JOHANNES VERSCHUIR III
We stelden de vorige maal vast, dat bij Verschuir de afstand tussen kerk en wereld groter wordt. We bedoelen daarmee niet alleen de wereld in de kwade zin als , , de boze wereld", want in die gedaante heeft de Reformatie immer betuigd, dat christen-zijn betekent: de tegenwoordige „boze wereld" verlaten. Maar we bedoelen er ook de wereld mee in „goede", althans in neutraler zin, d.w.z. in de gedaante van de levensverbanden van Staat en maatschappij, die de Reformatie zo gerespecteerd heeft. Calvijn heeft in zijn Institutie in boek 4 breed kunnen uitwijden over Staat en maatschappij. Dat dit zo laat in dat genoemde boek ter sprake komt, betekent toch niet, dat het alleen maar een aanhangsel is, dat we niet te serieus moeten nemen. Calvijn heeft de eenheid, althans de diepe verbondenheid van tijd en eeuwigheid daarin sterk onderstreept en de Nadere Reformatie staat daarin aanvankelijk naast hem. Maar dat begint in de 18e eeuw, naar we poogden weer te geven, al meer te verflauwen.
Dat is temeer begrijpelijk. Waar het gereformeerde volk in hoofdzaak uit, , kleine luyden" bestond, meest echte Oranjeklanten, terwijl de regenten, die Oranje tegenstaan, zich als aristocraten gedragen. Daar zij de Staat beheersen en de maatschappij sterk beïnvloeden, moeten de gereformeerden het wel moeilijk gevonden hebben om die Staat en die maatschappij toch te blijven zien als goede gaven Gods.
We moeten zelfs zeggen, dat het onder ons tot op deze dag zo staat. In het politieke zijn wij als gereformeerden in de Ned. Hervormde kerk zeer verdeeld en zeer besluiteloos. En ook in het maatschappelijke ligt het negatieve ons vaak beter dan het positieve, Daarbij kan het natuurlijk niet altijd blijven. Zoals ook de culturele vragen onder ons tot nu toe bijna geheel zijn blijven rusten, omdat de meesten van ons „er niets voor voelen", zo komt in al deze dingen een ontwikkeling van de Nadere Reformatie aan de dag, die toch bepaald niet gezond kan heten. De gereformeerde pioniers hebben anders gedacht. Waarom laten we hen dan in deze alleen staan ? We delen mèt hen de overtuiging, dat deze wereld maar een voorlopige betekenis en betrekkelijke waarde heeft tegenover de toekomende. Maar hebben we over dat voorlopige en betrekkelijke ons dan verder geen zorgen te maken ? Hier ligt o.i. een gebied braak, rijk aan strikken en valkuilen, maar dat desniettegenstaande zal moeten worden betreden, omdat de aarde immers des Heeren is en haar volheid.
In Verschuir zien we het hier gesignaleerde al zeer duidelijk liggen. Men heeft de Nadere Reformatie in haar verschraling graag vergeleken met diverse mystieken uit de Middeleeuwen en hier een kloosterachtige sfeer menen op te merken. Wij plegen dat tegen te spreken, omdat de sfeer toch weer anders is. Maar we ontkennen niet, dat de afstand tussen b.v. Verschuir en de ook alleenspraken houdende monnik van de Agnietenberg, n.l. Thomas á Kempis, veel minder groot is dan ons gewenst voorkomt. Ook Teellinck en Voetius hebben deze Thomas erg gewaardeerd, maar hun critiek op hem hield de balans in evenwicht. Die heilzame critiek schijnt ons hier te ontbreken.
We stellen dus vast, dat bij Verschuir de eeuwigheid niet zozeer de tijd verlicht en zin geeft, maar hem vooral drukt en becitiseert.
Het verwondert ons niet, dat daarom de , , ascetiek", die Voetius ons zo deed kennen, maar die al ouder is, bij Verschuir weerkeert, maar dan nog meer van de wereld afgekeerd en moedelozer. Gebed en vasten hebben bij Verschuir hun plaats ; zelfonderzoek en stille overdenking zijn hem lief; het contact met geestverwanten troost enigermate over de miskenning, die anderen tonen. We zouden in termen van onze dag kunnen zeggen : het pastorale, de bearbeiding van hen die binnen zijn, heeft zeer sterke nadruk, maar het apostolaat, het zoeken van hen, die buiten zijn, komt nauwelijks aan de orde. En dat gebeurt dan bij mensen, die als voorgangers zulke zendingsvrienden als Teellinck, Udemans en Van Lodenstein hebben !
