NATUUR EN WEZEN II
Indien wij het zó stellen, dat het wezen en de bestemming der schepselen in Gods wil liggen, kan de natuur alzo als de openbaring van het wezen worden gezien. De natuur is de verschijningsvorm van het wezen, de gestalte, waarin het wezen verschijnt.
Daarmede is dan de verhouding tussen wezen en natuur uitgedrukt. Het wezen wordt openbaar door de scheppende daad Gods. Hij immers roept de dingen in het aanzijn, alsof zij waren. De dingen, die gezien worden komen op uit de dingen, die niet gezien worden.
De samenhang tussen wezen en natuur moet dan haar verklaring vinden in de scheppende en onderhoudende werking Gods in de weg van de vervulling van Zijn Raad aangaande het geheel van Zijn scheppende en openbarende werkzaamheid.
Om meerdere redenen zullen wij deze weg nimmer kunnen naspeuren, omdat wij aanzien wat voor ogen is. Wij kunnen de verschijnselen en de veranderingen, voor zover wij die gewaarworden en kunnen waarnemen, volgens de methoden der wetenschap beschrijven en in onderling verband trachten te begrijpen, maar met onze waarnemingen doordringen tot in de laatste oorzaak, doordringen tot in de Raad Gods en het hoe, wat en waarom van Gods wil, kunnen wij niet. Dat wil het o.a. zeggen, dat God verheven is en in de hemel. Wij mensen zijn aards uit de aarde en ons verstand reikt boven de aardse dingen niet uit, tenzij wij door de Heilige Geest verlicht worden. Dan echter verandert ook de aard van het kennen. Het geloof heeft een schouwende kennis. Onze aardse wetenschap echter is op de verschijnselen aangewezen. Zij moet van de nauwkeurige waarneming der verschijnselen uitgaan en trachten begrip te verkrijgen omtrent de veranderingen, die zich daarin voltrekken, en daarin orde en regel ontdekken.
Uit dien hoofde komt de wetenschap nooit tot kennis van het wezen, dan tot een begripsbepaling. Het is dan ook overschatting van het menselijk vermogen, als wijsbegeerte en wetenschap zich ten doel stellen tot „het wezen der dingen door te dringen".
Verder dan de beschrijving der verschijnselen en de ontdekking van de ordeningen, waardoor zij worden bepaald kan zij niet vorderen, omdat haar onderzoek tot de natuur der dingen bepaald is. In dat opzicht is het woord natuur ook zeer duidelijk. Het hangt samen met geboren worden, dus heeft het oog op de verschijning der dingen, op het ontstaan en vergaan, en op de orde, welke daarin kan worden ontdekt.
Er is dus volgens onze beschouwing een verband tussen het wezen der dingen en hun natuur, maar de kennis, welke dit verband zou kunnen verklaren, zou de scheppende en onderhoudende handelingen Gods moeten kunnen naspeuren en ontleden.
Het is echter reeds genoeg — om zich bij deze gedachte alleen te bepalen — om te doen verstaan, dat zoiets boven het vermogen van een mens uitgaat.
En nu de vraag van Berkouwer naar aanleiding van de bewering van Kuyper Jr. aangaande wezen en natuur. Doch eerst nog een opmerking. Waar Kuyper Jr. deze gedachte gevonden heeft, staat er niet bij, doch Berkouwer schijnt haar voor een wijsgerige te houden, en vindt, dat dit geen vertrouwen kan wekken. In verband met deze opmerking memoreren wij gaarne, dat b.v. aan de Platonische ideeënleer kan worden gedacht. In deze leer heeft de idee wel iets van wat met wezen kon worden aangeduid. Zij wordt ook transcendent en goddelijk gedacht en als het gaat over het verband met de verschijningsvorm en de gestalte, weet Plato daaromtrent niet veel te beweren.
Er is dus wel enige overeenkomst, al zou het alleen maar zijn, dat Plato de oorsprong van de zichtbare wereld zoekt in een boven deze wereld verheven werkelijkheid. Verder gaat de overeenkomst echter niét.
