De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FRIEDRICH ADOLPH LAMPE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FRIEDRICH ADOLPH LAMPE

10 minuten leestijd

De voornaam Friedrich doet ons al verstaan, dat Lampe, al heeft hij enkele jaren in ons land gewoond, een Duitser is. Na Brakel, is hij voor de meesten onzer zeker wel een onbekende, maar zijn invloed is toch wel zó groot en zó eigenaardig, dat we reden hebben op hem nader in te gaan.

Lampe is geboren in 1683 in Bremen. Daar komt Coccejus ook vandaan ; geen groot wonder, dat die twee nogal enige, samenhang hebben. Niet in die zin, dat Lampe zonder meer Coccejaan zou moeten heten. Want Lampe heeft, nog sterker dan Witsius en á Brakel, gepoogd het goede in Coccejus te waarderen, maar om het goede uit Voetius daar tevens mee te verbinden. Hij heeft dus evenzo de Verbondsbeschouwing verdiept en verinnerlijkt en poogt Verbond en mystiek, Verbond en persoonlijk geestelijk leven op elkaar te betrekken. Dat is een nobel en veelbelovend, maar ook een moeilijk pogen, waarin lateren evenmin volkomen geslaagd zijn als hij dat vermocht.

Heeft Lampe dus z'n plaats in die geleidelijke verzoening van Coccejanisme en Voetianisme, die we in de loop van de 18e eeuw zich zien voltrekken: iets eigens van Lampe tegenover zijn voorgangers en medestanders is, dat bij hem het gevoel een zoveel grotere plaats krijgt, wel in zulk een mate, dat we reden menen te hebben om te spreken van een neiging tot sentimentaliteit. Daarin spreekt zich ten dele de tijdgeest uit. Zijn eeuwgenoot Rhynvis Feith en heel de Romantiek doen daaraan krachtig mee. We kunnen niet nalaten, op te merken, dat die gevoeligheid tegenover vergankelijkheid en sterven bij Lampe óók wel een extra klankbodem heeft gevonden in zijn zwakke gezondheid, die hem allicht van de tijd verwees naar de eeuwigheid. Als we binnenkort aan Sicco Tjaden toekomen, die ook zo jong stierf, zullen we een zelfde stand van zaken moeten signaleren. Maar tenslotte aarzelen we niet, in Lampe's gevoeligheid ook iets diepers en persoonlijks aan te nemen: hij heeft de tweespalt van zonde en genade, van verloren zijn en behouden worden, blijkbaar dieper doorleefd dan velen, die hem te week en te klagend vinden, maar die hij van zijn standpunt wel te koel en te koud moet achten.

Dit zeer gevoelige komt wel heel duidelijk uit in Lampe's eigenaardig taalgebruik. Dat doet ons sterk denken aan een bepaalde kant van Van Lodenstein, die in zijn gebed tot God kon zeggen, dat wij mensen maar „mugjens, miertjens, maden" zijn voor Zijn heilig aangezicht. Die beelden en dergelijke hebben Lampe gepakt: hij bezigt ze gedurig. En is dat nu bepaald , , ziekelijk" of „overdreven" ? Als de moderne astronoom Jeans onze aarde tegenover het heelal noemt een scherf je van een zandkorrel, die ligt aan de oever van een wereldoceaan, dan zijn daarmee Van Lodenstein en Lampe nog overtroffen. Aan dit duizelingwekkende beeld gemeten, hebben zij met hun gemoedelijker beelden de mens nog te veel eer gegeven.

Maar Lampe's taal is ook wel zoetelijker dan die van Van Lodenstein. Het lam (lammetje) wordt wel wat eenzijdig lijdelijk gebruikt en dan vergeten, dat het lam (schaap) helemaal niet zo'n lief, aanhankelijk en vreedzaam dier kan heten, maar dat het integendeel bijterig, halsstarrig en lastig is. Men moet dat niet romantiseren, want daarin gaat de Schrift stellig niet voor. (Vgl. Ps. 119). In dit taalgebruik heeft Lampe overeenkomst met Van Zinzendorf, de stichter van de Broedergemeente. Of deze laatste echter mogelijk mede door Lampe, die in Duitsland veel gelezen is, beïnvloed werd ?

