VERWACHTING EN OFFER
„ZO IK NAAR DE MENS TEGEN DE BEESTEN GEVOCHTEN HEB TE EFEZE, WAT NUTTIGHEID IS HET MIJ INDIEN DE DODEN NIET OPGEWEKT WORDEN ? LAAT ONS ETEN EN DRINKEN, WANT MORGEN STERVEN WIJ." 1 CORINTHE 1 5 : 32
Het zal u wel meermalen overkomen zijn, dat u, na uw krachten gegeven te hebben aan een gewichtige zaak, de vraag in u voelde opkomen. , , wat heb ik met al m'n inspanning eigenlijk bereikt? " Ons leven is immers vol van teleurstellingen, en vaak komt het zelfs zover, dat we uitroepen : , , waar om maak ik me nog langer druk." Heeft het wel wezenlijke waarde om eerlijk te zijn, om zich in te spannen, om naar recht te zoeken en om zich opofferingen te getroosten ? Gelijkt ons leven niet menigmaal op een stuk papier, dat door grillige windvlagen heen en weer geschoven wordt en tenslotte in de goot terecht komt ?
Wij staan aan de vóóravond van de 12e verjaardag van de bevrijding van ons vaderland. En bij niet weinigen zal tooh de vraag opkomen of het offer, dat door velen is gebracht, niet tevergeefs is geweest.
Gelet op de spanningen, waarin we nu weer verkeren, is de vraag begrijpelijk naar de zin van onze inspanning en van ons offer, naar de zin van onze strijd en van ons geloof. Is alles wat we doen eigenlijk geen vergeefse moeite ?
Op die pijnlijke vraag wil nu de apostel Paulus ons een antwoord geven in de tekst, die hier boven staat. Uit het verband blijkt, dat zijn leven gestaan heeft in het licht van de verwachting. Hij wist zich door de ontferming van Christus verzekerd van de zaligheid. Maar hij wist óók, die zaligheid alléén nog maar „in hope" te bezitten. Wat hij ervan genoot, dat waren nog slechts de eerstelingen, die echter héénwezen naar de volle oogst, die komen zou. Door Zijn opstanding uit de doden was de Heere Christus immers de Eersteling geworden der ontslapenen? In Christus' opstanding lag daarom verankerd de opstanding der doden. En nu is het die verwachting, die haar licht werpt over het léven van de apostel, over zijn strijd, over zijn inspanning en over de opofferingen, die hij zich moet getroosten. In de gemeente van Corinthe ontbrak echter deze verwachting. De gemeente had wel met haar heidense verleden gebroken, maar toch werkte er van dat verleden nog heel veel na. Men dreigde zelfs 'weer in het heidendom van voorheen terug te vallen. Dat bleek nu uit de loochening van de opstanding der doden.
Aan het feit van Jezus' glorierijke verrijzenis uit het graf twijfelde men weliswaar niet, maar dat in het Paasgebeuren de opstanding der doden verankerd lag, dat zag men niet in. De Corinthiërs dreigden weer door de Griekse geest overmeesterd te worden, volgens welke het lichaam de kerker is van de ziel. Daarom was de opstanding des vleses voor hen onaanvaardbaar, en zij meenden dit stuk van het christelijk belijden gerust te kunnen laten vallen, zonder enige schade. Doch daartegen komt Paulus nu met kracht op in 1 Cor. 15. 't Gaat hier maar niet om bijzaken, die de kern niet raken. O neen, als de opstanding der doden wordt losgelaten, dan komt eigenlijk alles op losse schroeven te staan.
Want dan laat men ook de opstanding van Christus los. En dan verliest heel ons geloof z'n grond en z'n zin. Ja, nog verdere consequenties trekt Paulus, als hij in onze tekst zijn eigen geloof en zijn eigen inspanning en opoffering als voorbeeld neemt. , , Zo ik naar de mens tegen de beesten gevochten heb te Efeze, wat nuttigheid is het mij, indien de doden niet opgewekt worden ? " Op het moment, dat Paulus aan de Corinthiërs schreef, vertoefde hij in Efeze. Daar heeft hij zich blijkbaar de zwaarste geestelijke en lichamelijke inspanning moeten getroosten, terwille van het Evangelie der genade Gods. Ieder uur was hij in gevaar. Is Paulus werkelijk voor de wilde dieren in de arena geworpen en op het laatste moment nog gered? Het is aannemelijker om deze uitdrukking als beeldspraak te verstaan voor de strijd, die Paulus heeft moeten leverden tegen de volksmassa, die door de Grieken óók wel een gevaarlijk dier werd genoemd. Hoe het ook zij, Paulus vraagt ten aanzien van die verwoede strijd in Efeze, met gevaar voor eigen leven gestreden : "Wat nuttigheid is het mij ? "
Stel, zo oppert Paulus, dat ik door louter menselijke berekening gedreven werd, welk voordeel zou het mij opgeleverd hebben? Neen, als het werkelijk waar zou zijn, dat de doden niet worden opgewekt, dan blijft er eigenlijk nog maar één weg' over : „Laat ons dan eten en drinken, want morgen sterven wij."
