De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE MENS, HET BEELD GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE MENS, HET BEELD GODS

11 minuten leestijd

Berkouwer vangt aan met er op te wijzen, dat de vraag : Wat is de mens ? , in het middelpunt der theologische en wijsgerige belangstelling staat en dat er desondanks geen onweersprekelijk en duidelijk antwoord op die vraag is.

Dat is ook zo. Wij zijn mensen, leven onder de mensen, weten heel veel af van het leven der mensen, en hebben toch geen klaar en onweersproken antwoord op de grote vraag: wie of wat is de mens ?

En nu de titel! , , De mens, het beeld Gods".

Is dat dan geen afdoend en klaar antwoord ?

Voor velen onder ons is het dat mogelijk wél. De mens het beeld Gods. Dat is toch Schriftuurlijk ; En God schiep de mens naar Zijn beeld ; naar het beeld van God schiep Hij hem ; man en vrouw schiep Hij ze. (Gen. 1 : 27).

Zeker, dat geloven wij, omdat de Heilige Schrift het zegt. Mogelijk verstaan wij in het geloof ook iets van de ernst van dat woord, met name in verband met onze val. Hoe kan dat? Goed geschapen en toch gevallen ?

Ziedaar de vragen reeds beginnen, ook bij u. Goed en naar Zijn evenbeeld geschapen, zegt de catechismus, dat is in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God zijn Schepper recht kennen. Hem van harte liefhebben, en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zoude, om Hem te loven en te prijzen. (Vr. en antw. 6).

God heeft de mens alzo geschapen, dat hij dat kon doen, (n.l. wat God in Zijn wet van hem eist) ; maar de mens heeft zichzelven en al zijn nakomelingen, door het ingeven des duivels en door moedwillige ongehoorzaamheid van deze gaven beroofd. (Zie vr. en antw. 9).

Dit zijn nu een paar stukken uit de catechismus, en wij belijden die van harte en naar wij aannemen ook gij, die dit leest, maar toch blijft de vraag : hoe was dat mogelijk?

, , De mens beeld Gods". Geldt dat ook van de gevallen mens met zijn verdorven natuur?

Daar hebt gij al weer een vraag.

En let dan eens op, wat de catechismus in vraag 9 stelt: Doet dan God de mens niet onrecht, dat Hij in Zijn wet van hem eist, wat hij niet doen kan? Het antwoord zegt: God heeft de mens zó geschapen, dat hij het doen kon!

Wat heeft de wet Gods met , , de mens Gods beeld" te maken ? Daaromtrent heb ik in het boek van prof. Berkouwer nog geen duidelijke voorstelling ontmoet.

Toch achten wij het van belang deze vraag te stellen, alleen al, omdat de catechismus het zegt, want die. spreekt hier in één verband over de schepping van de mens naar Gods beeld, de val, en de wet. Het geloof voelt derhalve verband tussen die drie.

Een paar voorbeelden, om te doen zien dat er aanleiding is om nader bij een en ander stil te staan.

Een andere vraag is, of dit nader er bij stilstaan ons ook verder zal brengen dan het geloven met het hart en belijden met de m'ond.

Berkouwer's eerste hoofdstuk draagt tot titel , , Het geheimenis van de mens". En inderdaad, de grote belangstelling voor de mens en de vragen aangaande de mens rechtvaardigen deze titel volkomen. De natuurlijke mens verkeert omtrent zijn eigen wezen in duisternis en Calvijn heeft terecht opgemerkt, dat Godskennis en zelfkennis ten nauwste samenvallen. (Inst. I, I).

Hoe weinig verwachting kan er dan zijn, wat de kennis van de mens betreft, voor hen, die van deze samenhang geen flauw besef hebben, die de mens willen leren kennen uit zijn verschijning en gedragingen buiten het licht der openbaring en derhalve buiten God om.

Slechts in het aangezicht Gods kan de mens zichzelf leren kennen.

Ik weet niet, of wij tot enige diepere kennis van welk schepsel ook kunnen komen, als wij dat alleen op zich zelf beschouwen en van het ding zelf uit een antwoord willen hebben op de vraag naar zijn wezen.

Veeleer houd ik het daarvoor, dat wij van geen schepsel het wezen kunnen ontdekken. De definities, welke de wijsgeren geven omtrent het wezen, zijn dan ook zeer verschillend en onbevredigend. Zij komen er eigenlijk op neer, dat men het begrip, hetwelk men van éen zaak heeft op grond van ervaring en waarneming, voor het wezen houdt.

