SCHRIFTGELOOF EN SCHRIFTCRITIEK
Reeds in de 18e eeuw kan. men aantreffen, dat niet slechts onderscheiding, maar ook scheiding werd gemaakt tussen de eigenlijke openbaring en de Heilige Schrift. Dat geluid klinkt zelfs in orthodoxe kring nog na, als men de Heilige Schrift , , oorkonde" der openbaring noemt.
Het verdient daarom geen aanbeveling deze uitdrukking over te nemen. En dat te meer, omdat het voor velen de meest gewone en heersende onderstelling is, dat de Heilige Schrift slechts als menselijk getuigenis kan worden gewaardeerd van een verborgen goddelijke werkelijkheid, welke zich aan de mensheid heeft geopenbaard, zodat zij daarvan enige kennis draagt.
Men stelt alzo een openbaringsgebeuren als een ondoorgrondelijke goddelijke daad in onze geschiedenis, waarvan mensen aanschouwers en getuigen zijn geworden, toen het geschiedde en — waarvan zij mededeling en getuigenis hebben nagelaten. Een en ander is bewaard gebleven in de Heilige Schrift.
En nu komt al onmiddellijk de nasleep van deze critiek aan de dag.
Critiek betekent scheiding maken, en hier wordt scheiding gemaakt tussen de openbarende daad Gods en de Bijbel. Zeer ten onrechte, zoals wij zullen aantonen, zodat wij zelfs zouden mogen zeggen : Wat God samengevoegd heeft, scheide de niens niet. Maar het is gebeurd en reeds David Hume, een wijsgeer uit de 18e eeuw, die zich met deze scheiding bezig heeft gehouden, vroeg zich af : hoe men zou kunnen weten, dat het getuigenis, dat wij in de Bijbel hebben, overeenkomt met het openbaringsgebeuren zelf.
Vlak daarbij, zoal niet ten grondslag daaraan, ligt de twijfel, of het getuigenis wel een getrouw verslag geeft van het openbaringsgebeuren en van de openbaring, daarbij geschied.
Een nieuwe onderstelling voegt zich spoedig daarbij : n.l. dat het openbaringsgebeuren goddelijk en boven deze wereld verheven (transcendent) is en derhalve voor ons verstand onbereikbaar, zodat wij nooit vermogen aan te tonen, dat de Schriftgegevens overeenstemmen met de waarheid der openbaring, gelijk het ook door genoemde wijsgeer werd betoogd.
Wij moeten daarbij nog memoreren, dat in de 18e eeuw een deïstische Godsvoorstelling leefde, die een onoverbrugbare kloof tussen God en de wereld trok. God in de hemel, ver weg en schier en Onbekende, althans door het redewezen van de mens niet kenbaar.
Men zal dus begrijpen, dat men in deze school gemakkelijk de stelling verdedigde, dat wij niet kunnen weten of het getuigenis der Heilige Schrift overeenstemt met de openbaring. Door zulke, rationalisten werd de waarheid en betrouwbaarheid der Heilige Schrift op wankele voet gezet.
In genoemde eeuw van heersend rationalisme, d.w.z. van heerschappij der menselijke rede, werden vreemde dingen geleerd, ook omtrent de Godsopenbaring. Steeds verder week men af van het geloof der reformatoren en daarmede ging gepaard, dat men het eigenlijke wezen des geloofs uit het oog verloor en geloof allengs maken wilde tot een zaak van verstand. Dat is ook een vorm van rationalisme en een verderfelijke dwaling. Wie enigszins thuis is in de geschiedenis van het gereformeerd protestantisme — en onze lezers hebben gelegenheid om daarvan kennis te nemen door de voortreffelijke stukken van prof. Van der Linde — wie enigszins thuis is, weet, dat de theologen hieraan niet onschuldig zijn. Velen zijn zó verknocht geweest aan de gangbare methode der wijsbegeerte, dat zij gemeend hebben deze zonder schade te kunnen toepassen op de theologie. Dat is heel jammer, want Calvijn heeft het onderscheid tussen theologie en philosophie klaar gezien en aan de theologie haar eigen methode gewezen.
In dit opzicht hebben zij Calvijn niet begrepen; in ieder geval hebben zij zich in dat opzicht slechte leerlingen getoond — met het gevolg, dat het gereformeerde volk nog altijd de schadelijke gevolgen daarvan draagt.
Daarom zijn deze dingen de moeite waard om gekend te worden. Mogelijk kan dit medewerken ten goede.
Doch ter zake: de openbaring. Men geraakte in het onzekere, zoals wij gezegd hebben. En naast de vergeefse pogingen om de Schrift met menselijke redeneringen overeind te houden en het Schriftgezag te ondersteunen, kwamen anderen, die van oordeel waren, dat de openbaring zo langzamerhand haar tijd had gehad.
