SICCO TJADEN
Over deze vrij onbekende, maar toch wel zeer aantrekkelijke figuur, zullen we niet te breed uitwijden. Hij is geen groot-, maar wel een merkwaardig man, die met Verschuir het een en ander gemeen heeft, zonder daarom toch geheel met hem overeen te stemmen.
We kennen Tjaden, wiens naam ons al aanstonds naar Groningen verwijst, uit een boekje, dat nogal eens voorkomt en dat een geestverwant, ds. J. Hofstede, na Tjaden's dood uitgaf en dat getiteld is Enige aanteekeningen en alleenspraken betreffende meest liet verborgen leven van den Heere Sicco Tjaden. In de tijd van de Afscheiding is daar nog een nieuwe uitgave, van verschenen. Blijkbaar voelden de Afgescheidenen in Tjaden een geestverwant, en dat is hij ook wel, al heeft hij een Kerk, waarin hij veel verkeerds zag, niet verlaten.
Tjaden is geboren in Groningen in 1693. Hij had het ongeluk, vroeg wees te worden en we hebben zo het gevoel, dat dit verweesde kind, dat bij z'n uiteraard veel oudere grootouders wordt opgevoed, daardoor vrij eenzaam moet geleefd hebben en zo des te gemakkelijker tot alleen-spraken heeft kunnen komen, waar de gelegenheid tot samenspraak ontbrak.
Tjaden is erg jong overleden, maar 33 jaar oud. Hij studeerde in Groningen en was in die studiejaren nog niet de man, die hij later werd. Hij blijkt een zeer gevoelig, ook wel overgevoelig man te zijn, die het daardoor niet makkelijk heeft in Kerk en wereld. Hij heeft tegen het ambt, maar feitelijk tegen heel het leven niet opgekund en is aan de spanningen, die dit alles opriep, bezweken. We moeten wel, als we hem zien worstelen en bezwijken, denken aan die fijne en gave figuur uit de tijd van het Réveil, Willem deClercq, ook zo'n overgevoelige, die ook op vrij jonge leeftijd was uitgebrand.
Van z'n studietijd in Groningen heeft Tjaden later gezegd, dat het verknoeide jaren waren. Een tijdlang studeerde hij in Leiden en de studie stelde aan zijn zwakke gezondheid harde en te hoge eisen. In 1715 wordt hij er hard ziek door en we vermoeden, dat innerlijke spanningen dat alles nog erger hebben gemaakt. Want na velerlei strijd en moeite komt het tot een bekering, die een stempel zet op heel zijn leven. Hij zoekt nu, wat hij vroeger niet zou begeerd hebben, het gezelschap der vromen, zoals dat in kringen, die door Verschuir e.a. beïnvloed werden, werd beoefend. Daar moet hij aanvankelijk ook wel wat moeite mee gehad hebben : de regentenzoon, verkerend onder de kleine luyden, maar hij is er toch goed thuisgeraakt.
In het boekje, dat we zoëven noemden, dat 15 brieven van Tjaden bevat en zoveel als een dagboek betekent, heeft hij ons opgetekend, welke , , gemoedsgestalten" dat alles bij hem wekte. Ons treft daarbij, dat we bij Tjaden vinden dat , , krijgen van teksten", dat we zo eerder niet menen te hebben ontmoet en dat in de toekomst zo'n grote rol is gaan spelen ; dat waardering en bestrijding vond. Ook dit maakt ons duidelijk, dat we bij Tjaden hebben te doen met een , , bevindelijk" christendom, dat gekenmerkt wordt door een sterke drang naar verinnerlijking. Anders echter dan vele van zijn geestverwanten, verzuimt Tjaden het Heilig Avondmaal niet, al brengt het in hem heftige beroering teweeg.
Zoals we al zeiden, ziet Tjaden heel erg tegen het predikambt op. Hij kan maar niet heenzien over eigen grote onbekwaamheid. Hij voelt zich dan ook maar zó gering, dat hij eens zegt, dat hij maar een wormpje is. Grote eerbied heeft hij voor ambtsdragers en voor bekeerde leken ; blijkbaar altijd maar hopend nog eens op een waardige wijze tot hen te mogen behoren. Intussen is Tjaden toch geen man, die altijd in mineur leeft. Integendeel, want hij betuigt (als Lodenstein) dat een verloochend christen een blij christen is. Maar die verloochening vindt immers zoveel weerstand in het christenleven!
