WEZEN EN WET
In het voorafgaande artikel: „Natuur en Wezen", werd het onderscheid tussen natuur en wezen aan de orde gesteld. Gewezen werd op de scheppende daad Gods, die gestalte geeft aan het wezen, dat Hij zich heeft voorgenomen.
Het wezen werd daarbij voorgesteld als geheel andersoortig dan de natuur. Het wezen van de dingen en in het onderhavig geval dus het wezen van de mens, wordt door Gods wil daaromtrent bepaald en neemt een plaats in de Raad Gods in. Het heeft bij wijze van spreken, een goddelijke stalte in het voornemen Gods.
Als God zegt: „Laat ons mensen maken naar Ons beeld en naar Onze gelijkenis", is dat een uitspraak van goddelijk overleg en door die wil van God mensen te maken naar Zijn beeld en gelijkenis, is, het wezen van de mens bepaald. De wezensbepaling wordt zelfs aangewezen in dat: naar Ons beeld en naar Onze gelijkenis. Beeld Gods te zijn, ziedaar het wezen van de mens.
Terwijl het wezen alzo op goddelijke wijize in de Raad Gods bepaald ligt, ziet de natuur op de geschapen werkelijkheid.
Het wezen behoort tot de dingen, die niet gezien worden, maar de natuur behoort tot de dingen, die gezien worden. Wij kunnen het ook nog anders zeggen : De natuur is de door ons gekende en zichtbare kant van het wezen. De natuur is de geschapen gestalte, waardoor God het wezen, dat Hij zich heeft voorgenomen, wil uitdrukken en openbaren. Het is de gestalte, waaronder God het wezen doet verschijnen. Daarom konden wij zeggen, dat de scheppende hand Gods is tussen het wezen, dat niet gezien wordt, en de natuur, welke daaraan in deze zichtbare wereld gestalte geeft.
In verband met deze scheppende daad Gods, werd ook de vraag gesteld, hoe het mogelijk ware, dat die natuur, welke in ware gerechtigheid en heiligheid door God geschapen werd, kon verdorven worden.
De natuur, welke in ware gerechtigheid en heiligheid openbaring was van het wezen in het voornemen Gods, hoe kon die in ongerechtigheid en onheiligheid vervallen, hoewel zij door God goed geschapen was? De Catechismus spreekt van de verdorven natuur en niet van het verdorven wezen. (Vraag en antw. 7). Dat is trouwens duidelijk, want het wezen woont in de Raad Gods, het is daar veilig en onaantastbaar, maar de natuur, de geschapen werkelijkheid van de mens, woont op aarde.
Hoe kon die natuur worden geschonden ?
Door de ongehoorzaamheid van één mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood. (Rom. 5 vs. 12 en 19).
Deze tekst wijst ons op een betrekking van de mens tot God, welke geestelijk-zedelijk bepaald is. Ongehoorzaamheid immers onderstelt een relatie van goddelijke orde, welke gebroken werd. Ongehoorzaamheid onderstelt een goddelijk gebod, dat door de mens werd overtreden.
En de dood als gevolg van de zonde. zegt, dat Gods gebod een gebod ten leven is geweest, een gebod, dat — mits in gehoorzaamheid bewaard — de mens aan zijn bestemming zou gebracht hebben, terwijl de overtreding voor hem dodelijk moest zijn.
Wij noemden daar het woord bestemming, en niemand zal het vreemd vinden, dat wij verband zien tussen het wezen van een zaak en zijn bestemming. Eigenlijk is het toch zó, dat de bestemming door het wezen van de zaak wordt bepaald, zodat deze reeds in het wezen ligt.
Welnu, zo zullen ook het wezen van de mens en zijn bestemming samenhangen. De van God gegeven bestemming van de mens ligt in zijn wezen. Zo moet dan ook het een in het ander verklaring vinden.
Beeld Gods, dat is het wezen van de mens.. Laat ons het maar wat dichter bij brengen : Beeld Gods, dat is ons wezen, zodat de bestemmng van ons wezen wordt vervuld in het beeld-Gods-zijn.
Beeld Gods zijn en zich als zodanig in onze aardse natuur openbaren, het beeld Gods in ons leven in deze wereld te doen schijnen. Ziedaar onze goddelijke roeping en bestemming!
Eén ding is wel duidelijk, deze roeping en bestemming kunnen wij onmogelijk volbrengen als wij op onszelf zouden willen staan, alsof wij geheel op ons zelf aangewezen schepselen waren. Stel al, dat een schepsel zó onafhankelijk zou kunnen zijn.
Het schepsel is immers als zodanig reeds afhankelijk van Hem, die de God is van leven en dood. En ik zou daaraan willen, toevoegen: hoeveel te meer dan zulk een schepsel, dat naar Gods beeld geschapen is, en derhalve zijn bestemming daarin heeft overeenkomstig zijn weezen, beeld Gods te zijn !
Beeld van de eeuwige God! Een mens, aards uit de aarde!
Hoe kan dat ?
Hoe kan die natuur op aarde overeenkomen met zijn wezen in de hemel ? Hoe kan hij in zijn aardse gestalte het beeld van zijn Schepper zuiver vertonen —: en blijven vertonen? Hoe kan het beeld van de eeuwige God in gerechtigheid en heiligheid weerspiegeld worden in de mens. op aarde?
Onmogelijk, merkt iemand al te haastig op.
Neen, neen, want het is Gods wil. God wil een mens naar Zijn beeld en gelijkenis, en daarom is dat nooit onmogelijk.
Adam, geschapen in ware gerechtigheid en heiligheid, is de weg zijner bestemming in zuiverheid begonnen. Hij zou die weg ook in zuiverheid gevolgd kunnen hebben, als hij in de waarheid staande gebleven ware en de gehoorzaamheid had volbracht, welke hij aan God schuldig was en verplicht aan zijn wezen en bestemming.