Wat het eerste aangaat, was er alles aan gelegen de , , wonderen" aannemelijk te maken door ze op rationale wijze te verklaren. Voor sommige geesten schijnt zulk een pogen aanvaardbaar geweest te zijn.
De anderen echter, op wie wij het oog hadden, waren radicaler. Zij verkondigden de stelling, dat God zich van ouds wel had geopenbaard, omdat Hij de mens daarin wilde tegemoet komen. Allengs echter nam de mens toe in verstand en kennis, zodat er een tijd zou komen, waarin die mens de Godsopenbaring niet meer zou nodig hebben, omdat zijn redewezen de openbaring zou vervangen.
Er zijn waarlijk hooggeleerde theologen geweest, die het er voor hielden, dat zij al een eind weegs gevorderd waren, wijl zij meenden, dat zij bijna geen waarheid in de Schrift vonden, die zij ook niet met de rede hadden kunnen vinden. Dat was in de 18e eeuw.
De 19e eeuw heeft nog stouter beweringen laten horen. Immers een iegelijk kan verstaan, dat een mens, indien hij aan zijn eigen rede toeschrijft de Godsopenbaring te kunnen vervangen en voortzetten, aan zijn redewezen iets goddelijks toeschrijft en, als hij zich daarvan bewust wordt, zichzelf goddelijk moet wanen. Welnu, zover Is het gekomen. De mens heeft zich zelf voor een god gehouden en, die weerhouden werd zó ver te gaan, had veelal geen bezwaar zich zelf diets te maken, dat hij een goddelijke vlam in het binnenste droeg.
Dergelijke vormen van afgoderij hebben het moderne cultuurleven ondergraven en van de levenskrachten beroofd, welke een gezond christelijk leven op de samenleving doet uitgaan.
Derhalve verdienen lof allen, die voor een gezond christelijk geloofsleven ijveren en zij, die het rationalisme bestrijden, al zoeken zij vaak een tussenweg, die niet tot het doel kan leiden.
Deze korte schets geeft althans een indruk van het verloop: Eerst onderscheiding, later scheiding van Schrift en openbaring; dan de Schrift achtergesteld bij het menselijk redevermogen. En als de menselijke rede zover gevorderd is, dat zij de taak der openbaring (zo men dacht) kan overnemen, ligt het voor de hand, dat de rede ook in staat wordt geacht over de openbaring in de Heilige Schrift te oordelen.
Dit is alles vanzelfsprekend. En dan ?
Wel, dan gaat de rede uitmaken wat échte openbaring is geweest en wat niet. Wat van de openbaring verleden tijd is geworden, wat voorbij en verouderd is. Voorts meent zij ook te kunnen beslissen over het nog geldige, in onderscheiding van het aan een zekere tijd gebondene.
Voorbeelden van deze wijze van doen geeft de geschiedenis ruimschoots te zien en het zal niemand verwonderen, dat een waarachtig christen dit goddeloos bedrijf schuwt.
Hier wil de menselijke rede heerschappij voeren over de dingen, die des Geestes Gods zijn, hoewel zij geestelijk onderscheiden worden, wijl zij van andere orde zijn.
Het gevolg is geweest, dat in brede kringen de eerbied voor de Heilige Schrift verloren ging, en dat velen, ofschoon zich voegende onder de christenen, toch gemakkelijker een critische houding tegenover de Bijbel gingen aannemen en b.v. op , , tegenstrijdigheden" stuitten. Het begint zo onschuldig naar het schijnt, als: Mozes kan het laatste deel van de vijf boeken, die op zijn naam staan, niet geschreven hebben, want hij was reeds gestorven. Voorts , , tegenstrijdigheden" in vermelding van historische feiten, enz.
Men ging de Schrift onderzoeken op de taal, op de historie, op de kennis van de omgevende volken, van de wording en geschiedenis der aarde, kortom op de verschillende aspecten, waartoe het , .wetenschappelijk onderzoek" aanleiding vindt,
In de 19e eeuw en tot op heden is de Heilige Schrift een voorwerp van veelvuldige wetenschappelijke belangstelling geworden; taalkundigen, oudheidkundigen, volkenkundigen. historici en nog andere geleerden hehben zich daarin gemengd, veelal ook hun speciale kundigheden beoefend onder de titel theoloog, waarop zij met meer of minder recht daarenboven aamspraak mochten en mogen maken.
