De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JOHANNES VERSCHUIR II

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JOHANNES VERSCHUIR II

10 minuten leestijd

We spraken over de bevinding en moeten daar nog een ogenblik op voortborduren. Is het waar, zoals velen vrezen, dat we met de bevinding op zulk , , gevaarlijk" terrein komen, zo licht tot ziekelijke ontaarding vervallen en in het algemeen zo moeten toezien niet tot , , subjectivisme" te vervlakken?

Als we terugzien en bevinding wel mogen definiëren als: geloof onder hoogspanning (we denken aan de verdrukking van Romeinen 5 en aan de verkiezing Gods die er de laatste ondergrond van is), dan begrijpen we, dat in deze omgeving inderdaad waakzaamheid is geboden. Hier staan we aan de uiterste grens van het mensenleven. Hier worden laatste woorden gehoord en gesproken. Hier gaat het om het allerpersoonlijkste in ons leven : om een laatste verzekering, dat Gods genade in Christus er ook en zelfs voor ons is. De spanning, die dat moet meebrengen (wee, waar ze ontbreekt), kan vooral bij zeer gevoelige mensen leiden tot krampachtigheid en dgl. en we worden hier ook gewaar, dat geloof en bevinding en alles eigenlijk alleen gezond kunnen zijn, wanneer ook de Kerk en het kerkelijke leven dat is, zodat enkeling en gemeenschap weten, hoezeer ze op elkaar zijn aangewezen. Als dat uit elkaar breekt (en dat gebeurt!), dan kan de enkeling zich gemakkelijk terugtrekken uit de strijd in kerk en wereld en daar stillekens zelfzuchtig gaan genieten van zijn deel in het grote heil, om zich daarbij dan van weinig anders nog iets aan te trekken.

Misschien noemt die losgebroken enkeling dat dan nog wel , , bevinding" op zijn best, maar dan voelen we immers, dat die van Rom. 5 is losgemaakt en dus volop ziekelijk en ongezond moet heten.

Omgekeerd kan ook de gemeenschap een zeer tyrannieke en vijandige houding aannemen tegenover de enkeling en haar eigen (erg middelmatige) levenstrant ook aan hem opleggen, op straffe van alles, wat daaraan niet beantwoord, in de ban te doen als , , ziekelijk". De kerken, ook der Reformatie, zijn vaak verbazend bang geweest van mensen met iets eigens en hebben ze doorgaans veel te gemakkelijk willen stroomlijnen. Dan wordt het scheldwoord , , ziekelijk" met gemak weggeslingerd, maar vergeten, dat star, arm orthodoxisme even ziekelijk en ziekelijker is dan een sterk, mogelijk wat te sterk persoonlijk geloofsleven.

Laten we voor het ogenblik onze uitweiding over deze zaak hiertoe beperken. U hebt allicht begrepen, dat we pogen, u de figuur van Verschuir te doen begrijpen en zelfs waarderen. Dat sluit critiek niet uit, maar goede critiek is altijd door het hart heengegaan en verkiest daardoor de kilte en de strengheid, die anders licht optreden.

Zoals we de vorige maal zeiden is Verschuir eigenlijk de eerste dogmaticus en systematicus van de bevinding. Als we meer van zijn boek verteld hebben, zult u ons wel bijvallen, als we menen, dat daarin ook wel iets bedenkelijks en eenzijdigs ligt. Als men volop leeft, dogmatiseert men weinig en systematiseert men geheel niet. De dogmatiek loopt altijd gevaar, iets en veel van schriftgeleerdheid te hebben en te weinig van profetisme. Grote, levende tijden strijden, worstelen, leven; het nakroost, in de luwte, schrijft en leest dogmatieken en bouwt en versiert de graven der profeten. Dat Verschuir die theologie, dat , , systeem" der bevinding geeft, komt niet voort uit een overvloed des harten, dus uit rijkdom, maar draagt het merkteken van de nood, de teleurstelling en gemis aan gemeenschap aan het voorhoofd. In de titel van z'n boek is eigenlijk één woordje, dat ons alles verklaart. We bedoelen dat ene woordje , , moeten" : de waarheden van Christus moeten bevindelijk gekend worden. Dat betekent dus niet, dat Verschuir uit de rijke schat van zijn kerk en gemeente en van zichzelf putte en poogde, die overstelpende rijkdom enigszins te ordenen, hoewel hij als Jozef wel voelen moest: er is eigenlijk geen tellen aan ! Nee, we proeven in de titel van zijn werk de teleurstelling, de honger. Wat behoorde bekend te zijn, is onbekend. In Groningen, licht elders evenzeer. Dat geeft aan zijn boek een moedeloos karakter. Hij poogt te tellen, hetgeen ontbreekt en dat is immers een weemoedig, onmogelijk werk ! Hij schrijft een boek met een sterk negatieve grondtoon. Sterk beschrijvend en daardoor beschouwelijk, al hebben we zeker de indruk, dat de auteur leefde in wat hij beschreef.