In verband met dit hier genoemde, moeten we verder zeggen, dat bij Lampe zeer sterk wordt gevonden het gebruik van de z.g. tale Kanaans. Daar hebben we onder te verstaan een wat allegorisch gebruik van de bijbeltaal, die voor de ingewijde zeer sprekend is, maar voor de buitenstaander vrij duister. We denken aan uitdrukkingen, waarbij Egypte, Babel, Sion in geestelijke zin worden gebruikt, van de tenten van Kedar en Mesech in gelijke zin wordt gesproken, enz. Dat is vóór Lampe ook al wel te vinden en na hem evenzeer, denk aan Kohlbrugge's boekje over dit onderwerp, maar Lampe heeft het sterk geijkt, er sommiger dank mee geoogst, maar anderer kritiek mee opgewekt.

Hoe we over deze zaak moeten oordelen ? Zeker wel zó, dat geestelijke zaken bij voorkeur in bijbelse taal en beelden moeten worden weergegeven. Maar dan toch a.u.b. niet zó, dat dit een soort geheimtaal zou worden, waarmee men zich bewust of onbewust van anderen afzondert. Dat hebben Profeten en Apostelen niet gedaan. Hoewel zij heilige, d.i. afgezonderde mannen waren, hebben ze zich toch geroepen geweten tot het profetische- en het apostelambt, om aan elk en ieder Gods eisen en beloften bekend te maken. De echte tale Kanaans zal dus zeker evangelisch moeten zijn en niet exclusief.

Er lijkt ons te dezen nogal misverstand te bestaan, ook bepaald in onze kring. Velen houden ervan, staan er op, dat er gesproken en gepreekt zal worden in wat zij voor de Tale Kanaans houden. Wanneer dat de gewijde bijbeltaal is, de taal der openbaring, dan zeggen we daar Amen op. Als men maar niet vergeet, dat op deze wijze eenzijdigheid gemakkelijk binnensluipt en de buitenstaander (zeg maar : de doorsneekerkmens) door een ver doorgevoerde Tale Kanaans niet gebaat is In een tijd van schrikbarend achteruitlopende bijbelkennis, ook in onze gemeenten, zal men daarmee moeten rekenen. Als we een bijbelse taal gebruiken, die meteen geschikt is meerdere bijbelkennis te wekken, zullen we het veiligst gaan.

We vermeldden al, dat Lampe de Verbondsgedachte, door Coccejus sterk naar voren gebracht, poogt te verheffen. Dat gebeurt met name, door Verbond en Verkiezing te verbinden en het Verbond der Verlossing weer te maken tot onder- en achtergrond van het Verbond der genade. De bezwaren, die we ten dezen bij á Brakel opperden, moeten hier terugkeren. Het lukt hem niet gemakkelijk de prediking van Gods verkiezende, vrije genade en een lokkende evangelieprediking, die in de grond uit dezelfde wortel van het goddelijk welbehagen opkomen, gelijk te schakelen. Toegegeven zij, dat dit voor elk en ieder een moeilijke taak blijft, maar toch een, die ons hoog moet zitten, omdat de ere Gods en het heil der zielen er aan hangt.

Dit gesignaleerde, dat wel moet opkomen uit een te redelijke opvatting van Gods verkiezing, wordt naar ons besef bevestigd door het feit, dat de zo gevoelige en geestelijke Lampe toch ook een zeer redelijke kant heeft. Terwijl vele der tot nu toe besproken theologen, Voetius voorop, een sterke afkeer toen van Descartes, de vader der , .nieue wijsbegeerte", die aan de rede zoveel kracht toekent, blijkt Lampe tot onze verwondering in hem nog wel goede dingen op te merken. Voor deze originaliteit heeft hij dan wel zwaar moeten boeten.

Jac. Fruytier, een onversneden Voetiaan en dus anti-Cartesiaan, rook hier, o.i. zeer om reden, lont en verzweeg dat niet. Hij zag verband tussen de vrijzinnige, in hun achtergrond wel Sociniaanse gedachten van prof. Roëll over de godheid van Christus en de Drieëenheid Gods, en meende gelijke gedachten ook bij Lampe te vinden. Deze wees dat met verontwaardiging af en vond vooral in deze moeilijkheden aanleiding, om Nederland weer te verlaten en naar Bremen terug te keren. We vinden dat niet bepaald van een goed geweten getuigen, al kunnen we aannemen, dat het twistgeschrijf, dat niet al te zachtzinnig gebeurde, de ziekelijke, zwakke man buitenmate geprikkeld heeft. In alle geval blijft het raadselachtig en een nader onderzoek waard, dat deze zo geestelijke, mystieke Lampe zoveel aandacht kon geven aan wat men noemt; de natuurlijke theologie, d. w. z. de kennis Gods, die de mens, door zijn redelijke vermogens, aan de natuur ontleent. De Tale Kanaans is toch wel in geen geval een natuurlijke taal of taal der natuur.