(In de nieuwe vertaling worden deze beide gedachten juister op elkaar betrokken). Wij komen dit lichtzinnige woord al tegen in het boek Jesaja (hoofdst. 22 : 13 en 56 : 12), terwijl het bovendien de stelregel geweest moet zijn van een bepaalde secte, die oordeelde : met de dood is alles afgelopen.
Wij komen dit woord echter vooral tegen in ónze tijd bij degenen, die hun roeping ontvluchten, van verantwoordelijkheid niets meer verstaan, en van opofferingen niet willen weten. Zij leven om te genieten ; zij willen van het leven halen!, wat er van te halen valt, want morgen kan het misschien al niet meer.
Ja, tot zulk een levenshouding móet men wel komen, wanneer men niet meer kent de kracht van Christus' opstanding en de verwachting van de opstanding der doden. Als het geloof zich richt op een Heiland, wiens macht niet over de dood heenreikt, ach, dan wordt elk offer; nutteloos en elke inspanning ijdel. Waarom er dan niet op los geleefd ?
Voor Paulus staat het echter anders. Hij heeft in onze tekst slechts even een veronderstelling gemaakt: , , indien de doden niet opgewekt worden". Maar hij weet gelukkig wel beter. Christus is immers ten derden dage uit het graf verrezen? Welnu, daarin ligt opgesloten, dat allen, die in Hem geloven ook mét Hem opgewekt zijn tot eten nieuw leven.
Doch zij genieten hier nog slechts de eerstelingen. Ééns zullen zij echter tenvolle met Hem uit de dood verrijzen. Delen zij nu reeds geestelijk in het leven van hun verrezen Zaligmaker, straks zullen zij de volle oogst zien als zij met lichaam en ziel mogen delen in het leven van hun verheerlijkt Hoofd. Zie, dat is Paulus' verwachting.
En wat betekent die verwachting nu voor onze dagelijkse levenspraktijk ? Wel dit, dat we dan juist niet meer het standpunt kunnen huldigen : , , Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij". Morgen sterven? Neen, de mens die mag leven in het licht dat uitstraalt van Christus' opstanding wéét, dat met de dood niet alles afgelopen is. Daarom kan hij zich ook niet laten gaan. Want hij is op weg naar een eeuwige toekomst. En door het licht van die verwachting krijgt dit leven juist beslissende betekenis. We leren dan vragen niet wat we van dit leven kunnen halen, maar hoe God in ons leven het meest tot Zijn eer zal komen.
En zie, dan is er ineens geen inspanning te groot meer en geen arbeid te zwaar. Dan is er geen strijd te zwaar en geen offer te groot. Er is dan ook geen sprake van, dat Paulus' verbitterde gevecht in Efeze nutteloos of zinloos is geweest. Integendeel. Zijn verwachting gaf hem een sterk roepingsbesef en grote offerbereidheid.
Men hoort wel eens beweren, dat de verwachting ons van onze levenstaak vervreemdt en onze veerkracht verlamt. Maar het is juist omgekeerd !
Vraag u daarom af, wanneer uw inspanning u vergeefs schijnt, of ge de kracht van Christus' opstanding wel kent. 't Kan zijn, dat u het erg moeilijk hebt en dat de duivel u influistert: , , Houd op met bidden, staak de arbeid voor Gods Koninkrijk, profiteer van het leven, denk aan uw eigen belang, zoek toch niet de weg van het offer." , , Wat schiet u er mee op? 't Is toch immers nutteloos ? "
En wat is dan uw antwoord ? Bedenk, dat de opgestane Christus gezegd heeft: , , Ik leef en gij zult leven". En in het licht van die belofte moogt ge ervan verzekerd zijn, dat uw arbeid niet ijdel is in de Heere. Houdt de duivel dan maar vóór de kracht van Christus' opstanding. Als ge in het licht daarvan wandelen moogt, dan kent ge nog maar één hartstocht: te leven in gehoorzaamheid aan Jezus Christus.
En dat maakt u bereid tot elk offer, dat Hij van u vraagt. Want dan wordt u gedreven door Zijn liefde. En dan wordt de leus : , , laat onS' eten en drinken, want morgen sterven wij" vervangen door de leus : , , Als God mij vertroost, is 't kruis niet te zwaar".
, , Laat ons ons daarom geven, inzetten, offeren", want immers : morgen léven wij ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's