De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JOHANNES VERSCHUIR I

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JOHANNES VERSCHUIR I

10 minuten leestijd

Dat we Verschuir na Lampe bespreken, heeft goede zin. Ze zijn in verscheiden opzichten verwant, al is de omgeving van Verschuir wel een zeer verschillende. Wat die twee verbindt, is allereerst de nadruk op de , , bevinding'", op de innerlijkheid en de gevoeligheid. Ook de , , tale Kanaans" behoort daarbij genoemd te worden.

Op een ander gebied is de overeenstemming ook heel frappant, maar tegelijk ook wel een probleem. We zagen bij Lampe, dat hij, ondanks zijn nadruk op hart en mystiek, toch de rede, dus het denken grote aandacht geeft en zo de „natuurlijke theologie" erg vergaand waardeert. Iets en veel van dat ons nogal raadselachtige vinden we terug bij Verschuir, de auteur van Waarheid in het binnenste, die echter nochtans ons getekend wordt als een zeer bekwaam wiskundige.(!) Dat zouden we zo niet verwacht hebben en het doet vermoeden, dat Verschuir hoofd en hart, tijd en eeuwigheid dan wel zeer sterk heeft weten te scheiden en toch te verenen.

Het gerucht gaat, dat Verschuir zelfs zó in deze wetenschap zou hebben uitgeblonken, dat hem een hoogleraarskatheder zou zijn aangeboden aan de — Roomse! — universiteit van Parijs. Het is blijkbaar maar een gerucht, maar het moet in alle geval zijn ontstaan te danken hebben aan ongewone gaven in dezen bij Verschuir.

Iets nieuws vinden we bij Verschuir, als we letten op zijn omgeving, d.w.z. Groningen. In onze tijd heeft de Geref. Bond in Groningen maar zeer weinig geestverwanten en bij ons weten niet één gemeente, die helemaal bij ons hoort. Dat is niet van gisteren of eergisteren, maar vanouds heeft Groningen voor de gereformeerde beginselen weinig hart gehad. De dusgenaamde Groninger richting uit de vorige eeuw wilde zich graag aansluiten bij nobele figuren in het eigen land, b.v. Wessel Gansfort en Thomas van Kempen. Maar deze zo vriendelijke aansluiting naar die kant betekende meteen een onvriendelijk afwijzen van belijnder gereformeerde gedachten.

Het komt met deze gesteldheid wel overeen, dat we tot nu toe geen enkele figuur uit de Nadere Reformatie hebben aangetroffen, die in Groningen woonde. Met de Teellinck's begonnen we in Zeeland ; met Voetius en Van Lodenstein kwamen we tot Utrecht als centrum, maar Groningen noemden we in deze samenhang nauwelijks. Toch wel even : we hebben immers van Jacobus Koelman, als hij als rondtrekkend prediker zich schadeloos stelt wegens het hem ontroofde predikantschap te Sluis, verteld en althans kunnen vertellen, dat hij ook in Groningen preekte en conventikels hield. Dat zou de weg voor Verschuir wel eens kunnen gebaand hebben. De oudheid weet te verhalen van de kostelijke lotus, zó heerlijk, dat, wie ze eenmaal geproefd had, er altijd naar terugverlangde. De klassieke, echte gereformeerde waarheid gaat die lotus ver te boven. Wie er eenmaal de smaak en kracht van leerde kennen, kan er niet meer buiten. Dat heeft de Gereformeerde Kerk vóór en in Dordt levend beleden in het stuk van de volharding der heiligen.

In alle geval, hoe het ook met de pioniers in dezen gesteld zij, is er ook in Groningen een tijd lang een vraag geweest naar een prediking, pastoraat en gemeenteleven, overeenkomstig de idealen van de Nadere Reformatie. In dat kader ontmoeten we na de al genoemde Koelman de figuren van Verschuir, Tjaden en Schortinghuis, die we in de komende weken hopen te bespreken.

Daarna is het vuur gaan glimmen en gaan rusten onder de as, totdat in de Afscheiding, die immers in Ulrum, in Groningen, begon, de vlammen weer even uitslaan. Geen wonder, dat in die kring de genoemde auteurs zijn gelezen en voor een deel herdrukt.