Uit dit hier gezegde moet volgen, dat we daarom toch liever terug moeten nemen, wat we over zijn boek zeiden, nl. dat de theologie, het systeem der bevinding geeft. Die geeft hij wel naar de vorm, maar de inhoud moeten we elders zoeken. Laten we zeggen: Calvijn's preken, zijn dogmatiek (de Institutie), onze Heidelberger achten we veel bevindelijker en dat dan positief dan het formeel completer werk van Verschuir. Hij zou ons niet tegenspreken, als we zouden zeggen : Het is met zijn boek als met het Israël van Ezechiël 37, als er weer vlees en zenuwen over hun beenderen komen. Dan zijn het al complete mensen, maar: er was geen geest {Geest!) in. Maar we zeggen het maar liever niet, omdat we zoveel sympathie voelen met deze mismoedige man en omdat wij in onze tijd evenmin een rijk en positief boek over de bevinding zouden kunnen schrijven als hij het kan. Hem drukte naast zijn persoonlijk gebrek de holle armoede in zijn gemeente en zijn kerk. Tot een , , theologie", een systeem kon hij dus niet komen.

Moeten wij niet het zelfde zeggen? Waar is onder ons die positieve uiteenzetting van de bevinding, even diep, als hoog en breed?

We spreken er nog al eens over en geven een artikeltje of referaat, maar daarmee zijn we er toch niet? Juist daarom hebben we helemaal geen lust, om op onze arme collega stenen te werpen. Ze zouden, als evenveel boemerangs zich tegen onszelf keren.

Het boek van Verschuir openbaart dus enkel grote dingen. Ten eerste de grootheid, de positiviteit der bevinding, die met negatieve middelen niet levend kan benaderd en beschreven worden. Daar is ze te delicaat, te teer voor.

Ten tweede de grootheid van de achterstand en de armoede in deze van zijn gemeente, waar hij blijkbaar geen aanmoediging, geen stof tot zijn boek vond, maar die hem het minteken voor alles deed zetten. Daar zien we uit, hoe sterk de enkeling door zijn kerk of gemeente wordt beïnvloed. Dat gaat niet automatisch, maar ieder van ons moet het toch wel weten, dat een levende, getuigende omgeving ons optrekt en een koud formalisme in kerk en gemeente ons dooddrukt.

Wat zou Verschuir in een andere gemeente en een andere kerk hebben kunnen opbloeien! Het tekent zijn trouw, zijn tucht en gehoorzaamheid, dat hij evenmin de verzoeking van het Labadisme volgt, als de meeste van zijn collega's dat hadden gedaan. Hoe groot moet de verzoeking ook voor hem geweest zijn! Maar hij heeft, dunkt ons, toch te goed gevoeld, dat bevinding en beproeving (druk) samenhoren, zodat in een kerk als van de Labadie, die dat poogt te ontgaan, ook al niets beters is te wachten dan thuis. Het verloop van deze beweging heeft dat dan ook wel bewezen.

Ons grote bezwaar tegen Verschuir is, dat hij dus wel gevoeld heeft de innerlijke onmogelijkheid, om zijn grote onderwerp zó te behandelen, als het alleen kan betamen en dat hij het tóch geschreven heeft. We verhaalden in het begin, dat ds. Verschuir tevoren schoolmeester is geweest. Welnu, dan moeten we imers zeggen, dat niet ds. Verschuir dit boek over de bevinding heeft geschreven, uit de rijkdom des Woords, des geloofs en des harten, maar de , »schoolmeester" Verschuir, die het daarom zo schools en zo betogend doet.

We geven nu enige inzage in het boek zelf.

