedoelde gemeente is naar wij vernamen, minimaal. En het is nog niet eens een vrijzinnige.
Misschien, dat iemand naar aanleiding van deze oproep informeert, wat „een zekere regelmaat" betekent. Zonder overdrijven natuurlijk !
Hoe slap is dit hele betoog ! Zwakte en tekort worden genoemd; van zonde en schuld wordt geen gewag gemaakt. Van een genadig gebod aangaande de Dag des Heeren van zegen en vloek geen woord ! Christus, de Heere van de rustdag, en Zijn opstanding, die de eerste dag der week heiligde, wordt niet vermeld.
We hoorden, dat verscheiden Hervormden in deze gemeente elders kerken en hun kinderen in gescheiden kerken ter catechisatie zenden. Hetgeen wij betreuren, doch zonder verwondering.
De Catechismus wordt aldaar niet bepreekt. De zondag over de rustdag graaft wel heel wat dieper dan deze oproep en zou ook de verslapte kerkganger en zelfs de buitenkerkelijke vermoedelijk méér aanspreken, wanneer de inhoud daarvan hem verduidelijkt werd.
Gemeente-opbouw óf gemeente-afbraak ?
Een nieuwe vorm van prediking ?
't Is in Hilversum gebeurd, op zondagavond 10 februari in de Diependaalse (Herv.) kerk, dat wel in een „bijzondere", doch toch een officiële kerkdienst, in plaats van de gewone prediking kwam de opvoering van het lekenspel „Het Prototype" van Stuart B. Jackson. De heer A. Miedema geeft een beschouwing over deze „dienst" in „De Rotterdammer" van 16 februari 1.1. Het stuk op zichzelf waardeert hij als uitnemend en als een verrijking van de kerkelijke lectuur ; het is een vlammend protest tegen de moderne theologie, die het verhaal van de opwekking van Lazarus niet eens meer beschouwt als een oorspronkelijke gelijkenis van Christus (laat staan als historie), doch een latere toevoeging van mensen, wier vroomheid groter was dan hun verstand. Een moderne dominee moet nu door een wederopvoering van het vroegere gebeuren overtuigd worden van de historiciteit van Joh. 11. Hoewel wij Miedema 's waardering onmogelijk delen kunnen (alleen de dwaasheid der prediking wordt door de Heilige Geest gebruikt om te overtuigen van dwaling en geen „wederopvoering van het vroegere gebeuren" !), achten wij zijn kritiek op deze „evangelisatorische stunt" raak en juist. Wanneer de pastor loci na votum en gebed te hebben uitgesproken en en een lied te hebben opgegeven (in toga, dus .alles even officieel) dan plaats maakt voor de dominee van het lekenspel, ook in toga, die dan de Schriftlezing verricht, dan kan hij dit niet meer ernstig nemen. „Ja, het overigens verheven spel werd voor ons gevoel - tot een Jan Klaassenspel verlaagd, toen Karis (de engel, die in het stuk optreedt) de kerkdienst besloot door met opgeheven handen op de onderste trede van de preekstoel te gaan staan en de zegen uit te spreken. Het theatrale zoeklicht plaatst hem in het zonnetje van de aandacht, terwijl de kerktoneelzaal in een romantisch duister blijft gehuld. De kerk, die, natuurlijk met de beste bedoelingen, deze stunt heeft uitgehaald, doet ons denken aan de burgemeester, die met de ambtsketting om Sinterklaas inhaalde, aldus spel en ernst niet onderscheidende". Deze seance, voor buitenkerkelijken bedoeld, is gevaarlijk : „dit is verleiding, ja, verlakking van de schare, die met vals religieuze gevoelens naar huis wordt gezonden, gesticht naar de mate des mensen en niet naar de mate Gods".
Miedema wil kerk en tooneel sterk gescheiden houden, „anders zou de kerk zichzelf dood hervormen". „Arme kerk, waarin het Woord der prediking krachteloos is geworden en het heft in arrenmoede uit handen geeft en een toneelfiguur zegenend de handen op laat heffen, omdat de geest der ware profetie door ons ongeloof geweken is".
„Rock 'n Roll" op het „Kerkbal".
In het Zondagsblad van „De Rotterdammer" van 16 februari, lezen we, hoe in een Engelse Presbyterian Church de gemeente op zaterdagavond zich voorbereidt op de komende rustdag. Niet door een „avondgebed", doch door een geanimeerd „kerkbal", waar ook de predikant in avondkleding aanwezig is en volop meedoet. De Nederlanders, die aanwezig waren en hun verslag gaven, vertellen, dat een ouderling dezer gemeente verwonderd ophoort, dat wij zoiets niet waarderen kunnen. Hij waarschuwt om de aantrekkingskracht tussen de beide sexen vooral niet te verdoezelen. En dan : er is óok nog zoiets als de vreugde der ritmische beweging, en de gelegenheid tot het uiten van onze levensblijheid, die de dans ons biedt. Hij spreekt dan ook de hoop uit, dat de Nederlandse kerkmensen de vreugde van de dans zullen leren kennen. Blijkbaar menen die Engelse presbyterianen, dat de kerk ook hier leiding en gelegenheid heeft te bieden. Een kritische beschouwing misten we ; de woorden van de Engelse ambtsdrager werden alleen maar ter overdenking doorgegeven. Menig lezer zal zich afvragen, waar we op deze weg heengaan ?
