De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

CHRISTELIJK GELOOF IS SCHRIFTGELOOF

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

CHRISTELIJK GELOOF IS SCHRIFTGELOOF

11 minuten leestijd

Hoeveel afwijkingen en dwalingen kan iemand hebben ten aanzien van het waarachtig geloof, en toch nog een Christen zijn ?

Wie kan dat zeggen ? Immers niemand, want wij zijn geen kenners der harten, en hoewel mensen door Gods genade uitdelers van de verborgenheden Gods kunnen zijn, zijn ze nochtans geen uitdelers van de hemelse heerlijkheid. Het geloof is een gave Gods.

Desniettemin mogen wij zeggen, dat Christelijk geloof is Schriftgeloof. Daarmede wordt dan bedoeld, dat het geloof aan de Schrift als Gods Woord inhaerent is aan het geloof in de Christus. Het geloof ontvangt de Heilige Schrift als Gods Woord. Dat innerlijk verband is er, omdat het geloof uit het Woord wordt geboren. , , Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods" (Rom. 10:17). En Petrus schrijft: , , Gij, die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God". (1 Petr. 1 : 23).

Deze samenhang maakt het Schriftgeloof tot een belangrijk stuk en maant op zijn minst tot grote voorzichtigheid en terughoudendheid ten aanzien van de critische benadering der Heilige Schrift.

In geen geval kan het geloof een scheiding toestaan tussen Schrift en openbaring, waardoor het gezag van de Schrift als Gods Woord zou gebroken worden, terwijl juist het geloof dat godgelijk gezag waarneemt en daarvoor buigt.

Laat ons horen, wat Calvijn daaromtrent leert: „Maar voordat ik verder ga is het wenselijk een en ander in te voegen over het gezag der Schrift, dat niet alleen onze gemoederen moge voorbereiden tot haar eerbiediging, maar ook alle twijfel moge wegnemen. Verder, wanneer uitgemaakt is, dat het Gods Woord is, wat voorgelegd wordt, dan is er niemand van een zo volslagen vermetelheid — of hij moest wellicht ook verstoken zijn van het algemeen verbreid besef en van menselijk gevoel zelf —, dat hij God, wanneer Hij spreekt, geloof zou durven ontzeggen. Maar aangezien geen dagelijkse Godsspraken uit de hemel gegeven worden, en alleen de Schriften bestaan, door welke de Heere goed gedacht heeft Zijn waarheid tot een eeuwige gedachtenis te doen voortleven, bezit de Schrift door geen ander recht een volledig gezag, bij de gelovigen, dan wanneer ze geloven, dat ze uit de hemel is voortgekomen, even alsof levende stemmen Gods zelf vandaar gehoord werden." (Inst. I, 7, 1. „Vertaling Sizoo, I, blz. 42).

Men ziet, dat ook Calvijn de erkentenis van het goddelijk gezag der Heilige Schrift als een zaak des geloofs ziet en dat het geloof de Schrift als Gods Woord en als de levende stem Gods ontvangt.

Het is dus niet zo vreemd, dat in een tijd van toenemend ongeloof, zoals in onze dagen, aan het goddelijk gezag der Schrift wordt getornd. Het is echter zeker, dat geen redenering van menselijke wijsheid bij machte is de Schrift van haar Goddelijke autoriteit te beroven in de ziel van hem, die waarachtig gelooft en door Woord en Geest wordt onderwezen. Zo kan ook de moderne Schriftcritiek ons dat geloof niet ontnemen, noch ook de troost en de zekerheid, welke wij daarin vinden.

Ook in dit opzicht is het leerzaam Calvijn verder te horen. Zoals men weet, was het gezag van de kerk voor de mensen in de middeleeuwen zozeer gegroeid, dat het boven dat van de Schrift uitging. Dat is voor velen nog zo en ook zijn er niet weinigen, voor wie het gezag van de wetenschap ver boven dat van de Schrift wordt gesteld.

Hoor wat Calvijn over het eerste zegt, om bij uzelf te constateren, dat zijn oordeel zeker met evenveel klem en recht ook van toepassing is op de meningen der wetenschap. Hij zegt n.l. : , , Bij zeer velen echter heeft een zeer verderfelijke dwaling de overhand gekregen, dat de Schrift slechts zoveel betekenis ,heeft, als haar door het oordeel der kerk wordt toegestaan : alsof de eeuwige en onaantastbare waarheid Gods „op het oordeel van mensen steunde!" ,Want tot grote hoon van de Heilige Geest vragen zij aldus : Zou iemand  ons kunnen doen geloven, dat deze dingen van God voortgekomen zijn? , , Zou iemand er ons van kunnen vergewissen, dat ze ongeschonden en ongedeerd tot onze tijd toe, tot ons gekomen zijn? Zou iemand ons ervan kunnen overtuigen, dat dit boek met eerbied moet worden aangenomen en een ander van de lijst moet worden geschrapt, indien de kerk niet een vaste regel van dat alles voorschreef? Het hangt dus af, zo zeggen zij, van de beoordeling der kerk, welke eerbied men aan de Schrift verschuldigd is en welke boeken tot hun lijst van boeken gerekend moeten worden". Calvijn wil zelfs van zulk een kerkelijke autoriteit over de Schrift niet weten. En hij maakt ook duidelijk waarom niet. Onder verwijzing naar het woord van de apostel in Efeze 2 : 20, wijst hij er op, dat de kerk gedragen wordt door het fundament der apostelen en profeten. Indien, zo gaat hij verder, het fundament der kerk de profetische en apostolische leer is, dan moet deze haar zekerheid vast hebben staan, voordat de kerk haar bestaan aanvangt.