Dat dus ook hier iets en veel veranderd is, zal duidelijk zijn. Ons lijkt even zeker, dat hier geen verbetering valt te constateren tegenover het verleden. Als onder ons deze zelfde geest niet zo vreemd is, dan verblijden we er ons toch zeer over, dat blijkens de oprichting van Gereformeerde Zendingsbond en Bond voor Inwendige Zending op Gereform. grondslag een noodzakelijk, tegenwicht tegen die concentratie op het apostolaat is gekomen, die alleen maar heilzaam kan werken, zowel op pastoraat als op apostolaat.
Dat brengt dan vanzelf mee, dat de Tale Kanaáns, die Verschuir ook zeer lief is, onder ons een wijze tempering heeft ondergaan. Daarin stellen we vast een ontwikkeling in de lijn van de echte Nadere Reformatie, die ons veel belovend lijkt.
We hebben er zo geen geheim van gemaakt, dat op Verschuir wel een en ander aan te merken is. De toon, waarin dit gebeurde, heeft echter wel doen blijken, dat we alles behalve pauselijk of schoolmeesterlijk hem zouden willen bedillen. In een andere omgeving, bij een andere klankbodem, zou Verschuir dezelfde dingen veel minder negatief en krampachtig hebben kunnen zeggen.
Wat we nóg maar weer eens eerlijkheidshalve willen herhalen is, dat wij in 1957, dus een kleine 250 jaar na hem, op al die punten, die hij wat forceert, niet noemenswaard verder zijn gekomen dan hij.
Dat kan ons dan wel wat bescheidenheid leren en het moge die moeilijke punten opnieuw en bij voortduur een plaats geven, zo tussen hart en hoofd in, om ze met warmte en toch ook gefundeerd en dan vooral positief te bezien en vooruit te brengen.
Van de matheid en de negativiteit, die we op zoveel punten bij Verschuir waarnemen, spreekt ook nog het zeer merkwaardige feit, dat De Labadie en de machtige bekoring, die hij juist op de besten van de mannen van de Nadere Reformatie heeft uitgeoefend, bij Verschuir wel geheel geweken is. En toch moest bij een man als hij, die „Sion's breuke" zó zag en betreurde, de verlokking, om deze gebroken kerk dan maar te verlaten en reeds hier burger te worden van een nieuw en geestelijk Jeruzalem, wel heel groot zijn. Van De Labadie's invloed in Friesland hebben we genoeg gehoord ; we kunnen ons moeilijk anders denken, dan dat ook in het nabije Groningen deze machtige magneet zijn krachtenveld heeft doen gewaarworden. Tot onze teleurstelling ontbreekt dit echter. En dat lijkt ons zeer bedenkelijk. Immers : waar men met De Labadie worstelde, als op leven en dood, daar bleek 't probleem van de kerk nog levend en de geesten bekorend. Verschuir wanhoopt blijkbaar aan de kerk, en zo moet hij een Labadist van bijzonder soort heten. Voor hem wordt het conventikel, wat voor de Labadisten de van de wereld gesepareerde huisgemeente in Wieuwerd en elders is. Het conventikel verkeert blijkens deze stand van zaken, in een critiek stadium: het was van oorsprong kerkelijk en kerkopbouwend van karakter. Maar het wordt hier al meer onkerkelijk en, door de kracht der consequentie, straks tegen-kerkelijk.
In onze dagen zien we zelfs dit tegenkerkelijke conventikel verdwijnen. Zullen we ons daarover verheugen ? Toch zeker niet anders dan met beving!
We gaan nu onze korte schets van Verschuir en zijn betekenis afsluiten. Merkwaardig, dat Verschuir zo betrekkelijk onbekend is gebleven en dat zijn geestverwant Schortinghuis, over wiens vermaarde boek Het innige Christendom we binnenkort hopen te verhalen, veel van de spot en miskenning heeft opgevangen, die evengoed voor Verschuir waren bedoeld. Misschien zelfs eerder, want als het er op aankomt, is Schortinghuis positiever dan Verschuir en moet de caricatuur op hem meer vat hebben dan op zijn bekendere nazaat.