Hoeveel te meer zal het dan van de kennis van het wezen van de mens gelden, dat wij voor een geheimenis staan, en dat alleen God zelf hem kan ontdekken aan zichzelf, zoals Calvijn ons leert.

En toch — Berkouwer wijst er op (blz. 20) — wil men door Calvijn niet geleerd zijn. Sommigen ook zijn van mening, dat in de moderne-philosophie tekenen van een beter inzicht kunnen worden opgemerkt, doch wij scharen ons aan de zijde van. Berkouwer, om dat te betwijfelen. (Vgl. blz. 21 v.v.).

De mens in verhouding tot God, en niet op zichzelf beschouwd.

Dat is kort en bondig, wat Calvijn ons leert. En dat Berkouwer zich op dit standpunt stelt, kan duidelijk worden uit de volgende zinsnede : , , Wanneer de verhouding tot God niet een aan het mens-zijn toegevoegd donum is, dan is het duidelijk, dat al wie deze relatie abstraheert, ons het geheimenis van de mens nimmer zal kunnen ontsluiten, (blz. 26).

De bedoeling is derhalve klaarblijkelijk, dat de verhouding van de mens tot God tot het wezen van de mens moet worden gerekend, en daarvan niet losgemaakt mag worden, omdat die verhouding tot het wezen behoort, daaraan krachtens Gods bestel eigen is. 

Men kan het menselijk leven en bestaan onder velerlei aspecten willen beschouwen, maar komt tot kennis van het wezen van de mens niet. De mens, de werkelijke mens, kan slechts worden gekend in zijn verhouding tot God, of beter misschien, , , in het aangezicht Gods".

Dit is het nu o.i. juist, wat besloten ligt in de Schrift, als zij zegt : , , God schiep de mens naar Zijn beeld".

In het voornemen Gods (Gen. 1 : 26) om mensen te maken naar Zijn beeld en gelijkenis, ligt, naar wij geloven, het voornemen Gods om wezen en bestemming van die mens in Zijn gemeenschap te zetten en te doen voltrekken.

Geen wonder dus, dat deze aanduiding Gods beeld de aandacht moest trekken en vragen doen opwerpen, als b.v.: Zijn wij Gods beeld ook na de val ? Is het slechts een herinnering aan het verloren paradijs?

Deze vragen brengen ons in het centrum van de geschiedenis van de leer van het beeld Gods en bij het tweede hoofdstuk van Berkouwer 's boek : , , Voorlopige oriëntering".

Kan de zondaar nog beeld van God genoemd worden ? Of kan men over het beeld Gods alleen spreken in het licht van schepping en herschepping, om het heel kort uit te drukken ?

Berkouwer gaat op de beantwoording van deze vraag in en vindt terecht, dat het antwoord veelal , , dialectisch" uitvalt, zo iets van ja en neen, met toevoegingen en onderscheidingen. Denken wij slechts aan de , , gereformeerde" onderscheiding van het beeld Gods in ruimere en engere zin. (Vgl. blz. 34 v.)

Men kan bezwaar tegen deze onderscheiding maken en zelfs met reden, en toch is deze niet zinloos. Immers de mens is mens gebleven, ofschoon hij zich van zijn gaven in rechtheid door moedwillige ongehoorzaamheid heeft beroofd. (Zie boven, catechismus en vgl. ook Ned. Geloofsbel., art. XIV).

Men stelt het dan eigenlijk zó, dat het beeld Gods in ruimere zin (mens blijven) nog aanwezig is, terwijl het in engere zin verloren ging.

Bij de behandeling van dit punt, vindt Berkouwer aanleiding om te verwijzen naar A.Kuyper Jr., die een onderscheid wil maken tussen wezen en natuur. Het wezen zou dan overeenkomen met het beeld Gods in ruimere zin, en de natuur met het beeld Gods in engere zin. Hoewel Berkouwer een welwillende houding aanneemt tegenover het motief op de achtergrond, (de mens is mens gebleven), wijst hij de redenering van A. Kuyper Jr. toch van de hand. , , Men vraagt zich als vanzelf af", zo zegt Berkouwer, , , of dat wezen van de mens dan van de zonde geen gevolgen ondervond en volkomen intact is gebleven en of men dit , , wezen" zo van de , , natuur" kan scheiden, als Kuyper Jr. doet, die het blijvende , , wezen" dan concreet laat worden in een heilige of onheilige natuur", (blz. 37).