Wij hebben echter in het voorafgaand artikel aangetoond, dat men heus niet bij Plato in de leer behoeft te gaan om het waarheidsmoment, dat in zijn beschouwing ligt, te ontdekken. Bovendien kan een wijsgeer ook wel eens een waarheid ontdekken. Daarop wijst ook Calvijn, die toch waarlijk heel erg critisch staat tegenover de philosophie, en wel heel bijzonder, als deze over God en de goddelijke dingen wil praten.
Calvijn erkent slechts één autoriteit, als het aan de waarheid komt, n.l. de Heilige Schrift. Hij gaat daarop door, en leert, dat, wanneer een wijsgeer iets beweert, dat overeenkomt met de waarheid, de Heilige Geest dat hem heeft geleerd.
, , Men vraagt zich als van zelf af", zo merkt Berkouwer vervolgens op, , , of dat wezen van de mens dan van de zonde geen gevolgen ondervond en volkomen intact is gebleven en of men dat , , wezen" zo van de , , natuur" kan scheiden, als Kuyper doet".
Wij zijn in het minst niet verantwoordelijk voor, wat Kuyper Jr. in deze zaak beweerd heeft en voelen ons ook niet verplicht of geroepen om zijn standpunt te verdedigen.
Onze belangstelling wordt alleen gaande gemaakt door deze vraag : , , het wezen blijvend en intact". Daarop komt het hier neer.
Afgezien dus van Kuyper's beschouwing zal men verstaan, dat in onze redenering het wezen der dingen en van hun bestemming wordt gezocht in de wil Gods en. dat het wezen daar intact en ongeschonden blijft. Immers aangezien wij mensen niet bij machte zijn in te dringen in de Raad Gods, zijn wij ook niet bij machte ons wezen, zoals dat in de wil en het voornemen Gods is, te beschadigen of te schenden. Men kan dus waarlijk zeggen, dat het wezen van de mens door de zonde niet werd geraakt. Dit kan niet worden weersproken, indien men van het wezen de zin en de betekenis geeft, zoals wij hebben uiteengezet.
Indien wij dus zeggen : het wezen van de mens werd door de zonde niet geschonden, dan mag men voor het wezen niet een andere voorstelling inschuiven, geen eigen gedachte, welke afwijkt van de onze, Berkouwer schijnt zelf b.v. een andere voorstelling te volgen, want hij vraagt, of men het , , wezen" zo van de , , natuur" kan scheiden. (Eigenlijk schrijft hij dit wezen, maar dat nemen wij niet over, omdat het woordje dit kennelijk verwijst naar de visie van Kuyper Jr., die wij buiten beschouwing laten).
Uit het voorgaande is reeds gebleken dat in onze beschouwing tussen wezen en natuur de scheppende en onderhoudende hand Gods ligt. Onder dit aspect zou de natuur, welke God goed geschapen heeft, dus ook goed moeten blijven en zouden wij mensen moeten zeggen: het is onmogelijk, dat die natuur onder de scheppende en onderhoudende hand Gods verdorven wordt.
Deze situatie loopt derhalve volkomen parallel met de vraag : hoe was het mogelijk, dat de mens, die God goed geschapen heeft, kon vallen ? Hoe kon opstand en ongehoorzaamheid opkomen in het hart van de goed geschapen mens?
Wij hebben destijds in ander verband gememoreerd, dat Barth spreekt van de zonde als van een onmogelijke mogelijkheid.
Die onmogelijke mogelijkheid brengt ons intussen niet verder, en kan slechts een andere uitdrukking zijn voor b.v. het raadsel der zonde, terwijl Schrift en ervaring leren, dat de zonde een feit is en de wereld verdorven is.. Of men wezen en natuur zo kan scheiden ?
