De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET „SCHRIFTPRINCIPE" DER REFORMATOREN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET „SCHRIFTPRINCIPE" DER REFORMATOREN

10 minuten leestijd

De „heerschappij van het Schriftprincipe", zoals Barth het uitdrukt, heeft de reformatoren niet alleen bewaard voor het door Barth gevreesde gevaar, maar heeft ze ook nog in staat gesteld wat recht en belangrijk mag heten aan het licht te brengen. (K. D. IV. 1. blz. 405). Dat ondanks hun verkeerde methode, althans naar het oordeel van Barth.

Naar aanleiding van deze opmerking citeert hij Calvijn o.a. uit Inst. I. 1. 2-3, (Vert. Sizoo I, blz. 2 v.), waar Calvijn opmerkt, dat een mens nooit tot zuivere zelfkennis komt, tenzij hij eerst Gods aangezicht heeft aanschouwd. Voorts tekent hij de hovaardij en leugenachtigheid van onze natuur, welke daarin uitkomt, dat wij ons zelf voor rechtvaardig houden, zolang wij op ons zelf zien en niet op de Heere, die het enige richtsnoer is. , , Alleen Gods licht kan onze ogen openen, opdat ze de in ons vlees verborgen afschuwelijkheid kunnen zien".

Klaarblijkelijk getroffen door deze passage en met Calvijn instemmend met name, wat betreft de zinsnede : „Alleen Gods licht kan onze ogen openen, enz., spreekt Barth uit, dat Calvijn niet op de gedachte schijnt gekomen te zijn, dat dit licht Gods slechts eigenlijk en beslissend in de confrontering met God in de gekruisigde en opgestane Jezus Christus vermag te schijnen en deze ontdekking zich kan voltrekken.

Uit deze opmerking en wat Barth daaraan toevoegt op blz. 406, kan blijken, dat Barth geen ernst wenst te maken met het reformatorisch Schriftgeloof, hoewel hij daarvan eigenlijk geen kwaad kan zeggen.

Hij spreekt van een , , Schriftprincipe" dat in ieder geval dan toch de reformatoren heel dicht heeft gehouden bij het centrale der „bijbelse substantie." en zolang men daaraan getrouw bleef, viel men niet in het gevaar, dat Barth er in wil zien, maar kwam men ook niet tot het eigenlijke, het door Barth bedoelde , , principe" en zijn methode.

Om het nog eens te herhalen : Volgens Barth is de kennis der zonde niet uit de wet, gelijk ook de catechismus leert (vgl. zondag II), maar, zoals in voorafgaande artikelen uitvoerig is behandeld, in de kennis van Jezus Christus. En nu schijnt Barth zich er over te verwonderen, dat de Reformatoren desondanks zo dicht bij de centrale betekenis van Christus, het vleesgeworden Woord zijn gebleven.

En dat verschijnsel verklaart hij uit het , , Schriftprincipe", waarvan zij uitgingen.

Juist dat woord , , Schriftprincipe" verraadt, dat Barth het niet eens is met het reformatorisch Schriftgeloof, hetwelk de Heilige Schrift ontvangt als Gods Woord. Zoals reeds eerder werd opgemerkt, het reformatorisch openbaringsgeloof en het daarmede saamhangende Schriftgeloof, zoals wij dat belijden in Art. 1—7 van onze Nederlandse geloofsbelijdenis, staat tussen Barth en de reformatoren.

Men zal zich herinneren, dat Barth beducht is voor , , zelfstandige" openbaringsbronnen en openbaringen buiten Jezus Christus, het vleesgeworden Woord. Dit is dan het gevaar, dat hij vreest van wat hij noemt , , Schriftprincipe", dat de Bijbel op zich zelf als een boek van openbaringen wordt opgevat. Vervolgens dat men daaraan, laat mij zeggen, geopenbaarde dingen, , , openbaringswaarheden", om met Barth te spreken, ontleent, welke men in de data van de alledaagse ervaring en van het denken mengt en erover beschikt.

Wij gaan daarop nu niet opnieuw uitvoerig in, maar dit past geheel en al in het verzet van Barth tegen de leer ener algemene openbaring, terwijl het één zowel als het ander opkomt uit zijn reactie tegen het wijsgerig idealisme van de 19e eeuw.

Barth zet zich daartegen af en treft in zijn ijver niet alleen het intellectualisme en de daaraan gepaard gaande hoogmoed van een vermetel voorgeslacht, maar ook de, innerlijkheid der religie, het , , ingekeerde leven", zoals dat ook genoemd wordt, het bevindelijke leven, gelijk het in onze kring heet.