We begrijpen licht, dat deze jongeman sterk wordt geslingerd tussen hoop en vrees, tussen het zoeken van gemeenschap en het ontvluchten ervan. We wezen al op de vele alleenspraken, die we van hem vinden opgetekend en die uiteraard niet licht ontsnappen aan het gevaar van veel te veel aandacht voor het eigen ik.
Gedurig wordt Tjaden de eenzaamheid ingedreven, en we begrijpen, wat dat voor hem betekende : Heilig eenzaam, met God gemeenzaam. Hij maakte graag lange wandelingen alleen, om naar hartelust te kunnen peinzen. De stad noemt hij verachtelijk en ook onbillijk hard : het gewoel der dwazen. Hij meent, dat de Heere Jezus het best gediend wordt in de eenzaamheid. Het waarheidselement daarin ontgaat ons niet, maar we vragen toch wél: waar blijft zo de Kerk, de Staat en de maatschappij ? Zijn die dan uit den boze ? De Heere Jezus ontweek het gewoel inderdaad zo nu en dan, maar verkeerde er juist midden onder, en dat is ook een deel van Zijn lijden geweest. Het kan daarom voor een christen ook niet aangaan, ook aan dat lijden niet enige gemeenschap te hebben.
In z'n proponententijd gaat Tjaden uit preken. Het viel hem blijkbaar niet gemakkelijk ; geen wonder, bij een man, die het ambt zo hoog stelde ! Het getuigt van zijn eerlijkheid, dat hij, naar het oordeel der mensen, grote gebedsgave heeft, maar toch ziet hij ook er tegen op, daarin voor te gaan.
Op een preekreis komt hij o.a. op Flakkee, en zoekt daar natuurlijk contact met hen, die men , , de fijnen" belieft te noemen. Hij bezoekt ook het dorpje Tienhoven in Utrecht, waar de vermaarde ds. Van Schuilenburg staat, en daar treft het hem, dat het aantal Avondmaalsgangers maar zo klein is. Dat vond hij dus nog niet , , gewoon", maar het doet ons weten, dat de Avondmaalsschuwheid, die de 16e eeuw nog weinig kende en die in de 176 eeuw is gaan toenemen (Van Lodenstein!), in de 18e zeer sterk is geworden.
Dan komt het beroep naar Nieuwe Pekela. Tjaden wordt er heftig door geslingerd. Hij klaagt over aanvechtingen en over dodigheid. Hij preekt enkele malen in z'n aanstaande gemeente en wordt er nogal moedeloos door, want hij zag zoveel slapers ! Met harde koorts door innerlijke en uiterlijke zwakte, doet hij z'n laatste examen. Op de dag van z'n examen doet hij, in de trant van de oude Jacob, de Heere een belofte. Als die hem door het examen heen helpt, zal hij 6 jaar lang die dag afzonderen om God te loven en te danken. Deze wijze van doen komen we in de 18e eeuw meer tegen; ze wijst o.i., als we vooral ook aan Comrie denken, naar Schotland, waar men veelvuldig schriftelijk met God een verbond sloot en zwoer, dat levenslang te bevestigen. We vertrouwen, dat Tjaden zijn belofte niet verbroken heeft. Maar waarom hij maar van 6 jaar sprak? Had zijn woord profetische kracht, zonder dat hij het wist ? Immers hij is maar goed 6 jaar predikant geweest, toen was de loopbaan al doorlopen.
In zijn domineesleven heeft Tjaden het zich niet gemakkelijk gemaakt. We lezen bij hem verschillende , , nachtgedachten". Kwelde hem slapeloosheid of volgde hij de practijk van Brakel Sr., die ook te middernacht opstond om God te loven vanwege Zijn gerechtigheid ? Brakel Sr. heeft deze veeleisende dienst van God aan zijn zoon Willem afgeraden, als te zwaar. Had hij in Tjaden's tijd geleefd, dan zou hij zeker ook die vermaand hebben, zijn krachten te sparen, om God allereerst te dienen en te loven overdag. De Zweedse (protestantse) bisschop Söderblom heeft het gevleugeld woord gesproken, dat het voor een predikant een hoge eer betekent, zichzelf in de dienst van Christus te verteren. Maar, zo zei hij er bij : de allerhoogste lof verdient hij, die zich verteert in de langste tijdsduur ! Dat had o.i. ook Tjaden mogen beoefenen, dan had hij, naar de mens gesproken, langer geleefd.