We wagen ons niet aan speculaties, hoe het komt, dat in bepaalde gebieden bepaalde levensidealen al of niet leven. Men heeft wel gepoogd, de godsdienstige geaardheid van streken en mensen af te leiden uit de bodemgesteldheid van hun land. Zo heeft men kunnen opmerken, dat een volk, dat tegen het water moet vechten of dat uit arme grond met inspaiming een karig dagelijks brood wint, daardoor allicht tot ernst en soberheid worden gestempeld, terwijl in streken waar de vruchtbare grond des landmans zweet gemakkelijk loont, wanneer dat zelfs al nodig werd, daardoor gemakkelijk tot zekere geruste oppervlakkigheid komen.

Daar ligt in deze beschouwingen zeker een korrel of wat waarheid. Maar ze smaken toch te , , gronderig" ! En ze gaan ook niet op : op dezelfde Friese klei kunt u vrijzinnigen en orthodoxen aantreffen. Tussen haakjes zij even opgemerkt, dat ook Friesland van oudsher wel goed Calvinistisch was, maar niet geneigd was, de Nadere Reformatie te ontvangen. De Franeker hoogleraren, denk aan Amezius en Schotanus, waren wel sterk piëtistisch gezind, maar ze hebben de blijkbaar sterkere niet-piëtistische invloed der Groninger hogeschool niet kunnen weerstaan. Zo heeft ook Friesland weinig gemeenten, die tot de Geref. Bond behoren.

Van Groningen hebben we datzelfde al vastgesteld. Ook de volksaard: gesloten, weinig mededeelzaam, moet hier van betekenis geacht worden. We hebben de indruk dat de kerkelijke en geestelijke verhoudingen in Groningen niet bloeiend waren en dat ze daardoor Verschuir, Tjaden en Schortinghuis in sterke mate hebben gemaakt tot de figuren, die ze zijn geworden. Daar het leven altijd protesteert tegen de dood, zien we altijd, óok in het geestelijke, gedurig richtingen optreden, die een scherp protest tegen een er aan tegengestelde betekenen. Het Piëtisme van de zoeven genoemden valt daaronder en doet concluderen tot een koele, moralistische tegenstroom ; de Afscheiding van 1834 wijst een zelfde kant uit  het Friese Réveil is een derde voorbeeld (van een Réveil in Groningen is ons niet bekend) en tenslotte zegt het óok iets, dat in Groningen en Drenthe het Baptisme is opgekomen. We zouden ons zeer moeten vergissen, wanneer ook niet het Leger des Heils daar in het koele Noorden een zeer gewenst, raaar moeizaam bestaan zou leiden. Al die genoemden hebben, apart en samen, storm gelopen op de Groningse (natuurlijke) mens in zijn onaandoenlijkheid en hebben het naar het zichtbare niet kunnen winnen. Dat moet dan wel aan de ene kant tot toenemende felheid hebben geleid en nog leiden; aan de andere kant tot de aanvechting, om in moedeloosheid al die zure arbeid maar te staken, omdat het immers toch niet helpt.

Als we de genoemde Groningse Piëtisten toenemend eenzijidig vinden, vergeleken althans bij hun voorgangers van elders, dan lijkt het ons niet twijfelachtig, of een goed (kwaad!) deel van de verklaring daarvan ligt hier.

Van Verschuir's omgeving komen we nu tot hem zelf. Hij is geboren in 1680 en overleden in 1737. Erg oud is hij dus niet geworden en dat deelt hij met velen van zijn tijd. De levensduur was in die oude tijd gemiddeld veel lager dan de tegenwoordige.

Daar hij in Groningen geboren werd en woonde, is het nogal begrijpelijk, dat hij daar ook student werd. Utrecht, met zijn sterk Voetiaans getinte faculteit, heeft hem blijkbaar toen nog niet kunnen trekken. In 1705 doet Verschuir zijn praeparatoir examen (dat wat doet denken aan ons , , kerkelijk examen") en wordt dan niet aanstonds predikant, maar eerst schoolmeester in Loppersum. Dat doet wat , , Duits" aan, want in Duitsland was het heel gewoon dat men, eer men predikant werd, als huisonderwijzer of dgl. een tijdlang werkzaam was en daarna als , , vicarius". Die voorbereiding leek belangrijk voor het komende ambt en zal dat, bij gunstige omstandigheden, dan ook wel zijn geweest. Reeds in zijn Loppersumse tijd heeft Verschuir , , geoefend" en geëvangeliseerd. In 1714 is hij predikant van Zeerijp geworden en daar in 1737 overleden.

