JACOBUS FRUYTIER I
Met opzet onderbreken we even de artikelen, die we aan de Groningse mannen van de Nadere Reformatie hebben gewijd. Het zou heel goed gekund hebben, Willem Schortinghuis aanstonds op Verschuir en Tjaden te laten volgen. Maar dat zou een zekere eentonigheid veroorzaken wegens de sterke verwantschap van de genoemde auteurs. We hebben ons begrip en onze sympathie voor hen niet verborgen, maar evenmin verzwegen, dat ze een bepaalde vleugel uitmaken in de beweging, die we beschrijven, en dat niet zonder eenzijdigheid doen. Dat kan des te beter aan de dag komen, als we nu, voor de derde maal over een man uit het Noorden spreken, weer eens naar het Zuiden afdalen, om er de man te ontmoeten, wiens naam boven dit artikel staat. Hij steekt naar ons inzicht nogal wat bij Verschuir en Tjaden af. Maar dat is niet zo'n groot wonder. De mensen in het Noorden wonen in afzondering, hebben daardoor alle kans, tot eenspanner te worden. De Voetianen in het Zuiden vormen een kring, ze spreken samen, ze kruisen bij tijden ook de degens, en dat werkt allemaal mee om hen van eenzijdigheden te weerhouden.
Over Jacobus Fruytier dus eerst een enkel woord. Hij leefde van 1659—1731 en als we hem hebben aangehoord, moet onze slotsom wel zijn, dat Fruytier mét b.v. W. Bilderdijk behoort tot de mensen, die voor hun gevoel te laat zijn geboren. We bedoelen daar dit mee : Fruytier past heel slecht in de 18e eeuw en heeft dat niet verzwegen. Hij opperde vrijmoedig zijn bezwaren tegen de geest dezer eeuw. Hij zou in de 16e en 17e eeuw veel beter , , gepast" hebben, al kan het zeker niet bij hem opgekomen zijn, dat de Heere de tijd van zijn geboorte niet juist zou hebben gekozen. Daar moet dan uit voortvloeien, dat deze man iets van een martelaar moest worden en dat hij anderen sterk deed denken aan Ezau, wiens hand tegen allen was en aller hand tegen hem.
Zo steekt Fruytier ook iets af tegen W. á Brakel, Witsius en Lampe, die minder fel en scherp van karakter waren dan hij. Hij echter is een echte intransigant, een ijsbreker, een laatste van een geslacht, dat een verdraagzame eeuw al minder weet te waarderen en te verdragen.
Hiji is geboren in Middelburg en ging daar school. Merkwaardig, dat hij theologie studeerde, aanvankelijk niet aan een universiteit, maar door zoveel als privaat onderricht. Dat was trouwens toegestaan, al werd deze weg niet vaak bewandeld, daar ze nogal kostbaar moest zijn. Fruytier had o.a. tot leermeester ds. Melchior Leijdekker, die in 1676 als opvolger van Voetius in Utrecht hoogleraar werd. Als die naar Utrecht vertrekt, gaat Fruytier mee, om daar nu af te studeren.
Terugziende op die merkwaardige studietijd, moeten we wel even opperen : Verklaart misschien dat veel zelf en thuis studeren mede die eenspannernatuur, die we in Fruytier aantreffen ? Het is toch werkelijk niet goed voor een mens, ook in deze, om alleen te zijn. In 1681 wordt Fruytier predikant in het tegenwoordige Zeeuws Vlaanderen, nader: in Aardenburg. Maar men weet hem daar in het verre Zuiden toch wel te vinden; hij moet dan ook een man zijn geweest, die opviel, .en zo gaat de reis des levens via Dirkland, Vlissingen en Middelburg naar Rotterdam, waar hij ambtstijd en leven geëindigd heeft. Gedurende zijn verblijf in Middelburg zien we hém te velde trekken tegen de vermaarde Jacob Verschoor en zijn aanhang, die men doorgaans de secte der Hebreen noemt en die men beschuldigt van antinomianisme. Deze Verschoor had theologie gestudeerd en wilde proponent worden, maar op dat laatste examen rezen er grote moeilijkheden. Men beschuldigde hem van het volgen van leringen van de wijsgeer Spinoza, die voor atheist doorging. Wij menen echter in Verschoor helemaal niet de wijsgerige aard op te merken, die tot echte Spinozist maakt en menen, dat die aanklacht wel eens mag herzien worden. Wat groot argwaan wekte, was een overgeestelijke volmaaktheidsleer, volgens welke Verschoor leraarde, dat de zonde der gelovigen geen zonde meer is, daar zij immers uit de vergeving leven en er van toerekening als schuld daarom geen sprake meer kan zijn. Men leidde daaruit af, dat Verschoor dus een Antinomiaan was, d.w.z. iemand, die aan de Wet van God voor het christenleven geen waarde meer toekent. Ook deze beschuldiging lijkt ons niet bewezen, daar Verschoor wel degelijk respect voor Gods Wet heeft. Maar de zaak is, dat hij ook zoveel respect heeft — en meer — voor de herboren christen, van wien hij kennelijk grote verwachtingen heeft. Dat doet ons opperen, al kunnen we het niet met zoveel stukken bewijzen: Wijst dat niet veel meer de kant van Jean de Labadie uit? Die heeft immers van de gelovige mens óók zeer hoge gedachten. De overeenkomst met De Labadie lijkt ons op alle kunten veel groter dan die met Spinoza.