Als er van scheiding moet gesproken worden, zijn ze in onze beschouwing gescheiden door de scheppende en onderhoudende hand Gods. Dat is echter veeleer een saamhang en levende relatie. Van scheiding zou alleen sprake kunnen zijn met het oog op het geheel andersoortige van de werkelijkheid van het wezen in Gods Raad en van de natuur in de geschapen werkelijkheid, die wij wereld noemen, dit mysterie der schepping ligt daartussen, de daad Gods, die aan de dingen gestalte geeft, een werk van Woord en Geest.
De dingen, die gezien worden, komen op uit de dingen, die niet gezien worden.
Het scheppingswonder ligt er tussen en daarom is de vraag niet, hoe kan het wezen intact blijven, terwijl de natuur verdorven werd, want dat wezen ligt — bij wijze van uitdrukking — vóór de naar buiten tredende scheppende en onderhoudende daad Gods, maar hoe kan de natuur verdorven worden? Er is voorts geen enkele reden om aan te nemen, dat de natuur eenmaal bedorven geworden, het wezen in Gods Raad zou kunnen aanranden, maar de mens, die zondigt, tast in zijn natuur ook zijn wezen aan, omdat hij zijn wezen heeft in zijn natuur.
Door de zonde heeft de mens derhalve de gerechtigheid en heiligheid zijner natuur, als de reine en van God gewilde openbaring van zijn wezen, geschonden.
Daarmede heeft hij de weg naar zijn bestemming afgesneden, want zijn bestemming was gelegen in de reine openbaring van zijn wezen.
Vragen wij nu, of dan het wezen van de mens nog nader kan worden aangeduid, dan kan het niet toevallig zijn, dat wij sprekende over , , het beeld Gods" tot deze en dergelijke beschouwingen komen, want het wezen van de mens is door God zelf aangewezen, als Hij zegt: , , Laat Ons mensen maken naar Ons beeld en naar Onze gelijkenis".
Beeld Gods: dat is het wezen van de mens. God heeft alzo het wezen van de mens naar Zijn heilig Wezen bepaald.
Op een geheel bijzondere goddelijke wijze staat de mens als beeld van Zijn Schepper in de Raad en het voornemen Gods. Het is des mensen bestemming dat beeld, zijnde zijn wezen, te mogen vertonen in de openbaring, welke God daaraan schonk op de dag, toen Hij hem formeerde en de adem des levens inblies in zijn neusgaten, toen de mens werd tot een levende ziel. Daarmede was voorts de openbaring van zijn wezen niet voltooid, want God had een eeuwige bestemming voor de mens weggelegd.
Zodra wij over de zonde gaan spreken, welke de reine openbaring van het beeld Gods, de reine openbaring van het wezen, kwam verstoren, treedt nog een andere relatie tussen de mens en God aan het licht naast de scheppende werkzaamheid, die uitvoering gaf aan Zijn wil: n.l. de eis van gehoorzaamheid. Deze, geestelijk-zedelijke betrekking heeft aan de éne zijde met Gods wil vahdoêhen aan de andere kant met de van naar Gods beeld geschapen mens in zijn aardse bestaan.
Deze relatie is van geheel andere aard dan de betrekking tussen des mensen wezen en des mensen natuur. Hier gaat het om de scheppende wil Gods en om Zijn scheppende handeling. In de geestelijk-zedelijke betrekking tussen God en Zijn schepsel, gaat het om een verbondmatige verhouding van' God tot de mens, waarin God met hem wil handelen en omgaan.
Al wat de scheppende, wil en de scheppende handeling Gods betreft, ligt bij God, maar hoewel God het verbond zelf stelt en bepaalt, draagt de verbondmatigheid een tweeledig karakter, dat wordt bepaald door de orde van het verbond : , , Doe dat en gij zult leven".
De reinhouding van de natuur, d.i. de onderhouding van de gerechtigheid en heiligheid, de natuur als openbaring van het beeld Gods, is alzo gebonden aan de eis der gehoorzaamheid.
Zo heeft ook Gods gebod met de verhouding wezen en natuur van doen
Daarover een volgende keer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's