Zijn bekendste werk, (dat echter sterk in vergetelheid is geraakt) heeft als titel : Waarheydt in het binnenste, of bevindelijke godgeleertheit, hoe de waarheden Christi in syn koninkrijk van desselfs onderdanen beschouwelijk en bevindelijk moeten gekent worden tot saligheit. Meestal is achter dit boek meegebonden: Heilige oeffeninge of alleensprake der ziele in de school van Jezus.

Zover zijn theologische werken. Er naast zij nog genoemd, daar Verschuir met vele figuren uit de Nadere Reformatie de dichtkunst beoefent, het gedichtenboekje : Honigraatje van gesangen tot verquickinge van Zions treurigen in veelderlei zielsgestalten.

Vooral ook deze tweede titel is veelzeggend en laat de auteur al in het hart zien. We bepalen ons echter beter tot een beschouwing van het eerste werk, de Waarheid in het binnenste. Van dit boek zouden we kunnen zeggen, dat het de theologie der bevinding wil geven, of wel, dat het het eerste systematisch opgezette werk is, dat zo breed over de bevinding spreekt.

Een enkel woord over die , , bevinding" kan niet licht gemist worden. Het zal wel bekend zijn, dat het oorspronkelijk een heel brede en algemener betekenis heeft, maar langzamerhand een speciale zin gaat krijgen. Bevinden is in het oud-Nederlands hetzelfde als: gewaarworden, ervaren, opmerken. Dus bevindelijk is in de algemene betekenis datgene, dat tot onze aandacht doordringt, binnen ons bewustzijn komt te staan, wat dan z'n gevolgen heeft voor hart en hoofd. Er is geen bezwaar tegen, het, ook wel te vertalen als: ervaren, aanvankelijk dus ook in puur psychologische zin. In de loop van de tijd krijgt dit algemene woord met z'n brede betekenis iets eigens, laat ons zeggen : iets diepers en mystieks, waarmee tevens iets, dualistisch is gegeven, n.l. niet de gewone platvloerse kennis van gewone platvloerse zaken, maar diepere, diepste ervaring, zoals ze de vrucht is van het beslag, dat God door Zijn Woord en Geest over een mensenleven krijgt. Dat betreft dan het mensenleven in zijn geheel, geestelijk en stoffelijk, innerlijk en uiterlijk. Aanvankelijk leeft het sterk, dat die twee samengaan en samen horen, maar de neiging bestaat van den beginne en neemt -gestadig toe, om zich terug te trekken op het innerlijke, onstoffelijke, omdat dat hetgene is, waar het ten hoogste en ten diepste om gaat.

De , , Bevinding" van Gods genade en leiding wordt in de klassieke tijd verstaan als de hele mens betreffend. Denk maar aan de Heidelberger : christenzijn is: met lichaam en ziel, voor tijd en eeuwigheid, op rekening van Christus staan. Vooral bij Teellinck en Udemans spreekt dat hele leven, ook het heel gewone dagelijkse, krachtig en gezond mee. En in die tijd leeft dan ook dat bepaalde stuk van het christelijk belijden, dat met , , bevinding" zo nauw samenhangt, n.l. de verdrukking en de volharding (, , lijdzaamheid"), waaruit we dan gemakkelijk verstaan, dat tenslotte bevinding en Verkiezing met elkaar samenhangen. De christelijke bevinding betreft dus het kennen van Gods genade in Christus in zijn diepste verankering, n.l. die het welbehagen van de verkiezende God.

Zoals gezegd, wordt die in de gereformeerde bloeitijd betrokken op bet hele leven. Dan is de bevinding dus niet schraal, niet eenzijdig, maar ze weet zich thuis in tijd en eeuwigheid, in werkplaats of huiskamer èn in Gods hart. Wel wordt dan niet vergeten dat beproeving en strijd daarmee gegeven en verbonden zijn, maar óok in die samenhang, heeft de bevinding niet dat krampachtige, dat schuwe en kleinmoedige, dat een latere tijd (die van Verschuir!) kent. Want het licht van Gods genade, van Zijn beloften in Christus, wekt dan zekere hoop en bestendige blijdschap, , , bevinding", die in wezen toch weinig anders dan het geloof-zélf is en waarin de Heilige Geest verzekerd, dat dit goddelijk welbehagen zal blijven tot het einde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

JOHANNES VERSCHUIR I

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's