In de weg van het belijden der Kerk ?
In ons blad schrijft prof. Van der Linde over figuren uit de dagen der Nadere Reformatie. Ook het gezinsblad „De Hervormde Kerk" geeft levensbeschrijvingen. In het no. van 16 februari licht H. J. H. ons in over Johannes Uytenbogaert, de leider der Remonstranten. Deze wilde alleen de bijbel als regel voor geloof en leven en was propagandist voor een Staatskerk. Na de „Leerregels van Dordrecht" gewaardeerd te hebben als een waardevol getuigenis aangaande de vrijmacht Gods (tegenover de verstandelijke weerleggingen der Remonstranten), hoewel tekort dreigde gedaan, te worden aan de verantwoordelijkheid van de mens ten aanzien van het heil(? ? ), lezen we : „Toch is hiermede het laatste woord niet gezegd. De ontwikkeling van het Geref. Protestantisme, waartoe toch ook de Remonstrantse Gereformeerde Broederschap behoort, vraagt „in dankbare gehoorzaamheid aan de H. Schrift en in gemeenschap met de belijdenis der Vaderen" om een nieuwe gemeenschappelijke bezinning op heel het belijden der Kerk. Onze Kerk heeft dat te doen „in het besef van haar verantwoordelijkheid voor het heden" (art. X).
De verschilpunten met de Remonstranten liggen nu wel geheel anders dan in de tijd van Uytenbogaert. Wij wrijven ons de ogen uit bij het herlezen van deze voorlichting van ons Hervormde kerkvolk. Vooral die „gemeenschap met de belijdenis der Vaderen" wordt raadselachtig en hangt o.i. geheel en al in de lucht!
Elck wat wils.
De Hervormde jeugdraad heeft een Programmagids doen uitgaan, bevattende suggesties voor 't samenstellen van programma's gedurende de lijdensweken en Pasen. Hoewel er minder behoefte is aan „vrije Paasverhalen", wordt er in bepaalde kringen steeds meer behoefte aan deze materie gevoeld. „Echte paasverhalen hebben één leidmotief : Overwinning op de dood". Veiliger lijkt het ons, meteen te bepalen : Christus' overwinning op de dood. En dit nauw verbonden met: gestorven om onze zonden. De echte paasverhalen „zijn ons ook gegeven om ons te leiden en te helpen om met dit grote probleem klaar te komen. Daarom zijn er voor jonge kinderen, behalve de z.g. natuurverhalen, weinig échte paasverhalen. De verhalen, die er zijn, neigen allemaal naar de folklore. De laatste zijn dus (terecht!) niet „echt". De natuurverhalen wèl? Is de uitdrukking „met dit grote probleem klaar-komen" wel Schriftuurlijk ? , Als Thomas de Opgestane Christus aanbidt, is dat een „klaar-komen" ? Of een komen tot het Licht en tot de aanbidding ? Dit ligt toch op een ander vlak ! Toch krijgen we een lijstje van folkloristische verhalen (merendeels uit de vrijzinnige hoek) en twee opgaven onder het hoofd „het leven in de natuur overwint" ! Voorts een opgave van „legenden rondom Jezus' lijden", waarbij zelfs een R.K. uitgave vermeld wordt. Van meer waarde zijn de „zendingsverhalen met een paas- of lijdensgedachte" en het overzicht van de tijdens- en paaspoëzie. De keuze uit de passie- en paasspelen brengt bijna uitsluitend werkjes uit het vrijzinnige kamp (V.C.J.C.).
Een dergelijk „elck wat wils" kunnen wij onmogelijk waarderen !
Een Rondblik als deze heeft ook z'n gevaren. In onze gemeenten kerkt men nogal regelmatig ; wij voeren geen lekenspel op tijdens de kerkdienst op de zondagavond, doch onderwijzen dan uit onze oude Catechismus ; wij denken niet over „kerkbal" op zaterdagavond ; wij willen de belijdenis onzer Kerk handhaven en gehandhaafd zien ; wij vertellen onze kinderen de Paasgeschiedenis uit de H. Schrift.
Toch hebben wij geen reden ons op de borst te slaan, of het moest zijn als de tollenaar uit de gelijkenis des Heeren Jezus. H. J. H. in „De Hervormde Kerk" suggereert, dat de verantwoordelijkheid van de mens in Dordt niet helemaal tot haar recht kwam. Wij geloven niet, dat dit juist is. Prof. Van der Linde schrijft in „Waarheid, wijsheid, leven" op blz. 68 e.v. : „De verantwoordelijkheid van de mens wordt in de klassieke tijd van de Nadere Reformatie sterk naar voren geschoven, zó sterk, dat men er wel eens iets „remonstrants" in vermoedde". Dit z.i. ten onrechte. Doch hij vervolgt: „De natijd heeft het verwijt veel meer gevreesd dan de pioniers en is veel lijdelijker gestemd, niet ten bate van de gezondheid van het geloofsleven". En even verder : „Wanneer de geschriften van de gereformeerde Piëtisten werkelijk zo veel waren gelezen als ze geroemd zijn, zou een zo moedeloze en geesteloze praktijk, juist inzake de verkiezingsieer onder ons ondenkbaar zijn". Te roemen is ons dus niet oorbaar, wanneer wij de blik naar binnen richten. De vraag is : leven wij werkelijk uit Schrift en belijdenis ?
„Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij geleiden "
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's