Het is niet nodig de beschouwingen van Kuyper Jr. nader te onderzoeken of ook maar te kennen, om. met Berkouwer te verschillen in de beoordeling van de verhouding van wezen en natuur. De voorstelling van een intact geble­ven wezen bij een geschonden natuur is waarlijk niet zinloos en kan een welkome hulp wezen in de nood van het onderhavige vraagstuk. Wij hebben daarop boven reeds gedoeld, toen wij met een enkele zinsnede aan de onbereikbaarheid van het wezen der dingen in het algemeen reeds voor ons verstand raakten.

Wij menen met deze stelling op Schriftuurlijke bodem te staan. Het wezen der dingen is van hun verschijning onderscheiden en ligt achter de dingen. Het wezen is boven de dingen verheven. Het openbaart zich in de verschijning der dingen, en deze wordt door het wezen bepaald, zodat het wezen door ons niet nader en niet anders gekend wordt dan in de verschijning der dingen.

Waar het wezen dan is, als het boven de dingen uitgaat?

Zou iemand er bezwaar tegen kunnen maken, als wij zeggen, het wezen der schepselen daar te moeten zoeken, waar hun oorsprong gezocht moet worden?

Wij menen van niet. En leert de Heilige Schrift ons niet, dat de oorsprong van alle dingen in de wil Gods moet worden gezocht ? Daarom bewegen wij ons zonder twijfel op het terrein der openbaring, als wij menen, dat het wezen der dingen in Gods Raad aangaande de schepping ligt. En niet alleen het wezen, maar ook de bestemming.

Reeds het eerste hoofdstuk van Genesis geeft daarvan een klaar getuigenis. Beginnen wij slechts met vs. 26 : En God zeide : , , Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis" ; en wat daar verder volgt. Hier wordt ons een openbaring gedaan omtrent het goddelijk overleg, dat aan de schepping van de mens vooraf gaat. God deelt ons mede, wat in Zijn Raad was voorgenomen aangaande de schepping van iets onbepaalds? Wel neen, van mensen, naar Zijn beeld en gelijkenis.

God heeft - bij wijze van spreken - de mens, die Hij voorneemt in het aanzijn te roepen, voor Zich, Hij ziet hem ; die mens heeft op een voor ons ondoorgrondelijke, wijl goddelijke wijze, gestalte in de Raad Gods. Die mens staat in de Raad Gods, zoals God hem wil, ziet en kent.

Eerst nadat ons dit voornemen uit de Raad Gods wordt medegedeeld, komt VS. 27 ons zeggen dat God uitvoering gaf aan dat voornemen : En God schiep de mens naar Zijn beeld.

Beschouwen wij nu ook het. voorafgaande deel van Genesis 1, dan kunnen wij opmerken, dat ook de overige scheppingsdaden uitvoering geven aan hetgeen bij God was voorgenomen: En God zeide : Daar zij licht!, en daar werd licht. En God zag het licht, dat het goed was.

Het is geen experiment voor God, maar Hij weet, wat Hij scheppen wil en als Zijn machtwoord is uitgegaan, ziet Hij, dat het goed is. Wat kan daarvan anders de zin zijn dan deze : Het beantwoordt aan Mijn voornemen en daarmede aan de bestemming, welke Ik daaraan heb gegeven.

Er kan dus geen bezwaar tegen zijn, als wij zeggen, dat het wezen der dingen door Gods wil en voornemen bepaald, in de Raad Gods gestalte heeft. En dat niet alleen op grond van het zo even opgemerkte, maar zegt de Schrift niet, dat alle dingen tezamen in Christus bestaan? En is ook de gemeente niet in Christus geschapen ? (Kol. 1 : 17; Ef. 2 : 10).

Indien de Schrift voorts zegt: naar Ons beeld en naar Onze gelijkenis, kunnen wij dan ver van de waarheid verwijderd zijn, als wj het Gods-beeld-zijn voor het wezen houden en dat , , de mens naar Gods beeld" in de Raad Gods gestalte heeft, welke overeenkomt met het voornemen Gods ?

Het is in dit verband ook treffend, dat de catechismus en belijdenis niet spreken van verdorven wezen, maar van onze verdorven natuur. Wij beweren niet, dat daarmede de vragen beantwoord zijn, welke Berkouwer stelde naar aanleiding van de redenering van Kuyper Jr. Wèl kan men zeggen, dat het wezen, op deze wijze gezien, intact is gebleven door de zonde. En toch is daarover ook zo het laatste woord niet gezegd.

En dan de vraag aangaande het verband of de verhouding wezen-natuur!, en de mogelijkheid van de val!

Wij komen daarop nog terug.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE MENS, HET BEELD GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's