De Heere is een God van orde. Hij geeft aan ieder schepsel zijn aard en wezen en handelt met ieder schepsel overeenkomstig aard en wezen. Zo doet Hij ook met de mens.
Het ligt toch voor de hand, dat de mens zijn bestemming: het beeld Gods zijn en dit zuiver bewaren, alleen kan vervullen, als hij in voortdurende gemeenschap, ja, in nauwe levensbetrekking, en daarvan welbewust, met zijn Schepper kan en mag leven.
Wie zich daarvan rekenschap geeft, kan er iets van verstaan, dat God met die mens verbondmatig wil omgaan, — en —, dat in de onderhouding van de orde des verbonds de vervulling van des mensen bestemming gelegen is. De orde des verbond is : Doe dat en gij zult leven. (Lev. 18 vs. 5).
Daarin vertoont de mens Gods beeld, dat hij de wil Gods doet. Daarin is het wezen der zaak gelegen. Beeld Gods zijn, is de wil van God doen. Overeenkomstig zijn wezen leven, betekent voor de mens gehoorzaamheid brengen aan Gods gebod. In gehoorzaamheid ligt onze goddelijke bestemming en het eeuwige leven, want God is eeuwig.
Het verbond is de orde der gemeenschap, welke God heeft voorgenomen om de mens aan zijn bestemming te brengen. Want het is wel zo, dat de orde des verbonds eenzijdig, d.w.z. van Gods kant alleen is bepaald, maar die orde is desniettemin een tweezijdige, zoals in alle verbonden.
Gericht op de verwezenlijking van het beeld Gods in de mens, stelt het verbond aan deze de eis der gehoorzaamheid. En aan die eis verbindt God de belofte des levens, wanneer de gehoorzaamheid gebracht wordt. Daarentegen stelt Hij bij overtreding de straf des doods.
Het gebod beantwoordt derhalve aan het verbondmatige van de omgang, welke God met ons wil hebben, gelijk de straf bij overtreding ook volgt uit het karakter des verbonds, ja, men kan zeggen, dat de openbaring van Gods. toorn bij overtreding onder de verbondmatige omgang valt, uit de orde des verbonds volgt en in zoverre met het verbond samenhangt.
Het gebod is de openbaring van Gods wil en aangezien de bekendmaking van Gods wil tot de voorrechten van het verbond en als zodanig toch ook weer tot de orde van'het verbond moet gerekend worden, — want, hoe zouden wij tot gehoorzaamheid geroepen kunnen worden van Gods wil, als die ons niet werd medegedeeld — heeft het gebod onmiddellijke betrekking op de verwerkelijking van ons wezen in de zuivere, vervulling van onze roeping: beeld Gods te zijn. en dit beeld te vertonen in ware gerechtigheid en heiligheid.
Wij komen alzo tot de conclusie, dat deze onze roeping, beeld-Gods-zijn, en dit beeld in ware gerechtigheid en heiligheid bewaren, niet ziet op een soort afbeelding, naar de wijze van een schilderij of beeldbouwerswerkstuk, maar op een innerlijke verbondenheid met Gods heilig wezen, welke zich openbaart in een liefdevolle gehoorzaamheid aan Zijn wil.
Déze gezindheid wordt ons in het Oude en in het Nieuwe Testament voorgehouden in de geboden Gods en in de eis, die geboden te onderhouden.
Het is daarom ook gans niet toevallig, dat de Wet Gods de Wet des Verbonds wordt genoemd. Immers het verbond Gods is de weg van de vervulling van onze roeping overeenkomstig de wil van God. Evenzo is er een betrekking tussen ons wezen en de Wet Gods, zijnde openbaring van Zijn wil.
Geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, verbondmatige omgang, openbaring van de wil Gods door het gebod, deze drie behoren bij elkander en deze drie worden in één hoofdsom betrokken in het gebod der liefde : God liefhebben met geheel ons hart en geheel ons verstand en met alle krachten, en onze naaste als onszelf. In de liefde is de vervulling der Wet en in de volmaakte liefde is ook het beeld Gods volmaakt.
Om echter de gehoorzaamheid, die God eist, te kunnen volbrengen, en tot de volmaaktheid der liefde en dus ook tot de volmaaktheid van het beeld Gods te kunnen komen, zijn gaven en vermogens nodig, waarmede de naar Gods beeld geschapen mens werd toegerust; gaven van verstand en hart. Zoals de Catechismus zegt : , , opdat hij God zijn Schepper recht kennen. Hem van harte liefhebben en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zoude, om Hem te loven en te prijzen". (Vr. en antw. 7). Dit brengt ons bij, wat ik-zou willen noemen, de uitwendige trekken van het beeld Gods.
God heeft de mens zo geschapen, dat hij onder de leiding Gods en in Zijn gemeenschap het beeld Gods in reinheid vertonende en in gehoorzaamheid volhardende, tot de volmaaktheid zou kunnen voortvaren. In die weg zou hij gesierd geworden zijn met kennls van God en van zich zelf en zich verheugen in de heerlijkheid Gods.
Doch de mens heeft zich van die gaven beroofd.
Is de mens nu toch nog, hoezeer dan ook verdorven, beeld Gods ?
Hij is toch mens gebleven, zegt iemand.
Dit is wel zo, maar bedenk, dat hij mens gebleven is, omdat God de eis der Wet op hem handhaaft, dat wil zeggen, omdat God hem verbondmatig, naar de eis van het verbond, en dus als mens, blijft behandelen. Anders gezegd, omdat God de mens houdt aan de roeping van zijn wezen.
Wij hopen hierop, terug te komen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's