De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FRIEDRICH ADOLPH LAMPE II

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FRIEDRICH ADOLPH LAMPE II

10 minuten leestijd

Als we de vorige maal het conflict tussen Lampe en de , , geest" van zijn tijd tekenden, dan begrijpen we, dat hij al heel sterk gekend heeft, wat ons tegenwoordig zo nieuw lijkt, n.l. het probleem van de buitenkerkelijke mens. De spot, die we tegen hem horen klinken, bewijst, dat sommigen (velen), hoewel ze zeker nog als belijdende lidmaten van de Gereformeerde Kerk te boek staan, innerlijk helemaal los zijn komen te staan, niet alleen van Lampe en diens wijze van evangelieverkondiging, maar stellig ook van het Evangelie zelf.

Maar we moeten er meteen aan toevoegen, dat de onkerkelijkheid (ongeestelijkheid) die we in Lampe's tijd zich al driester zien openbaren, nog veel ouder zijn dan het begin van de 18e eeuw. Onder ons leeft wel de gedachte, alsof ons volk van huis uit toch wel een geestelijk levend, laat ons zeggen : een gereformeerd volk zou hebben mogen heten en dat pas later een andere geest over dit volk vaardig werd.

Dat is niet zo. Het lijkt er zelfs heel niet op. Van huis uit is ons volk sterk humanistisch gezind, d.w.z. dat het de mens zo kwaad niet vindt. Daarmee is al gegeven, dat men ten diepste de boodschap van de Kerk van Christus niet verstaat. En als men dan toch wel in die Kerk wordt opgenomen, o.a. omdat het een Staatskerk is en men geen belangrijk ambt mag bekleden, als men niet tot haar behoort, dan brengt dat mee, dat de kerkelijke belangstelling slap en oneerlijk is, zo uiterlijk als innerlijk. Ons volk als geheel is zo wel nooit een vurig kerklievend en preeklievend volk geweest.

De eerste predikanten na de Hervorming hebben het heel moeilijk gehad. Het grootste deel van hun gemeente was nog rooms en wenste dat te blijven.

, , Ondergedoken" priesters deden al hun best, het daarin te stijven. Men kwam gedwongen ter kerk en bleef zoveel mogelijk weg. Als er, door bestendige arbeid van de pioniers, toch zekere gemeentevorming tot stand komt, wordt de kerkgang wel wat beter, maar dan zijn het de , , rekkelijken" (tevens meest de aanzienlijken) die zich zoveel mogelijk onttrekken. In de gouden eeuw is het wel wat beter geweest, maar we moeten ons niet verkijken op de , , beroemder" mannen als Van Lodenstein, Koelinan, later Smytegelt, die volle kerken hadden. Want de minder beroemde collega's hebben het veel minder gehad. Het zou zeer interessant zijn, uit de klachten over trage kerkgang, zoals die in de gedrukte preken weerklinken, te concluderen tot de stand van zaken over het hele front.

De , , buitenkerkelijken" zijn er dus van den beginne geweest en zijn enkel maar toegenomen. Heel de Nadere Reformatie, moet worden verstaan tegen deze achtergrond en daarom ook was ze zo ijverig in het predikambt en de catechese, omdat ze daarmee dit zo klaarblijkelijke kwaad wilde 'bestrijden. Dat dit haar gelukt is, zullen we niet kunnen zeggen, maar we moeten ons wèl afvragen wat er van de Gereformeerde Kerk en dus van onze Hervormde Kerk zou zijn terecht gekomen, wanneer deze zorg van de Nadere Reformatie had ontbroken! Uit deze stand van zaken wordt ons ook nog weer duidelijker, dat de Nadere Reformatie er daarom van af het begin van de Hervorming is geweest en dat ze niet maar een late verschijning is, als na een bloeiperiode een tijd van inzinking begint. Die „bloei" moeten we ons heel bescheiden voorstellen, de inzinking was vanaf het begin aan de orde en gaf handen vol werk en zorg. De Nadere Reformatie strijdt daarom ook niet tegen een overschatting van de leer tegenover het leven, maar ze heeft te worstelen met een tegenzin, gericht tegen leer en leven beide.