Voorop zij gesteld, dat deze veelvuldige belangstelling in samenwerking met het algemeen wetenschappelijk onderzoek op de aangelegen terreinen, de kennis van het Oude- en Nieuwe Testament in verschillend opzicht zeer heeft verrijkt, hetgeen uiteraard aan de uitlegkunde van de Heilige Schrift ten goede komt.
Men kan echter verstaan, dat de aangeroerde wetenschappen, ook in zoverre zij aan de Bijbel raken, in de regel niet door theologische belangstelling, althans niet in de eerste plaats door theologische belangstelling worden gedreven.
Voorts kan men ook begrijpen, dat de methode, welke zij toepassen op het object van haar onderzoek, niet de theologische kan zijn, maar de methode, welke door de betrokken wetenschap wordt gevolgd. De ethnoloog (volkenkundige) gaat op zijn manier te werk ; de archeoloog (oudheidkundige) op de hem eigene en zo heeft ook de taal- en letterkundige zijn eigen taak, de vragen welke hij zoekt te beantwoorden, en daardoor wordt ook de weg bepaald die hij volgt om tot een antwoord te komen, alles naar de wijze van zijn wetenschap.
Hij beschouwt de Bijbel als een verzameling Israëlietische en oud-christelijke litteratuur. Hij vraagt naar de oorsprong van ieder boek en naar zijn geschiedenis, wie was de schrijver, wanneer heeft hij geleefd, welke aanleiding was er voor hem om te schrijven en waarom heeft hij geschreven, wat hij schreef, onder welke omstandigheden, wat is zijn bedoeling geweest, is alles wat op zijn naam staat, wel echt, en dergelijke meer.
Op die wijze ontstond een Bijbelse wetenschap over en rondom de Bijbel, waarbij godvruchtige waardering als Heilige Schrift, d.i, als Gods openbaring, Gods Woord niet in het geding wordt gebracht, als onwetenschappelijk subjectivisme op zij wordt gezet, of slechts als bijkomstigheid van andere aard achteraan komt: b.v. in een opmerking als deze: en nu leert de ervaring, dat deze Bijbel ook nog werkt als orgaan van Godsopenbaring.
Met andere woorden : aan een theologische behandeling der Heilige Schrift komt zulk een wetenschap niet toe. En dat kan ook niet. Het ligt buiten haar bereik en bevoegdheid.
Daarentegen gaan de meergenoemde beoefenaars van hun eigen vooronderstellingen uit bij hun onderzoek en wat zij als de resultaten van hun studie aandienen is gemengd met z, g. voor- en nawetenschappelijke beschouwingen.
Men zal kunnen begrijpen, dat ondanks de voordelen, welke uit het wetenschappelijk onderzoek der genoemde wetenschappen voortvloeien, deze gang van zaken ook tot grote verwarring op het terrein van kerk en theologie heeft geleid.
Schriftgeloof is n. l. heel anders gericht dan Bijbelcritiek.
Als de laatste wil tornen aan de overtuiging der kerkelijke orthodoxie, ja, aan het grondgegeven des geloofs : de Bijbel is Gods Woord, zet het Schriftgeloof zich daartegen scherp af. Zulks terecht: omdat de Bijbelcritiek niet vermag te oordelen over het kerkelijk Schriftgeloof, dat zich beroepen kan op het voorbeeld van de Christus en Zijn apostelen.
De Bijbelcritiek kan bovendien de feitelijkheid en de juistheid van dat beroep niet ontkennen.
Op een of andere wijze wil men daaraan ook wel tegemoet komen door aan te nemen, dat de Schrift, hoe dan ook, toch wel openbaring inhoudt. Gods Woord is in de Schrift, zonder de Schrift nog als Gods Woord te ontvangen, of door te stellen, dat een Schriftuitspraak onder zekere omstandigheden wel tot Gods Woord kan worden.
Als men maar niet spreekt van een verbale inspiratie, want dat is voor de Schriftcritici onverteerbaar.
Terwille van de waarheid en om misverstand te voorkomen, moet worden opgemerkt, dat men eerst in de 17e eeuw tot de leer ener verbale inspiratie is gekomen, zonder twijfel reeds onder invloed van critische stemmen. Verder zij men indachtig, dat deze leer alleen, betekenis zou hebben ten aanzien van de oorspronkelijke tekst.
Daarmede echter is het hek niet van de dam en men kan een Schriftcritische houding waarlijk niet verdedigen door op te merken, dat Calvijn veel vrijer tegenover de Schrift stond dan men zou denken. Dat kan wel zo zijn, want Calvijn houdt de Schrift niet voor een dode letter, maar hij maakt ook geen scheiding tussen Schrift en openbaring en zou het met de moderne Schriftcritiek heel niet eens zijn. Over deze dingen valt nog wel wat te zeggen,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's