De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DWALING OF MISVERSTAND?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DWALING OF MISVERSTAND?

10 minuten leestijd

In gereformeerde kring zijn van meet af bezwaren gevoeld tegen de z.g., , nieuwe" theologie. De aanhangers en verdedigers van deze theologie en haar voornaamste leraar, prof. Barth, hebben dit blijkens hun reacties niet kunnen waarderen. Veelal werd deze weerstand toegeschreven aan traditionele gebondenheid en sleur, gebrek aan soepelheid van geest en gemis van moderne bewustzijn.

De ervaring van de z.g. „doorbraak", bijzonderlijk gestimuleerd door de mannen van de , , nieuwe" theologie, en het kerkelijk beleid, eveneens van die zijde geïnspireerd en doorgevoerd, kunnen, althans wat de Herv.-gereformeerden in de Hervormde Kerk aangaat, weinig vertrouwen wekken voor de nieuwe koers. Allerminst kunnen zij uitnodigen om het toch maar eens met het nieuwtheologisch recept te proberen, stel al, dat het met de traditionele belijdenis zo wankel stond.

Zo staat het echter niét.

Er is onder ons meermalen gewaarschuwd tegen een vooringenomenheid, die het nieuwe afkeurt, omdat het nieuw is en aan het oude vasthoudt, omdat het oud is.

Maar die gemeenschap met het geloof der vaderen!

De mannen van de nieuwe koers schijnen de nieuwe gedachtengangen en opvattingen niet strijdig te vinden met die gemeenschap en de kerkelijke praktijk onder hun leiding kan duidelijk aantonen, dat de door hun voorgestelde gemeenschap heel rekkelijk is, althans in de richting der vrijzinnigheid. Naar de kant van de voor , , ouderwets" gehouden gereformeerde leer is die rekkelijkheid maar zeer gering.

Men kan niet met recht tegenspreken, dat haar aanhangers de meest legitieme leden der Hervormde Kerk zijn, doch, evenwel ontziet men zich niet het beleid van een kerkeraad, die zijn taak op legitieme wijze begeert te vervullen, openlijk af te keuren.

De nieuwe-koers-geest kan zich blijkbaar toch niet zo gemakkelijk voegen in de gemeenschap met het reformatorisch geloof der vaderen.

Hij schijnt dat geloof min of meer gevaarlijk te vinden, want in stede de vrijheid te beschermen tot ontplooiing van het gereformeerde leven in de gemeenten, waar het in de minderheid is, tracht men veeleer zulk een vrijheid te belem'meren.

De ervaring der geografische wijkkerken kan daarvan sprekende voorbeelden geven. Men heeft echter geen bezwaar minderheden in Hervormd-gereformeerde gemeenten naast en tegenover de legitieme kerkeraad zelfstandige kerkelijke rechten te geven.

Zijn dan de tegenstellingen tussen de , , nieuwe" en de , , oude" theologie zó groot, dat men in feite het bekende woord van Luther zou kunnen, toepassen: , , Gij zijt van andere geest? " .

Of is het misschien ook zó, dat de nieuwe theologie, laat mij zeggen de theologie van Barth, niet zozeer fundamenteel van die van Calvijn b.v. verschilt, doch dat de nieuwe-koers-geest, die Barth gaarne noemt, zelf zo afwijzend tegenover de gereformeerde theologie staat?

Wijl hebben in een reeks artikelen gewezen op enkele tegenstellingen en verschilpunten in de opvattingen van Barth en de gereformeerde belijidenis.

Wellicht kan het aanbeveling verdienen de zoeven opgeworpen vragen nader te bekijken om daarop een antwoord te vinden.

Allereerst dan de vraag, of de theologie van Barth zo fundamenteel verschilt van de reformatorische theologie, met name van die. van Calvijn.

Wij vonden, dat volgens Barth Jezus Christus het vleesgeworden Woord het enige waarachtige Woord Gods is en dat buiten de kennis van deze Jezus Christus geen Godskennis - en derhalve ook geen kennis der zonde — mogelijk is.

Met andere woorden, zoals Barth het ook zeg't: Geen kennis van God of van de zonde, die voorafgaat aan de kennis van Jezus Christus.

Nu Calvijn.

Zeer nadrukkelijk leert Calvijn een tweevoudige kennis van God, n.l. die van God de Schepper en die van God de Verlosser. Wie zich daarvan overtuigen wil, sla de , , Onderwijzing in de Christelijke religie" op en leze het eerste boek, hoofdstuk II, daarvan de eerste paragraaf.