Daarmee begrijpen we nu ook weer, dat dus de middelen om die gesignaleerde buitenkerkelijkheid te bestrijden, in onze Kerk niet licht nieuw kunnen heten. Reeds Van Lodenstein had oog voor bepaalde middelen in bepaalde omstandigheden en wenste aparte predikanten voor de dienst in het leger en in de zending. Binnenkort hopen we te spreken over Jacobus Fruytier en zullen dan opmerken, dat hij zo'n extra zorg toont voor de jeugd, blijkbaar uit bepaalde noodzaak.

In het algemeen heeft de Nadere Reformatie deze kwaal der buiten- en onkerkelijkheid alleen met geestelijke, kerkelijke pastorale middelen willen bestrijden. Men legde zich met heel het hart op de pastorale verzorging van de gemeente toe en heeft o.i. daarmee menigeen tenslotte gewonnen. Het wil ons lijken, dat onze gemeenten in deze tijd nóg alleen daarmee gediend zijn. De neiging tot buitennissigheden, om de vervreemde daarmee te lokken, lijkt ons begrijpelijk, maar ten enenmale er naast. Begrijpelijk, immers men meent, dat andere stromingen andere bakens vereisen. Dat is echter niet het geval, wanneer de oude bakens niet zijn afgekeurd, omdat ze niet bruikbaar bleken, maar omdat men ze ongezien verwierp. Het huisbezoek, een van de wapenen van de Nadere Reformatie, is van overlang in onbruik gekomen en schadelijk en schandelijk verwaarloosd. Een , , buitenkerkelijke", die werkelijk tot de onrust tot God komt, vraagt geen toneelopvoeringen, films of preken, die geen preek meer zijn, maar om- een eerlijk, warm geestelijk gesprek van hart tot hart. De ongeestelijke, onkerkelijke metho­den, die men voor de arbeid onder de vervreemden gebruikt, lijken ons dat aangeduide nog weer verder stuk te maken. We maken daarmee van het huisbezoek en pastoraal gesprek geen panacee en geen sleutel, die op alle sloten past, maar menen, dat men het niet licht overschatten kan. De gemeenten kennen hun herder niet, noch hij hen, zonder dit contact, dat zo vanzelf moest spreken en toch zo moet bepleit en aangemoedigd worden.

Ook Lampe heeft, begrijpelijk, zijn actie tegen de onkerkelijken van zijn tijd op deze positieve wijze gevoerd, en dat blijft hem een eer. Hij heeft geweigerd, water in de wijn te doen en bleef voet bij stuk houden. Voor hem was geloof en bekering iets geestelijks, dat daarom ook alleen op geestelijke wijze mocht worden behandeld. Wat we dan wèl betreuren, omdat het o.i. zijn bedoelingen in de weg stond, is, dat hij de door ons al besproken tale Kanaans op zo'n wijze gebruikte, dat de van het Evangelie vervreemden daardoor kunnen zijn verhinderd die te horen. Dat is een tragisch gebeuren. Dan beklaagt zich dominee en kerkeraad, dat , , de mensen" tegenwoordig niet meer naar het Woord van God willen luisteren.

Maar dan zeggen verscheidenen in de gemeente, dat juist de preekmethode, de taal en de beelden, hen verhinderen tot dat verstaan van Wet en Evangelie te komen. Wij in onze kring kennen de klacht allemaal en moeten niet te gemakkelijk onze handen in onschuld wassen. Het komt onder ons nog te veel voor, dat men preekt in een taal en beelden van enkele eeuwen geleden, die, in het licht der Schrift, toch zeker geen heilige taal mag heten. Als onze jeugd dat niet meer verstaat en velen van onze ouderen evenmin, is het méér dan tijd, die verkondiging van Gods eeuwige Waarheid te doen geschieden in taal en beelden, die haar meer doen spreken tot hart en hoofd van de kinderen van onze eeuw. Dat heeft de Nadere Reformatie in het algemeen ook gedaan : haar prediking is meest zeer bewogen en fris en levend. Maar in de natijd, waartoe we dan ook zeker Lampe rekenen, is er een verstarring opgetreden, die zowel aan heel Gods Kerk als aan de gereformeerde groep grote schade berokkent. Wanneer we b.v. Calvijn's levendige preektrant, met heel weinig geijkte termen, en gesteld in een taal, zoals het gewone volk die sprak, vergelijken met de preektrant en preekstijl van de 18de eeuwse mannen van de Nadere Reformatie, is het verschil wel héél groot. En dan begrijpen we, dat men dus heel wel goed en klassiek gereformeerd kan zijn, zonder een preektaal te gebruiken, die aan het heel eenvoudige leven van het volk vervreemd is. Tot goed begrip zij er nog bij gezegd, dat juist door zijn levende stijl Calvijn er zo wonderwel in slaagte het eeuwige Evangelie te verkondigen.