Tjaden is ongetrouwd gebleven. Wonderlijk, want wat zou een vrouw van de soort van Idelette van Buren, Calvijn's vrouw, die voor die zwakke hervormer zoveel steun betekende, ook Tjaden te stade zijn gekomen ! Maar we vermoeden, dat Tjaden tegen een gezinsleven heeft opgezien en ook wel voorvoeld heeft, dat zijn levenstijd niet lang zou zijn. Ook op andere manieren hieeft hij het zich in zijn leven niet gemakkelijk gemaakt. Hij rookte b.v. graag. Maar hij meende blijkbaar, dat hij te graag rookte. En dan klinkt het hard en beslist: Weg die „Braziliaanse afgod"!
Het ambt te bedienen moet hem zo wel moeilijk gevallen zijn. Maar de druk heeft hem ook gestaald en gelouterd. Hij moet op de buitenwereld een aangename indruk hebben gemaakt, want in 1725 komt hij op de nominatie voor Groningen.
Dat moet hem best gesmaakt hebben. Maar God had wat anders en beters over hem beschikt. Ds. Hofstede schrijft ervan, dat hij op de nominatie gesteld werd voor het Hemelse Jeruzalem. We herinneren ons een zelfde opmerking in Van Lodenstein's Beschouwing van Sion en merken zo allerlei verwantschap tussen de genoemde twee op. Ook nog daarin uitkomend, dat Tjaden op z'n sterfbed las in Van Lodenstein's Uitspanningen.
ïn het boekje van ds. Hofstede vóélen we de doodsschaduwen naderbij komen. Naarmate de tijd verstrijkt, gaat het peinzen over de staat der ziel dieper. Zeer sprekend is het voorkomen van doodsgedachten, die heel zeker geen theorie betekenen. Ook een lied op de klok wijst diezelfde kant uit: de felle tik van de klok maakt openbaar hoe mat de klop van het hart is, en dat die twee onmogelijk gelijke tred kunnen houden.
Zo sterft Tjaden, 33 jaar oud, in 1726. In de laatste week voor zijn ziekte had hij in 8 dagen 7 maal gepreekt. De felle koorts, die hem teistert, moet ook wel verband houden met een totale uitputting. Het doet ons ook opmerken, dat de man, die wel wist, dat hij de schat van het ambt droeg in een broos, aarden vat, met dat laatst genoemde toch anders had behoren om te gaan ! Maar hij wist van geen tempering : de ijver voor Gods huis en zaak heeft hem zo verslonden.
Ziehier het beeld van Tjaden, de sympathieke. Dat Tjaden een piëtist is, moet wel zo klaar als de zon zijn. Een methodist zouden we hem niet willen noemen, al vinden we bij hem wel enkele trekken, die bij de methodisten weerkeren. Dat aandringen op diepe zondekennis, dat zioh zo radicaal verloren weten, maar om zo door te breken tot de vreugde van het heil van Christus, dat vinden we ook daar.
Tjaden is in zoverre een apart type onder de Voetianen, dat bij hem de natuur (denk aan zijn wandelingen!), meer belangstelling vindt, dan dat bij zijn meeste geestverwanten het geval is. We hebben reden, mede op grond daarvan, om aan te nemen, dat daarom ook zijn preken iets fris en oorspronkelijks moeten hebben gehad. Maar de ene preek, die ds. Hofstede van hem geeft, stelt in dit opzicht dan wel teleur en moet wel sterk zijn omgewerkt. De Voetiaanse geest spreekt uit de belangstelling voor het gezelschap en de ermee samenhangende oefeningen .
We bespraken Tjaden in het kort, omdat hij éen van de weinige Groningers is, die we op , , bevindelijke" paden aantreffen. Van hem zien we terug op Verschuir en van hem zien we vooruit op Schortinghuis. Over die hopen we in het vervolg te handelen, al moeten we aan nog weer een ander, n.l. aan Jacobus Fruytier, even voorrang verlenen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's