Over de kennis van de Wet, welke ons aan ons zelf ontdekkend uitdrijft naar Christus, hebben wij in het voorafgaande reeds gesproken.

Welnu, Barth wil noch van de ene, noch van de andere kennis, als aan die van Christus voorafgaande, weten.

Zou dat nu zoveel uitmaken, of men die tweevoudige kennis met Calvijn aanneemt, of met Barth meegaat en de Godsopenbaring beperkt tot die van het vleesgeworden Woord ?

Dat ligt er aan. Als wij hier met een eigenwillige gedachte van Calvijn aan de ene kant, of van Barth aan de andere kant van doen hebben, zodat de eerste de Godsopenbaring willekeurig zou uitbreiden, en de laatste omgekeerd de openbaring zou beperken, zou dit zeer ernstig zijn, omdat de mens over God en Zijn openbaring geen zeggenschap of heerschappij heeft.

Dat is derhalve wel van belang!

Luister, hoe Calvijn spreekt: Wijl dus de Heere zich eerst enkel als Schepper, zowel in de formering der wereld, als ook in de algemene leer der Schrift, en vervolgens in het aanschijn van Christus als Verlosser vertoont, vloeit hieruit voort een tweevoudige kennis van God. (t.a.p. Boek I, 2, 1. Vert. Sizoo, I, blz. 5).

Vervolgens gaat Calvijn in Hoofdstuk III nader in op de kennis van God de Schepper en wijst er op, dat er in de mens een zeker besef is van de godheid en dat wel door een , .natuurlijke ingeving" ; opdat niemand zijn toevlucht zou nemen tot onwetendheid, heeft God Zelf in allen een zeker begrip Zijner Godheid gelegd, en de herinnering daaraan gestadig vernieuwend, doet Hij herhaaldelijk nieuwe droppelen indruppen, opdat, daar allen zonder uitzondering inzien, dat er een God is en dat die hun Schepper is, zij door hun eigen getuigenis zouden worden geoordeeld".

Tot zover. Dit beantwoordt derhalve geheel aan wat wij van Paulus lezen in Rom. 1 : 18 v. v. Wij hebben daarop reeds gewezen.

En, zoals wij kunnen zien, gebruikt Calvijn de woorden , , natuurlijke ingeving", maar ziet daarbij op een daad Gods, een daad van God zelf, en zelfs zodanig, dat niet slechts een enkele ingeving, maar een gestadige vernieuwing van dat besef plaats vindt.

Calvijn wijst dus heel duidelijk op een openbarende daad Gods, als hij het over die algemene Godskennis heeft.

Terioops moge ik er de aarndacht op vestigen, dat het ook Calvijn niet ontgaan is, dat aan deze algemene openbaring een rechterlijke functie wordt toegeschreven : , , opdat zij door hun eigen getuigenis zouden worden veroordeeld". Denk aan het: opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn, van Rom. 1 : 18 v.v.

Wat Barth daar nu eigenlijk tégen heeft ?

Vooreerst is hij van mening, dat de reformatoren (met name ook Calvijn) niet gezien hebben, wat hij ontdekt heeft, althans naar zulk een inzicht niet gehandeld hebben, bij de vaststelling van de maatstaf voor de beoordeling van de mens, n.l. de Wet Gods. Hij is van mening, dat de reformatoren op dit punt hebben gefaald en zijn voorbijgegaan aan de , , bijbelse substantie en het bijbels centrum", zoals Barth zich uitdrukt. Hiji bedoelt met deze uitdrukking : het genadeverbond van het Oude en de vervulling daarvan in het Nieuwe Testament: de Persoon en het werk van Jezus Christus.

Een en ander uit de aard der zaak naar de opvatting en interpretatie, welke Barth daaraan geeft.

Bij de beoordeling van de mens, zo wil Barth, moet men van deze , .bijbelse substantie" uitgaan, derhalve van de vervulling van het genade-verbond door de Persoon en het werk van Jezus Christus en alzo niet van de Wet Gods, zoals de reformatoren doen.

Men zal zich herinneren, hoe Barth deze zaak stelt. Kennis der zonde is een deel van de Godskennis door de kennis van Jezus Christus, d.i. kennis der zonde in Gods hand, of met andere woorden : kennis der zonde als zonde, die vergeven is.