Daarom kan hij het geloof der reformatorische vaderen niet waarderen, hoewel hij zich er over verwondert, dat zij zo dicht bij het , , centrale", d.i. Christus Jezus, leven.

Hoe zou het anders kunnen?

Het geloof toch komt op uit de gemeenschap met de God der Schriften in Christus Jezus.

Geen , , geopenbaarde waarheden", zoals het reformatorisch , , Schriftprincipe" meebrengt, zegt Barth. Dit geeft maar aanleiding tot rationalisme.

Het gevolg is, dat Barth een distantie, een afstand zet tussen de Heilige Schrift en Gods Woord. Jezus, Christus, het enige en waarachtige Woord Gods, en ook de enige openbaring Gods. Geen Godskennis dan alleen door middel van de kennis van de Gekruiste en Opgestane.

En de Schrift dan ?

Wat wij in de Schrift hebben, is menselijk getuigenis omtrent Hem, vooral menselijk getuigenis, menselijk feilbaar en dus min of meer getrouw en betrouwbaar.

Dat is de consequentie.

Hoe wij dan tot kennis van Jezus Christus komen kunnen?

Men kan begrijpen, dat hier in de grond der zaak slechts één antwoord is: Het moet vanuit die Christus, die het enige èn waarachtige Woord is, komen. God zelf moet Zijn Woord spreken en dat Godswoord verschijnt onder verschillende gestalten, b.v. in de Schrift en in de prediking. Goed verstaan : niet de Heilige Schrift is Gods Woord, en nog veel minder : de prediking is Gods Woord, maar God kan de Schrift, God kan het gepredikte woord tot Zijn Woord maken.

Wij kunnen nooit beschikken over , , geopenbaarde waarheden", maar wij kunnen door het Schriftgetuigenis of door de „verkondiging" door God „aangesproken" worden. Spreek echter niet over bevinding, over iets, dat geloofservaring, geloofsbezit kan worden genoemd, want dat is afgoderij en rationalisme.

Hoe Barth dan zoveel dikke boeken over theologie kan schrijven ? En of daarmede het redewezen niets heeft uit te staan?

Zeer begrijpelijk, dat iemand zulke vragen doet.

En daarop is ook wel een antwoord. Wij willen niet zeggen, dat ook hier de natuur boven de leer gaat, want deze spreekwijze past hier niet helemaal. Het is echter wel zó, dat Barth zoveel dikke boeken niet zou geschreven hebben, als hij met zijn grondstelling op zich zelf aangewezen was en indien er in de wereld niet zo heel veel over de kennis van God geschreven ware.

Want onderstel, dat hij gelijk had en God zich alleen in het vleesgeworden Woord geopenbaard had, — onderstel verder, dat wij in de Heilige Schrift slechts een menselijk getuigenis hadden omtrent die Godsopenbaring in Jezus Christus, zou dan de Kerk zich alleen met dat menselijk getuigenis bezig houden, en niet verder kunnen komen dan een getuigenis aangaande de openbaring, zonder In die openbaring zelf betrokken te worden ?

Dan zouden wij het alleen moeten doen met een weinigje glans, dat door dat getuigenis heen schijnt als door een transparant. En wat zouden dan rede en verbeelding vrij spel hebben omtrent de Waarheid Gods.

Wij werden zo straks bepaald bij het woord van Calvijn : , , alleen Gods licht kan onze ogen openen". Het is dus nodig dat onze ogen geopend worden door een daad Gods, m.a.w. door een direkte betrekking, waarin God met ons wil treden.

Haastig brengt iemand in het midden, dat juist dit grote genadegebeuren in het vleesgeworden Woord is geschied. Dat geloven wij ook. Immanuël is Zijn Naam, God met ons.

Maar, hoe krijg ik persoonlijk deel aan Christus en aan al Zijn weldaden? Aan Zijn gerechtigheid, genade en hemelse heerlijkheid ?

Een andere vraag, wat helpt mij een menselijk getuigenis omtrent de Christus, Zijn lijden, sterven en opstanding, indien Hij zelf in dat getuigenis niet getuigt ?

Barth stemt dit, zoals wij gezien hebben, in zekere zin toe en misschien zelfs wel geheel, als hij zegt, dat een uitspraak der Schrift of in de prediking, voor ons Gods Woord kan worden.