Lampe's theologisch hoofdwerk is het zeer uitvoerige : Het geheimenis van het genadeverbond ,4 delen. Hij gaf van dit brede werk ook een korte samenvatting in een enkel deel.

Er mee verwant is : Het heilig bruidsieraad der bruiloftsgasten des Lams, waarvan de titel al het mystiek, gevoelig klimaat verraadt. Het doet ook blijken, hoeveel hart Lampe voor het Heilig Avondmaal heeft, waartoe hij nodigt, even mild als beslist.

Uit de genoemde titels merken we tevens, hoe er toenadering tot de Voetianen is. Dat betekent dat de , , ascetiek", de bewuste oefening van het geestelijke leven, ook Lampe's hart heeft, een omstandigheid, die bewerkte dat de Voetianen hem gingen lezen en vertrouwen.

De preekmethode der Coccejanen, aanvankelijk sterk afwijkend van die der Voetianen, daarin, dat ze het objectieve, de , , vastigheden des Verbonds", eenzijdig op de voorgrond stelde, heeft van deze toenadering mede geprofiteerd. De Coccejanen gingen, vooral hun rechtervleugel, die men de Ernstige of Mystieke Coccejanen noemde, meer op persoonlijke vragen, de toepassing in.

Daar is Lampe een uitstekend voorbeeld van. Het Coccejaanse en Voetlaanse vindt elkaar daarin, dat de uitleg behoorlijke omvang heeft, maar dat de toepassing een onderscheidend karakter heeft. Lampe gaat in op geestelijke , , gestalten" en „ongestalten", wat aan zijn prediking dus' een , , bevindelijk" karakter geeft.

Dat heeft, evenals de Tale Kanaans, bewondering en kritiek gewekt. Het zijn Lampe en de naar hem genoemde Lampeanen geweest, die men bedoelt te raken, als men van fijnen, van femelaars en kwezelaars spreekt. Vooral de vinnige, uiterlijk zeer beschaafde, maar innerlijk zeer bekrompen dames Wolff en Deken, hebben in hun diverse werken niet nagelaten, van dit soort mensen beelden en caricaturen te ontwerpen, We kunnen dat ook wel heel goed begrijpen. Deze dames, en vele van haar tijdgenoten, zijn gedrenkt in schrale redelijkheid en voze zedelijkheid, wat een grote zelfvoldaanheid kweekt. Als er dan mensen zijn, die zichzelf van alle boosheid aanklagen en zich onvernuftig erkennen als Asaf deed, dan ligt de conclusie voor de hand, dat men deze mensen óf voor zeldzaam verdorven onmensen hield, óf voor goedmoedige bekrompen en verblinde dwazen. De natuurlijke mens begrijpt niet „de dingen die uit de Geest van God zijn". In hoeverre de Lampeanen zich aan overdrij­ving hebben schuldig gemaakt, valt moeilijk te beoordelen, maar de kern der zaak en der vijandschap ligt daar in niet. Een uitbarsting van die zelfde, wrange hoogmoedige vijandschap tegen de , , fijnen", die men grof behandelt, vinden we in de tijd van de Afscheiding,  een tijd, waaraan wij niet licht zonder schaamte kunnen terugdenken. En ook daarmee is deze droeve geschiedenis is niet gesloten : nog elke dag stuiten we op stille of openlijke, vijandschap tegen mensen, wier geestelijk leven men verdenkt en niet begrijpt.

Met dit alles begrijpen we wèl, dat de 18e eeuw, eeuw van redelijkheid en zakelijkheid, zich geducht doet gevoelen. Lang vóór De Costa geeft Lampe en feitelijk heel de Nadere Reformatie een protest tegen de Geest der eeuw. Dit protest is even hardnekkig als dat bij Da Costa het geval was, afgewezen. Dat heeft de bezorgdheid bij Lampe en de zijnen dan weer doen toenemen en hun klachten en aanklachten des te feller en en wat moedelozer gemaakt. Zekere krampachtigheid is daarbij niet altijd uitgebleven en daarmee komen de partijen al verder van elkaar af te staan. Wij oogsten in onze dagen, wat in die tijd is gezaaid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

FRIEDRICH ADOLPH LAMPE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's