Het is geschreven in een wat , , profane" vorm, n.l. die van de samenspraken. De eerlijkheid gebiedt te zeggen, dat dit neerkomt op toneel zonder toneel, hoewel de achtergrond van deze samenspraak in de middeleeuwse rederijkerij en kerk met handen te tasten is. We begrijpen anders best, waarom men voor deze vorm zoveel voelde. Zo komt er wat gang in de gesprekken ; ook wat variatie, tenzij de auteur van zijn personen al te zeer stromannen maakt.

Verschuir heeft 4 personen, die hij sprekend invoert. Het zijn Sterk Christen, die een bekeerd man is, die bevindelijke kennis heeft; Bekommerd Christen, die wel bekeerd is, maar nog in de strijd verkeert; Letterwijze, een onbekeerd letterknecht en Onkundige, die onbekeerd is, maar toch wel wat wil aannemen.

Als we die zinnebeeldige namen horen, denken we licht terug aan John Bunyan, die in het bedenken daarvan zo'n meesterschap heeft ontplooid. De vergelijking met deze , , grootmeester" valt voor Verschuir niet heel voordelig uit. In het algemeen hebben de engelse en vooral de schotse schrijvers meer fantasie dan de nederlanidse, zodat hun geschriften ook frisser en aansprekender zijn. De fijne typeringen die Bunyan vooral in zijn , , Pelgrimsreis" geeft, zijn veel raker dan die Verschuir geeft en er zit vaak een kostelijke humor in, die na hem zelden aangedurfd is en ook onder ons pijnlijk wordt gemist. Wat we bij Verschuir meteen opmerken is, dat Letterwijze en Onkundige veel te weinig verschillen, om naast elkaar relief te krijgen. En het klinkt wel goed en klassiek reformatorisch, dat Sterk Christen d.w.z. de in geloofszekerheid levende christen voorop gesteld wordt als de norm, maar in het geheel van het boek komt dit te kort en moeten we eerder vaststellen, dat een blijvende bekommering bezig is het ideaal van de verzekerde christen te verdringen. Tenslotte kan het wel blijk geven van een zekere goedhartigheid bij Verschuir, dat zelfs Onkundige nog zo van goeden wille is, dat hij nog wel wat wil aannemen. Maar we dachten, dat Verschuir in hem toch wel niet anders tekenen kon dan de na­tuurlijke mens en dan moeten we zeggen, dat de kleuren op het palet te flets zijn en bovendien nog door elkaar heen lopen. De 18e eeuw was in de beoordeling juist van de natuurlijke mens, onnatuurlijk mild en toegeeflijk. Ons dunkt dat Verschuir, die immers protesteert tegen de geest van die eeuw, in deze ook de schijn had moeten mijden, met haar toch een goed stuk saam te gaan.

Met dit alles bedoelt Verschuir dan toch wel een piëtistisch levensideaal te tekenen, dat wil zeggen, een leven, gedragen door echte toegewijde vroomheid. Maar we worden gewaar, dat hij eigenlijk er aan twijfelt, of dit ideaal nog voor verwerkelijking vatbaar is, In de titel van zijn boek sprak hij immers van hetgeen gekend moest worden en niet van hetgeen inderdaad wórdt gekend. Dat samensprekende viertal wil, dunkt ons, de kerk van zijn dagen uitbeelden, maar verloop en afloop van het boek doen ons verstaan, dat Verschuir's (bijbelse) idealen in geen geval meer vat hebben op heel die gemeenschap, heel die kerk. Lampe deed ons verstaan hoe machtig het buiten- en onkerkelijke deel was, Verschuir komt dat bevestigen.

We kunnen bij hem dan ook vaststellen, dat de vromen bezig zijn, zich aan de kerk te onttrekken, omdat ze aan haar reformatie wanhopen. Nu vertoeven ze nog in gezelschap of conventikel, als in een tussenstation, maar als zelfs die , , wachtkamer" geen voldoening meer geeft, komt men geheel tot ververstrooing en blijven alleen de enkelingen over, die stichting zoeken op eigen, ook eigenmachtige paden.

Reeds bij Verschuir heeft de eenzaamheid die men opzoekt, een zekere nadruk en na hem is het vooral Tjaden, die alleenspraken houdt. Dat het Verbond, dat tevoren bij Witsius, á Brakel en Lampe nog zo'n grote betekenis hield, bij Verschuir zeer verzwakt voorkomt, hoewel het nog niet ontbreekt, doet ons nog meer beseffen, hoe sterk de dingen veranderen op het gereformeerde erf.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

JOHANNES VERSCHUIR II

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's