Verschoor is een Zeeuw en De Labadie werkte immers jarenlang in Zeeland. Als Verschoor afgewezen wordt bij zijn „proponents", gaat hij conventikelen, , , oefeningen" houden, en we herinneren ons, dat ook De Labadie die weg insloeg. Zoals we al even vertelden, noemt men de Verschoristen ook wel Hebreën. Dat komt daarvandaan, dat Verschoor als ideaal zag, dat elk christen in de Hebreeuwse taal zo bedreven was, dat hij de Bijbel (het Oude Testament) zelf in de grondtaal lezen en verstaan kon. Een schoon ideaal, zo merken we graag op. Maar wel wat hoog voor b.v. een drukke huismoeder en voor mensen, die nu juist niet hun kracht in een goede „opsluiting" hebben. Dat ideaal is vaker in de Kerk opgekomen, maar heeft nergens werkelijk kunnen slagen.
Dus: Verschoor heeft groot respect voor het Oude Testament. Dat had Spinoza niet, want hij kan beschouwd worden als een van de eerste mannen van de „wetenschappelijke bijbelcritiek". Ook naar die kant lijkt Verschoor ons dus weer geen Spinozist, maar een man, die de Geest te zeer viert ten koste van het Woord en een bescheidener werkelijkheid.
Verschoor heeft als , , geestelijke zuster" naast zich de begaafde Grietje van Dijk. Ze is feller dan de meester en vindt bij tegenstanders niet veel sympathie. Met dit tweetal (waarover we wel even moeten en mochten uitwijden) heeft Fruytier met enkele collega's een twistgesprek. Dat doet denken aan de vele godsdienstgesprekken uit de begintijd van de Reformatie, b.v. tussen Luther en Zwingli, tussen Roomsen en mensen van de nieuwe leer. Veel hebben die ontmoetingen niet opgeleverd. Elk meende het gewonnen te hebben, en keerde terug uit de strijd, versterkt in eigen overtuiging. Zo is het ook hier gegaan. Men disputeerde maar liefst 7 uur lang, en kwam tot geen vast resultaat, al werd Verschoor voor overwonnen verklaard, wat hij allerminst wenste te accepteren.
Van Fruytier wordt in dit dispuut getuigd, dat hij , , voor zijn tijd" vrij beheerst was. We kunnen er bijvoegen: dat was Voetius. óók en men kan een rond en onversneden Voetiaan zijn, zonder daarom plomp of heftig te moeten zijn.
Dat blijkt ook nog op een andere manier bij Fruytier. Hij is n.l. Voetiaan en dus anti-Coccejaans. Maar ook daarin weet hij te onderscheiden. Dat blijkt, als er in 1707 een groot rumoer in de Kerk ontstaat. Een Waals predikant, die daarbij Voetiaans gezind is (een zeldzame combinatie!), de Joncourt geheten, schrijft een hevig boekje tegen de Coccejanen. Hij vergelijkt de Schriftuitleg en de preekmethode van Voetianen en Coccejanen, en zijn oordeel over laatstgenoemden is vernietigend. Dit gebeuren zal ons wel niet zó bevreemden: zulke dingen kwamen en komen meer voor tot op deze dag. Wat we er echter vooral uit opmaken is, dat dus blijkbaar niet alle Voetianen het eens waren met de koers, die we diverse mannen van de Nadere Reformatie zagen varen en die neerkwam op een verenigen van de waarheidselementen van Voetius en Coccejus. Toegegeven zij, dat elke toenadering gevaar loopt op een compromis uit te lopen en van zekere slapheid of onverschilligheid te getuigen. Maar we zullen het toch wel niet aandurven, het zo eenvoudig te stellen, als de Joncourt deed : de Voetianen hebben in alles recht en waarheid aan hun zijde en de Coccejanen in niets ! De onlangs genoemde „Verbondstheologen" binhen de Nadere Reformatie hebben althans niet zo gedacht en daar hebben wij hen dank voor te weten!