Wij hebben dus nogal eenige critiek op Lampe. Maar het ontgaat ons niet, dat hij het erg moeilijk gehad heeft. Hij zag met verdriet, nog veel feller dan Van Lodenstein en de Labadie het hadden onderkend een 50 jaar geleden, het probleem van volkskerk en ontkerkelijking. Hij wilde dat positief bestrijden, alweer in de lijn van de genoemden, dus door dat kerkvolk met God en Zijn Woord en zaak te confronteren en ze te betuigen, toch Hem te dienen. Hij zag redelijkheid en veruiterlijking en meende die alleen te kunnen bestrijden door daar vlak tegenin een mystieke verinnerlijking te stellen.

We moeten hem daar dank voor weten, want hij kon en mocht niet anders. Maar we moeten vermoeden , dat, wanneer hij meer tact en soepelheid had gebruikt, en deze arme mensen, zoveel dat kon, in de taal en beelden van hun lege leven had aangesproken (wat óók een tale Kanaans zou mogen heten !), de uitslag althans een weinig minder negatief had kunnen zijn geweest, dan we nu moeten waarnemen.

We moeten dit onderwerp, waarop we al even voortborduurden, nu verder voorlopig laten rusten. Misschien brengt het er ons nog eens toe, te laten horen, hoe Calvijn, die in Geneve ook een front van onkerkelijkheid tegenover zich zag, de strijd op dat front streed. Zijn wapenen lijken ons beter gekozen dan die van Lampe, al zullen we niet ijdel van victorie roepen, want ook over Calvijn's werk in Geneve is de nacht gedaald.

We delen tenslotte nog iets naders over Lampe's leven mee. Zoals we reeds meedeelden, is hij niet oud geworden: maar 46 jaar. Van zijn studie zeiden we al iets, maar nog niet, dat hij in Franeker, de Friese Academie, studeerde en daar het contact met de denkbeelden van Coccejus bestendigde en dat met die van Descartes opnam. Franeker was immers een brandpunt van die beide richtingen. Ook door het Labadisme is Lampe beïnvloed en dat doet ons voelen, dat hij een geweten had. Het moet daardoor wel meteen in het oog vallen, dat juist dat drietal, dat we tot nu toe bespraken en dat sterke indrukken van de Labadie ontving, n.l. Witsius, á Brakel en Lampe, de Verbondsgedachte zoveel nadruk heeft gegeven. Daarmee hebben ze een tegenwicht willen geven tegen de al te sterke nadruk, die de Labadie op het persoonlijk geloof en de Verkiezing legt, waardoor de enkeling veel te sterk wordt losgemaakt uit de levensverbanden van Verbond en Kerk, waarin de Heere hem juist plaatst. Lampe betekent in die nadruk op het genadeverbond een hoogtepunt, maar dan zó'n hoogtepunt, waarop een inzinking spoedig volgt. Als we na hem onze aandacht gaan geven aan Verschuir, Schortinghuis. Van der Groe, zullen we zien, dat daar de betekenis van het Verbond der genade veel minder wordt gewaardeerd en de enkeling weer veel sterker naar voren wordt gebracht. Dat tekent een toenemend wanhopen aan de Kerk en haar gemeenschap, en heeft dus maar al te veel grond in een droeve kerkelijke situatie. Intussen wekt ook deze vereenzijdiging weer een gewenste reactie : de Afscheiding, in sterke mate een nieuwe openbaring van de Nadere Reformatie, heeft het Verbond der genade weer met kracht en vreugde beleden en met iets van deze geest en meer van een andere, vinden we het dan bij Kuyper terug. In de Gereformeerde gemeenten ca. reageert men dan daar weer op en onze gemeenten weten daar heel wat van. Het is intussen toch zeker in de lijn van de Nadere Reformatie, dat Verbond der genade niet te verschralen, te vergeestelijken of te vernauwen, maar er die ruimte aan te laten, die God er in Zijn genade aan gaf.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

FRIEDRICH ADOLPH LAMPE II

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's