Maar wat moeten wij dan met zijn bezwaar tegen de belijdenis der reformatoren, die de Heilige Schrift, zoals deze daar ligt, ontvangen als Gods getuigenis ? En daarom ook de Wet ontvangen als Gods getuigenis ?

Volgens die belijdenis heeft de Kerk derhalve Gods Woord en heeft de Kerk daarin geopenbaarde Waarheid Gods, hemelse Waarheid, welke God zelf in de gestalte van, menselijke taal heeft gegeven.

Precies, wat Barth niet beleden wil hébben.

De opvatting van Barth kan bovendien op geen wijze in overeenstemming worden gebracht met het onderwijs van de Heere Jezus aan Zijn discipelen.

Ten eerste reeds is die opvatting in strijd met het gebruik, dat Christus zelf maakt van de Schrift, zoals Hij het Oude Testament tezamen vat als één geheel. Wij denken aan de verzoeking in de woestijn : , , Er staat geschreven" en aan de twistgesprekken met de Schriftgeleerden en Sadduceërs. (Vgl. Matth. 4 : 4, 7 ; Lukas 20 : 37, .41—44 en overeenkomende plaatsen).

En dan ook wat de Heere zegt in Johannes 17:6 v.v. : Ik heb Uwe Naam geopenbaard den mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt Zij hebben Uw woord bewaard Want die woorden, die Gij Mij gegeven hebt, héb Ik hun gegeven, en zij hebben ze ontvangen en zij, hebben waarlijk bekend, dat Ik van U uitgegaan ben, en hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt Ik heb hun Uw woord gegeven, (vs. 14).

Vergelijken wij nu met deze woorden van de Heere Jezus, Christus, wat Hij tevoren van de Heilige Geest heeft gezegd. (Joh. 14 : 10). De woorden, die Ik tot u spreek, spreek Ik van Mijzelven niet, maar de Vader, die in Mij blijft, dezelve doet de werken. Dan in VS. 26 : Maar de Trooster, de Heilige Geest, welke de Vader zenden zal in Mijn Naam, die zal u alles leren en indachtig maken, wat Ik u gezegd heb. Maar, wanneer de Trooster zal gekomen zijn, die Ik u zenden zal van de Vader, n.l. de Geest der Waarheid, die van de Vader uitgaat, die zal van Mij getuigen. (Joh. 15 : 26). Er ware nog meer te noemen, b.v. hoofdst. 16 : 13 v.v., doch duidelijk kan zijn, dat Christus spreekt van een Woord des Vaders, dat Hij Zijn discipelen en door hen aan Zijn Kerk heeft gegeven. Vervolgens, dat de Heilige Geest leert en indachtig maakt wat Christus gezegd heeft, n.l. tot Zijn discipelen.

Er is derhalve een gegeven Woord Gods en een Leermeester van dat Woord, de Heilige Geest.

Niet zonder recht handelt Calvijn dus over Gods Woord, waardoor God ons bij de zuivere kennis houdt. (Inst. I, VI, vert. Sizoo, I, blz. 37).'

En wie zal met recht weerspreken, wat hij verder opmerkt: Dit moet dus onveranderlijk vastgesteld blijven, dat zij, die door de Heilige Geest innerlijk onderwezen zijn, volkomen rust vinden bij de. Schrift, en dat deze haar geloofwaardigheid in zich zelf heeft, en niet onderworpen mag worden aan bewijsvoering en redenering, en dat zij niettemin de zekerheid, die zij bij ons verdient te hebben, door het getuigenis des •Geestes verkrijgt.

Verder: dat de Schrift door de dienst van mensen, van Gods eigen mond zelf tot ons gekomen is. (Inst. I, VII, 5. Vert. Sizoo I, blz. 48 en 49).

Voor het reformatorisch geloof — en dat is toch het geloof der Kerk — is de Heilige Schrift geen menselijk getuigenis over de Godsopenbaring, maar goddelijk getuigenis, door de dienst der mensen.

Calvijn is er zich klaar van bewust geweest, dat den ongelovigen niet kan bewezen worden, dat de Schrift het Woord Gods is, want dit kan niet gekend worden, tenzij dan door het geloof. (Inst.J, 8, 13. Vert. Sizoo I, blz. 63).

Aangezien dit reformatorisch Schriftgleloof niet alleen door Barth, maar in niet mindere mate wordt aangevallen door de schriftcritiek, kan het zijn nut hebben op een en ander nog nader in te gaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HET „SCHRIFTPRINCIPE" DER REFORMATOREN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's