Dit spreekt voor zichzelf, en het kan ook duidelijk zijn, hoe hij denkt over de vragen van de mensen, die vanwege de daarin uitgedrukte twijfel een beroep op de kerk doen. En zo als wij hebben kunnen opmerken, zijn dat juist soortgelijke vragen, als waarmede de Schriftcritiek haar geschiedenis begon, vragen van innerlijke twijfel.

Ook tegenover dergelijke vragers geldt, dat de geloofwaardigheid der leer nooit afhangt van het oordeel van mensen, en wij voegen daaraan toe: ook niet van het , , wetenschappelijk" oordeel van mensen.

Het hoogste bewijs voor de waarheid der Schrift wordt ontleend aan de Persoon Gods, die in haar spreekt. (Calvijn t.a.p. Inst. I, 7, 4. Vert, Sizoo I, blz. 46) : , , De profeten en de apostelen beroemen zich niet op hun scherpzinnigheid of op al wat hun bij hun spreken geloofwaardigheid verschaft, en zij leggen , zich niet toe op redeneringen ; maar zij  voeren de heilige naam Gods aan, opdat door die de gehele wereld tot gehoorzaamheid gedwongen worde" (t.a.p.).

Zij handelen ook verkeerd, merkt Calvijn verder op, die hun best doen door redetwisten de onwrikbare waarheid der Schrift aan te tonen. Het getuigenis des Geestes is voortreffelijker dan alle redenering.

Want evenals God alleen een voldoende getuige is aangaande zichzelf, in Zijn Woord, zo zal ook dat Woord niet eerder geloof vinden in de harten der mensen, dan wanneer het door het inwendige getuigenis des Geestes begeleid wordt. Dezelfde Geest dus, die door de mond der profeten gesproken heeft, moet in onze harten doordringen, om ons te overtuigen, dat zij getrouw hebben uitgesproken, wat hun van Godswege opgedragen was.

En zo concludeert Calvijn : Inst. I, 7, 5. Vert. Sizoo I, blz. 48) : , , Dat moet dus  onveranderlijk vastgesteld blijven, dat  zij, die door de Heilige Geest innerlijk onderwezen zijn, volkomen rust vinden in de Schrift, en dat deze haar geloofwaardigheid in zich zelf heeft, en niet onderworpen mag worden aan bewijsvoering en redenering, en dat zij  niettemin de zekerheid, die zij bij ons verdient te hebben, door het getuigenis des Geestes verkrijgt".

Wij hebben in Calvijns woorden kunnen opmerken, dat hij aangaande het goddelijk gezag der Heilige Schrift geen kwestie of probleem stelt. Dit in onderscheiding van vele theologen in later tijd en in onze dagen, die het heel gewoon vinden van het, , Schriftprobleem" te spreken.

Deze spreekwijze moet dus betekenen, indien Calvijn althans gelijk heeft, —en wij geloven, dat hij gelijk heeft, — dat wie zo spreekt, daarin zijn eigen zwakheid en twijfel aan de dag legt, maar bovendien tekort doet aan het waarachtig Christelijk geloof. Dit toch kent geen Schriftprobleem, maar voor het geloof staat het boven menselijk oordeel vast, dat de Schrift van God is, dat zij door de dienst van mensen, van Gods eigen mond zelf tot ons is gekomen.

Calvijn ziet dat alles, wat voor ongeloof en twijfel als Schriftprobleem verschijnt, wegzinken voor de waarheid Gods door het innerlijk getuigenis van de Heilige Geest. Hij onttrekt de Heilige Schrift aan menselijke redeneringen, om haar in haar geheel in goddelijk licht te stellen : Het is Gods getuigenis, dat alleen door het getuigenis van de Heilige Geest als zodanig kan worden ontdekt, gekend en beleden.

In het heiligdom van de verborgenheid Gods is geen ruimte voor een Schriftprobleem. De ruimte voor menselijke redeneringen en beschouwingen over de Heilige Schrift en haar goddelijk gezag als probleem ligt buiten het heiligdom.