Maar dan is het hier ook de plaats, om voor beiden een rechtvaardiger vonnis te verlangen. Merkwaardig hoe, ook wel onder ons, de een straffeloos alles zeggen mag en men bij de ander op elk slakje hopen zout legt. Men ergert zich dan nog aan al dat erg-innerlijke, zielontledende, onderscheidende bij de genoemden, en we hebben niets verborgen, dat naar ons oordeel dat alles zijn bedenkingen oproept en licht tot een leeg formalisme kan worden. Maar hebben Verschuir en Schortinghuis feitelijk wel anders gedaan dan uitwerken, wat de Heere Jezus (Johannes 3) aan een vlot diplomaat, die ook nog schriftgeleerde bleek te zijn, voorlegde n.l.: Voorwaar, voorwaar, tenzij een mens worde wedergeboren, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien ? Hebben ze wat anders gedaan dan de kritiek van Van Lodenstein op de kerk van zijn dagen herhalen: veel kennis en leer, weinig geest en leven ? Hebben ze ook niet verwantschap met het thema van de latere Ethische Theologie, die immers bij monde van de oude Gunning stelt, dat men herboren en bekeerd moet zijn, om de waarheid te verstaan? Waarom lachen we niet om die laatstgenoemden en waarom is het een zo goedkope, laffe mode en methode om Verschuir-Schortinghuis, als het maar even kan, een schop te geven ? Als men zich de moeite nam, hun werken te lezen en zich rekenschap te geven van de zeer moeilijke omstandigheden, waaronder ze gearbeid hebben, dan zou de antipathie wel wijken en begrip en sympathie kunnen groeien. Want het is toch zo klaar als de zon, dat dat Oldambt en dat Zeerijp, waar zij gezwoegd hebben, zonder te veel moeite kan vergeleken worden met menige gemeente, waar wij het moeilijke ambt te bedienen hebben gekregen. Menigeen van ons zucht als predikant, kerkeraadslid of gemeentenaar onder toestanden, die 250 jaar geleden daar in het noorden Verschuir en de zijnen zoveel zorg gaven. En ze worden dan — allicht — onbillijk kritisch tegen de genoemden en zeggen van hen veel lelijke en onware dingen, al ontbreekt de korrel waarheid er niet licht in.
We kunnen dat erg goed begrijpen. Alle eenzijdigheid wreekt zich. Maar als het tegendeel van het hier getekende aan de orde is : een vlotte, schematische prediking, met een cultureel, actueel sausje luchtig overgoten, waarin het schema van geloof en ongeloof erg makkelijk wordt gehanteerd ; waar , , de boodschap" alles uitmaakt en de neerslag en vrucht van de boodschap weinig of niet, daar bent u in het andere uiterste aangekomen en daarmee nog ongelukkiger. Laten we zeggen: Waar de sterk , , onderwerpelijken" zich vertonen, daar roepen ze licht conflicten op, wan't ze behoren waarlijk niet allen tot de wijzen en de edelen. Daar komt men er toe, te wensen, dat ze maar ontbraken. Maar o wee, als ze ontbreken. Daar gaat men vanuit een overspannen objectiviteit snakken naar de subjectiviteit, en daar wordt ze, door kritiek heen, ook pas recht gewaardeerd.
Als wij van onze kansels (en vooral vanuit ons huis- en ziekenbezoek) onze gemeenten inkijken, dan zien we onze gemeentenaren wel vrij anders gekleed dan in de tijd van Verschuir. De mensen van onze dag dragen niet meer het zwarte laken van toen, ook niet meer de serge en het satijn. Ze hebben zich gestoken in vlotter kleding, zoals het sportcolbert van Harris-tweed en daarbij passende Oxford-trousers.
Maar vergist u niet! Achter die andere gevel is een huis te vinden met licht niet rijker inventaris, dan toen. Letterkenner, Twijfelmoedige, enz. hebben een taai leven. Velen in onze gemeenten zijn heel erg achterop gekomen. En als ze ergens verlegen om zijn, dan is het om een zielzorger, die niet in een bepaalde , , hoek" zit; die integendeel uit het centrale van Schrift en belijdenis leeft, maar daarom ook wel weet, wat er in de diverse hoeken van kerk en mensenleven voorvalt. Als zo'n zielzorger niet iets en veel afweet van wat Verschuir zo bezig hield (zonder er in op en onder te gaan), dan is het weinig met hem gedaan. Dan zal hij vermoedelijk in vermeende, blinde ijver voor wat hij Gods huis acht, op die lastige , , bokken" losranselen en daarmee stellig wel triomfen behalen. Maar uiteindelijk zal hij het toch verliezen en hem zal ten laste gelegd worden, dat hij het kranke en het dwalende niet met liefde en geduld heeft terecht gebracht, dat hij tenslotte maar een , , kerkelijke" of partijdige huurling was en geen afbeelding, op hoe verre afstand ook, van de Goede Herder.
Verschuir is een brandend probleem, juist voor de gereformeerden in de Herv. Kerk. Ze moeten stellig, om huns levens wil, het schadelijke en verschraalde in hem overwinnen. Maar dan moeten ze positief te werk gaan en niet louter negatief. Niet met de zweep alleen, noch louter met het zwaard. Maar dringend nodig ook met , , de troffel".
P.S. In het eerste artikel over Verschuir is door mij ten onrechte gezegd, dat er in Groningen geen gemeente zou zijn, die tot de Geref. Bond behoort. De-gemeente Onstwedde is n.l. de uitzonderinig, die de regel bevestigt. Mijn excuus aan deze gemeente, die ik even over het hoofd zag. Ook in de stad Groningen is een groep van , „onze mensen". Vanuit het voetiaanse Zuiden een heilwens aan onze noordelijker broeders!
v. d. L.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's