VERSLAG VAN DE JAARVERGADERING
VAN DE GEREFORMEERDE BOND OP DE 2e MEI 1957 IN HET GEBOUW VOOR KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN TE UTRECHT
De voorzitter opende de vergadering, liet Psalm 25 : 2 en 3 zingen en las voor Joh. 15, waarna hij voorging in gebed.
Daarna hield hij zijne openingsrede, die met grote aandacht werd gevolgd.
De herdenking van ons 50-jarig bestaan ligt alweer een jaar achter ons en wij achten het een voorrecht wederom in jaarvergadering bijeen te zijn om het laatste jaar te overzien en de band der gemeenschap te versterken.
Eén van de grootste tot dankbaarheid nopende verschijnselen, waarop wij de aandacht willen vestigen, is het verheugende feit, dat die gemeenschap er is, en in de verschillende sectoren van onze gereformeerde beweging ook wordt gevoeld en erkend, zoals op onze contiones, toogdagen en jaarvergaderingen, mag worden vernomen.
Wij achten dat niet alleen een groot voorrecht, maar ook een zegen Gods en een blijk van Zijn gunst. Gaarne willen wij nog iets nader stilstaan bij deze zaak. Het is zeker niet in de eerste plaats een vrucht van ons elkander zoeken, maar veeleer een gevoel van elkander nodig hebben in verband met de na-oorlogse ontwikkeling van het kerkelijk leven, niet alleen in de Hervormde Kerk, maar ook daarbuiten.
Deze ontwikkeling is over de gehele linie, op zijn zachtst uitgedrukt, afkerig van het traditioneel geloof, dat de gereformeerde geloofsbelijdenis aanhangt. Wij ervaren dat in onze gemeenten bij de dag. Een z.g. midden-orthodoxie is aan de macht gekomen, die zich laat leiden door de denkbeelden van de „nieuwe theologie", welke op zeer fundamentele punten welbewust afwijkt van de leer der vaderen. De leidende richting stelt zich de Hervormde Kerk voor als een modaliteiten-kerk, waarin de verschillende richtingen geacht worden in beginsel gelijkelijk voor de Waarheid geïnteresseerd te zijn, welke zij echter onder verschillend aspect en in verschillende mate van klaarheid vermogen te zien, hoewel geen mens de Waarheid kan hebben of kennen, want — en daarmede staan wij voor het uitgangspunt en de grondonderstelling van wie zo redeneren — de Waarheid is te hoog en verheven, dan dat wij die zouden kunnen kennen. De Waarheid gaat ver boven ons uit en wie er wat van opvangt, ontvangt toch maar een glimp.
Ziedaar de grondgedachte van dat begrip modaliteiten-kerk.
Men spreekt dan ook heel gewoon van modaliteit, ook als het de Gereformeerde Bond betreft, hoewel wij uit de aard der zaak op die waardering geen prijs kunnen stellen. En het is heel merkwaardig, terwijl men zeer welwillend staat tegenover de modaliteit, ook als het b.v. de vrijzinnigen aangaat, schijnt er aan de erkenning van de Hervormd-Gereformeerden als modaliteit toch wat te haperen. Het schijnt iets bezwaarlijker voor velen, om ons Hervormd-Gereformeerden, modaliteitsgewijze op voet van gelijkheid te behandelen.
Dat is wel het duidelijkst uitgekomen in de wijze, waarop men in onze Herv.- Gereformeerde gemeenten de middenorthodoxie bevoorrecht en zelfs een eigen kerkelijk leven bezorgt, naast en tegenover de legitieme kerkeraad.
Men heeft zelfs een overgangsbepaling gemaakt om dat mogelijk te maken voor midden-orthodoxen in Hervormd- Gereformeerde gemeenten naar aanleiding van een schrijven van die middenorthodoxe groepen, doch men stoort er zich niet aan, als de Hervormd-Gereformeerden herhaaldelijk hebben verzocht om de sympathie-gemeente mogelijk te maken, waar de Gereformeerden uit elkander geslagen worden door de bepalingen van de kerkorde, zoals dat veelal het geval is in de grotere plaatsen.
Hierin wordt een meten met twee maten openbaar, waaruit duidelijk blijkt, dat men de Hervormd-Gereformeerden zelfs niet naar de methode der modaliteiten recht doet en hen, die op grond van hun belijdenis aanspraak mogen maken op de erkenning als legitieme leden der Kerk, achterstelt bij de anderen.