Indien de critische geest, die zich bezighoudt met het wetenschappelijk onderzoek van de Bijbel, zich op grond van de resultaten van dit onderzoek een oordeel aanmatigt over het goddelijk gezag der Schrift, waagt hij zich op een terrein, dat buiten zijn competentie ligt, zijnde het erf des geloofs.

Het geloof leeft in het heiligdom der verborgenheid Gods en verstaat er iets van, dat het Woord Gods in de nedrige gestalte van het menselijk spreken in de wereld gegeven enerlei wedervaart als de Christus in het vlees. Van de mensen met lof en befwondering bejegend, versmaad en verlaten en tenslotte veroordeeld — doch zoals het met de belijdenis van Petrus was : Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God, zo is het ook met degenen, die de Heilige Schrift als het levende Woord Gods omhelzen. Vlees en bloed hebben hun dat niet geopenbaard, maar de Vader, die in de hemel is.

Is het niet de Heilige Geest, die de Vader gezonden heeft in den Naam van Christus, die de Zijnen inleidt in het Woord, dat Hij gesproken heeft? En staat niet de hoogste Profeet en Leraar achter de ganse Heilige Schrift ?

Er is een verwerping van de Schrift door de schare, zoals er een heengaan van achter Christus is door de schare, maar er is ook een twist over de Schrift onder Schriftgeleerden, die gelijkenis heeft met de twist tussen Christus en de Schriftgeleerden van toen en zij hebben Hem overgeleverd om gekruist te worden.

De Schriftcritiek loopt niet slechts het gevaar om in gezelschap van de Schriftgeleerdheid te komen, die geweld heeft gedaan aan het vleesgeworden Woord, maar zij is vergelijkenderwijs niet onschuldig aan een dergelijk bedrijf ten aanzien van het geschreven Woord Gods en medeverantwoordelijk voor de verachting van het Woord door velen, die van huis uit anders geleerd hebben.

Deze gang van zaken is niet zonder tragiek, want ook in dat opzicht geldt, dat deze dingen alzo moeten geschieden. Wij denken aan het gesprek van de Verrezene met de Emmaüsgangers : „O, onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben. Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan ? En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, leide Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was". (Lukas 24:25 v.v.).

Zo ook moet het Woord Gods, waardoor Hij Zijn waarheid in gedachtenis wil houden, zoals Calvijn het uitdrukt, zijn loop in deze wereld vervullen en moeten de mensen daaraan doen naar hun wil, opdat de heerlijkheid van de Christus openbaar worde.

De vergelijking gaat waarlijk door, omdat de Heilige Schrift waarlijk Gods Woord is en God achter Zijn Woord staat. Die zegt, dat wij Zijn Woord zullen bewaren, zal Hij zelf niet waken over, wat uit Zijn mond is uitgegaan ?

Daarom heeft Hij ook altijd gezorgd, dat er mensen in de wereld zijn, die Zijn Woord bewaren.

Het Woord doet dan ook in de wereld, wat Christus deed. Het brengt verdeeldheid. Verdeeldheid in de mens, aan wien het zijn goddelijk gezag begint te ontdekken, in het gezin, in de familie, in de maatschappij, in de staat. En Christus zegt: Ik ben gekomen om vuur te werpen op aarde; en wat wil Ik, indien het alrede ontstoken is ? Meent gij, dat Ik gekomen ben om vrede te geven op de aarde ? Neen, Ik zeg u. maar veeleer verdeeldheid (Lukas 12:49—51). Men behoeft zich er dus niet over te verwonderen, dat het wetenschappelijk Bijbelonderzoek tot Bijbelcritiek heeft geleid, weerstanden heeft gewekt tegen het Schriftgeloof, en afbreuk gedaan aan de algemene eerbied voor de Heilige Schrift, die in vorige geslachten heerste.

Anderzijds mene men niet, dat een en ander louter schade heeft veroorzaakt en afval bevorderd. Want zo is het ook weer niet. Ten eerste heeft het onderzoek van de Bijbel velen daarbij betrokken, die anders wellicht vervreemd waren gebleven van de kennis van de Schrift, en ten andere heeft de gemeente al het goede en voortreffelijke gewonnen, dat door velerlei onderzoek en studie aan het verstaan der Heilige Schrift bevorderlijk is.

Zo wordt het woord van Jesaja vervuld, dat het Woord alles zal doen, wat God behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe God het zendt. (Jesaja 55 : 11).

De critiek van de mensen op de Heilige Schrift kan het werk Gods in de voortgang van de loop van Zijn Woord niet stuiten of verhinderen, maar de critiek van de Schrift op de mens en de scheiding, die Gods Woord teweegbrengt ónder de mensen, is openbaring van het werk Gods, enerzijds in de wederbarende kracht van het Woord en anderzijds in het gericht, dat de ongehoorzame wacht, want het Woord Gods is een tweesnijdend scherp zwaard. S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

CHRISTELIJK GELOOF IS SCHRIFTGELOOF

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's