Zij, die eenzelfde geloof als de reformatoren deelachtig zijn en leven in gemeenschap met het geloof der vaderen, zullen verstaan, dat zij, indien deze Barthiaanse , , ontdekking" en de toepassing daarvan in hun dagen gepredikt ware, — en het gaat vooral om die toepassing, méér dan om die ontdekking, — deze van de hand zouden gewezen hebben op grond van hun geloof.

Het is de reformatoren waarlijk niet voorbij gegaan, dat de ganse Schrift getuigt van Jezus Christus. Ook het genade-verbond en zijn vervulling in en door het werk van Christus Jezus is van centrale betekenis in de theologie der vaderen. Dat zal Barth ook niet ontkennen, maar de tegenstelling ligt ergens anders. Ook b.v. in de beoordeling van Gods Wet, en dit vindt weer zijn oorzaak in een verschillende opvatting der Godsopenbaring, zoals wij gezien hebben.

Alle spreken over God buiten de kennis van Jezus Christus, het vleesgeworden Woord, wil Barth uit de mens verklaren. Hij houdt dat voor willekeur en rationalisme.

En nu koestert hij de gedachte, en hij wil die ons ook opdringen, dat de reformatoren een verkeerde methode hebben gevolgd, en dat zij door hun leer van een algemene Openbaring een vals moment in hun theologie hebben ingedragen, waaruit de rationalistische ontwikkeling der theologie in de volgende eeuwen is ontstaan. (Vgl. K. D. IV, 1, blz. 406).

Wij zijn van oordeel, dat Barth zich op dit punt schromelijk vergist en tegelijkertijd de reformatoren onrecht doet en de historie naar zijn kant trekt.

Barth schijnt ook zichzelf te weerspreken, als hij opmerkt, dat de theologie der reformatoren werd bewaard voor het door hem gevreesde gevaar van rationialisering, omdat zij direct of indirect zo dicht bij de Schrift en derhalve bij het , , bijbels materiaal" bleven. (Vgl. t.a.p., blz. 404).

Barth drukt zich hier wat minder juist uit, als hij spreekt over de theologie der reformatoren. Alle theologie, ook die van Barth, kan rationalistisch worden verstaan en verrationaliseerd worden. Maar het geloof der reformatoren leefde zo direct bij de Schrift en uit wat hij noemt het „Bijbels materiaal", dat zij zich ook niet zouden hebben laten aanleunen, een maatstaf ter beoordeling van de mens willekeurig te hebben , , vastgesteld", maar zouden hebben geantwoord door Woord en Geest er van overtuigd te zijn, dat God Zijn Wet als zodanig geopenbaard en aangewezen heeft.

Geloof is wat anders dan theologiseren.

Nu komt Barth eerst tot zijn eigenlijk bezwaar. Het reformatorisch Schriftgeloof, het geloofsgegeven; de Heilige Schrift Gods Woord, zoals dat ook in de gereformeerde belijdenis is uitgedrukt. Dat ligt tussen de reformatoren en Barth.

Hij wil betogen, dat dit geloof rationalisme in zich sluit. En om dat te betogen, grijpt hij op uitdrukkingen van Calvijn e.a., die aan zulk een gedachte voet schijnen te geven.

Om een voorbeeld te noemen : Calvijn spreekt van de kennis Gods , , van nature ingeplant", van , , natuurlijke ingeving" en dergelijke meer.

Het is waar, dat woord natuur is van heidense oorsprong en wij gebruiken het veel in een zin, die ongezuiverd heidens is.

Doch vast staat, dat Calvijn het woord , , natuur" en , , natuurlijk" in de genoemde passages in gekerstende zin gebruikt. Hij gebruikt het woord ook in het meervoud, b.v. Onderwijzing, I, 5, 6 (Vert. Sizoo, I, blz. 24), waar het 'klaar en duidelijk schepselen betekent en ook betekenen moet.

Boven hebben wij voorts aangetoond, dat , , van nature ingeplant", , , ingegrift" en , , aangeboren" of , , ingeboren", de openbarende daad Gods niet uitsluit, maar mede insluit.

Van een natuurlijke Godskennis in rationalistische zin is bij Calvijn dus geen sprake.

Maar, zoals wij hebben opgemerkt, heel de leer der Godsopenbaring en de waardering der Heilige Schrift bij Barth is een andere.

Hierover een volgende keer verder.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DWALING OF MISVERSTAND?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's