Dit is een merkwaardige wijze van tuchtoefening over de Hervormd-Gereformeerde kerkeraden en de Gereformeerde belijders.
Overigens zijn de leidinggevende organen niet zo haastig om tucht te oefenen. Men krijgt zelfs de indruk, dat zij zich in het geheel niet geroepen gevoelen om ook maar iets te doen tot handhaving van de belijdenis. Dat treft ook de aandacht buiten de Hervormde Kerk. Wij denken op het ogenblik aan de opmerkingen van prof. Brillenburg Wurth in het Gereformeerd Weekblad (uitgave Kok te Kampen), van vrijdag 19 april 1957.
In „Kerk en Wereld" vraagt dr. De Wilde o.a. het volgende : „Met algemeenheden komen wij geen stap verder".
De 19e-eeuwse kritiek heeft zich ook met „het kritiekste" bezig gehouden, en allerlei resultaten van dat onderzoek zijn aanvaard door velen, die orthodox willen heten. Hoe loopt nu de haarfijne grens? Mag iemand, die met Van der Leeuw en Brunner de maagdelijke geboorte als historisch feit verwerpt, maar haar ziet als geloofsplastiek, in de Hervormde Kerk blijven ? En aanhangers van Brunner, die een lichamelijke opstanding afwijzen ? En ontmythologiserende orthodoxen, die in de voetsporen van Bultmann wandelen? "
En nu vraagt prof. Brillenburg Wurth, die op deze passage wijst: „Zal nu eindelijk de Hervormde Synode eens zeggen, of met deze inzichten, die maar geen theologische visie zijn, maar die onmiddellijk het belijden dèr Kerk raken, mannen als dr. De Wilde op een legitieme plaats in het midden der Hervormde Kerk recht hebben?
Het lijkt er niet op, dat prof. Brillenburg op deze vraag een bevredigend antwoord kan tegemoet zien. Ik ben althans van mening, dat de meest verantwoordelijke personen, die medegewerkt hebben de houding der leidinggevende organen in deze te bepalen, er niet aan gedacht hebben, dat deze hier een eerste taak behoorden te hebben en dat zij schuldig zijn deze taak aan te vatten.
Zij geven veeleer aanleiding tot de gedachte, dat zij geen andere weg tot sanering van het kerkelijk leven zien. Is die van „broeder Marinus".
Een , , , broeder Marinus" is echter niet spoedig te verwachten in de Hervormde Kerk, want „broeder Marinus", die een predikant zou willen aanklagen om aan de sanering van de prediking b.v. een begin te maken, zit juist niet onder het gehoor van die dominé's, die zich aan fundamentele afwijkingen van de belijdenis schuldig maken. Hij zou dus er op uit moeten trekken en een soort ïnquisitie-ondememing op touw zetten.
Intussen kunnen de kerkvergaderingen en de verantwoordelijke personen b.v. het standpunt innemen : er komt geen aanklacht, dus geen bezwaar, alles beweegt zich binnen art. X der kerkorde.
Daarom is de vraag van prof. Brillenburg zeer ad rem.
Of het helpen zal ?
Het is moeilijk uit te maken, hoe de vork in de steel zit, n.l. of men geen sanering wil, dan wel of men de weg maar de sanering der Kerk niet kan vinden. Het is ook mogelijk, dat men meent op de weg der sanering te zijn. Het hangt er slecbts van af, wat voor kerkideaal men voor ogen heeft. De dagbladen vermeldden, dat de kerkeraad van Amsterdam een mei-dienst heeft doen houden. Er is een tijd geweest, dat men schier algemeen een anti-these gevoelde tussen de leer van Karl Marx en het geloof in de Christus der Schriften, maar als het zó gaat, zal de doorbraak-geest •de Kerk nog voor Marx opeisen.
Niemand onzer kan het ontgaan zijn, dat ook andere kerken door de moderne geestesstromingen worden bedreigd en zelfs reeds aangetast. Vergeten wij niet, dat de Christelijke wereldbeschouwing en de Christelijke zede aan het begin dezer eeuw nog in het algemeen heerschappij hadden over de geesten, maar sedert dien zijn de fundamenten losgewrikt. Twee generaties zijn welhaast voorbij, die van de Kerk en het kerkelijk geloof voor een goed deel vervreemdden.