En Fruytier sluit zich bij hen aan. Hij spreekt met nadruk De Joncourt tegen en veroordeelt diens toon en methode. En als een paar van de , , ernstige Coccejanen", zoals Van Til en d' Outrein, zich heftig over De Joncourt beklagen, dan geeft Fruytier hen gelijk en dan poogt hij hen tevreden te stellen. Fruytier verklaart uitdrukkelijk, dat hij een verzoening tussen Coccejanen en Voetianen mogelijk acht. Dan moeten de Coccejanen hun , , extravaganties" (buitensporigheden) verlaten en terugkeren tot de eenvoud van Coccejus. Fruytier heeft blijkbaar geweten, dat vele leerlingen hun leermeesters plegen te overtreffen in heftigheid en het trekken van consequenties. Dat lijkt hem heilloos — en hij hoopt, door dat te vermijden, tot beter begrip van eikaars bedoelingen te kunnen komen.
We zouden zo zeggen: Een aannemelijk voorstel. Helaas bleek het dat in de practijk niet te zijn en Fruytier's vredelievende bedoelingen zijn blijkbaar zeer miskend.
Dat heeft hem verdroten en ook verbitterd en sindsdien is hij minder tegemoetkomend tegenover de Coccejanen. Dat komt duidelijk uit in zijn bekendste werk, dat verschillende van onze lezers althans van naam zullen kennen en dat getiteld is Sions worstelingen of historische samenspraken over de verscheidene bittere wederwaardigheden van Christus' Kerke met openbare en verborgen vijanden,1713.
Dit boek kunnen we. eigenlijk noemen een eerste populaire kerkgeschiedenis van ons land. Hoewel het als zodanig zeer geslaagd mag heten, heeft het toch de vaderlandse kerkgeschiedenis niet bij velen geliefd kunnen maken, al heeft het wel enkele drukken beleefd.
Het doet wat denken aan Ridderus, wiens historische belangstelling ons immers heugt; ook aan Van Lodenstein's Beschouwing van Sion en aan Witsius' Twist des Heren met Zijn wijngaard. Als we vooruit zien, ontmoeten we in Groen van Prinsterer's Geschiedenis des Vaderlands, waarin de kerkgeschiedenis zo'n grote plaats inneemt, een vervolg. Maar Groen's diepzinnige werk heeft te weinig van het populaire, dat de bovengenoemden op hem vóór hebben.
Het boek van Fruytier wekte grote beroering. De vrienden juichten, maar zij, die reden hadden zichzelf bedoeld te weten in die , , openbare of verborgen vijanden", waren er allerminst over te spreken. Dat waren met name de Remonstranten en Coccejanen, die hun misnoegen niet verborgen. We hopen een volgend maal een overzicht te geven van de inhoud van dit boek, dat ook voor onze tijd nog zeer lezenswaardig is, al lokken de meer dan 800 bladz. niet zo aan.
Nauw verwant aan dit eerste werk is een t^veede, getiteld : Gerichtshandelingen van de Allerhoogste God met Zijn volk in Nederland. Bij het lezen van deze titel komt dat andere populaire volksboek, n.l. A. v. d. Velde's Wonderen des Allerhoogsten voor onze geest te staan. Zo hebben ook de Teellinck's gepreekt en geschreven: een profetische boeteprediking aan , , het Israël van het Westen", dat zo uitzonderlijk bevoorrecht was en toch zo ongewoon ondankbaar bleek. Van der Groe's Biddagpreken hebben dat op een indrukwekkende wijze voortgezet en ook in de Réveiltijd heeft b.v. Da Costa in een gelijke geest gesproken. We vermelden dat, om te laten doorschemeren, dat er verwantschap bestaat tussen de Nadere Reformatie en het Réveil, een samenhang, waarop men o.i. te weinig pleegt te letten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's