En nu is de situatie omgekeerd. Men redeneert tegenwoordig, zoals „men" redeneert, men doet, zoals , , men" doet. , , Men" doet niet meer aan de Kerk, enz. Wij konden zo doorgaan, om op de invloed van die men te wijzen. Vroeger hing die „men" de Christelijke wereld- en levensbeschouwing in het algemeen aan, maar thans is het tegendeel veeleer waar.
Met het gevolg, dat ook de taak van het gezin zoveel moeilijker is geworden en de Christelijke invloed steeds ineer achterstand verkrijgt. De meeste leden van het gezin verkeren het grootste deel van de dag onder de invloed van de wereldse gezindheid. Van alle krachten, die het gezin bedreigen en beroven, is deze wellicht de gevaarlijkste.
Het gezin is een stukje Kerk, dat, voor de Kerk van grote opbouwende waarde, In deze dagen het meest is bloot gesteld aan de verwoestende invloeden van de moderne levensopvattingen.
Uit de aard der zaak is dit in andere kerkelijke kring ook zo gesteld, zij het ook, dat het niet overal in dezelfde mate het geval is, doch ook in de dorpen, waar zich nog lang het traditionele kerkelijke leven heeft gehandhaafd, beginnen deze verschijnselen zich te vertonen.
Een geestelijk proces, dat bezig is de mensen af te trekken van het Schriftuurlijke Christendom, omdat zij de Schrift als zodanig interpreteren naar vooronderstellingen, welke met het geloof der Schriften niet overeenkomen, een proces, dat dientengevolge de grenzen van Kerk en wereld verdoezelt en tracht op te heffen, gaat een gevaarlijke bedreiging worden voor de Gereformeerde gezindheid, omdat men haar belijdenis met name afwijst als van een andere eeuw en overleefd.
Daarom worden wij. Gereformeerden in de Hervormde Kerk, niet alleen wakker geroepen en op elkander aangewezen, maar het is nodig, dat de gehele Gereformeerde gezindheid opwaakt om de gevaren te onderkennen en naar wij hopen in haar verscheurdheid tot bekering komt, om in waarachtige enigheid des geloofs staande te blijven te midden van de branding in het conflict der geesten.
Het is nodig gemeenschap te getuigen als één volk, en dat niet alleen in de voorname stukken des geloofs, die worden bestreden, zoals., om het voornaamste te nemen, het belijden van de Heilige Schrift als Gods Woord, maar ook in het leven.
De invloed van al wat wij genoemd hebben, wordt in het leven, ook in het leven van de Gereformeerde belijders in sommige kringen zeer merkbaar. Ik denk weer aan onze gezinnen en aan onfze jeugd.
Wat al verval, wat al worsteling! Wij moeten elkander helpen om weerstand te bieden en het verloren terrein ook op het gebied der zeden te herwinnen.
Of dat alles nog baten zal ? Of het nog mogelijk zal zijn ? Op dergelijke vragen ga ik niet in, want het geloof heeft slechts de gehoorzaamheid te zoeken, welke God van ons vordert. En zo waarlijk Gods Woord blijft in eeuwigheid, zal het geloof in dat Woord kracht van handelen vinden door de Geest des Woords.
Daarom niet versaagd. Het geloof overwint de wereld, heeft Christus gezegd. Dan moeten wij in Zijn Naam en op Zijn Woord de dingen des geloofs zoeken en de gehoorzaamheid betrachten, zonder te twijfelen, maar biddende en werkende.
Op de contio heb ik gesproken over het mobiel maken van ons geloof.
Klein geloof, zwak geloof, groot geloof en sterk geloof, naar de mate van ons geloof, hebben wij daaraan allen werk, n.l. aan het mobiel maken. Wij zullen allen in ons werk, in ons gezin, in ons bestrijden van de vijand, hebben te belijden, dat wij ons niet zozeer beijverd hebben als de zaak des Heeren eist en boven alles waard is.
Welaan dan, beginnen wij ons te verootmoedigen, opdat wij ons bekeren en hulp van God verkregen hebbende, ijveren voor Zijn heilige dienst, voor de ere Zijns Naams en voor de uitbreiding van Zijn Koninkrijk.
Die gezegd heeft: , , Ik ben met ulieden, al de dagen, tot de voleinding der wereld", die zal Zijn Woord gestand doen en ons werk, in gehoorzaamheid gewrocht, met Zijn hulp en gunst bekronen.
Daarom, weest sterk en hebt goede moed.
Het Jaarverslag wordt volgende week vervolgd
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's