De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

JACOBUS FRUYTIER II

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JACOBUS FRUYTIER II

10 minuten leestijd

Uit het tot nu toe gezegde valt op te maken, dat Fruytier scherp staat tegenover Remonstranten en Coccejanen. Niet alleen zij trekken intussen zijn aandacht. Ook zijn geestverwant Lampe wordt door die verwantschap niet gevrijwaard tegen zeer critische opmerkingen, die een hele beweging en veel twistgeschrijf in de kerk hebben veroorzaakt.

De oorzaak daarvan ligt tenslotte in Fruytiers beduchtheid voor het z.g, Socinianisme.

Ieder die iets van de oude schrijvers weet, heeft althans die naam wel horen klinken. Socinianen zijn de volgelingen van twee neefs, Italianen, Lelio en Fausto Sozzini. Merkwaardig, dat meerdere Italianen voor hun denkwijze bleken open te staan, die tenslotte vooral in Polen tot zekere bloei kon komen. Als we Calvijn in Geneve met deze mensen zien en horen worstelen., die in de bekende Michael Servet een voorloper hebben, dan merken we, dat deze lieden het zuiver religieuze zeer besnoeien ten koste van de redelijkheid. Wat niet begrijpelijk is, kan ook niet waar zijn. Het belijden der kerk aangaande Gods Drieeenheid is niet begrijpelijk, daarom is het volgens de Socinianen ook niet waar. We bepalen ons tot dit meest onderscheidende in de leer der Socinianen en merken terloops op, dat Socinianisme in die oude tijd in vele stukken overeenkomt met de vrijzinnigheid van thans.

De strijd der Geref. Kerk tegen die vrijzinnigheid is fel en verbeten geweest. Menigeen werd er van beschuldigd en had, zich dan te rechtvaardigen. Tot die beschuldigden behoorde ook de 18e eeuwse hoogleraar Herman Alexander Roëll, wiens critiek op de overgeleverde Drieëenheidsleer de indruk van een sociniaanse besmetting wekte. Roëll is een wijsgerig theoloog. Hij legt de toets der rede aan de dogmata aan. Met name inzake de leer van de „eeuwige generatie van de Zoon" en de „eeuwige uitgang van de Heilige Geest uit Vader en Zoon". Die neemt in het kerkelijke belijden een belangrijke plaats in. Maar Roëll kan dit belijden zo niet delen. Het is hem te ondoordacht en te tegensprakig. Hij wijst er op, dat men bij die , , eeuwige generatie" en die „eeuwige uitgang" de schijn wekt van een drie-godendom ; en daarbij, dat dan Zoon en Heilige Geest de minderen van de Vader zouden zijn, die ze immers voortbrengt. Dit verwijt van dit „driegodendom" klinkt gedurig in de kring der Socinianen en is dus al geschikt om verwantschap aan te wijzen. Datzelfde doet de oplossing, die de wijsgeer-theoloog Roëll nu meent aan de hand te moeten doen. Daar de gelijkheid van Vader, Zoon en Geest immers tot het abc der religie behoort stelt hij voor, inplaats van de eeuwige generatie en uitgang te spreken van een eeuwige beweging in God. Dan kan er geen verschil in rang bestaan en is de zaak naar die kant gered. Ja, maar nu komen juist van de andere kant moeilijkheden. Waar blijft op deze wijze het aparte en onderscheidende in Vader, Zoon en Geest ? Het is duidelijk, dat we ons hier op weg naar het unitarisme bevinden, d.w.z. van de leer der éénheid van God, zonder onderscheiding. Maar dat is immers juist de leer van de Socinianen, die daarom ook vaak als antitrinitariërs (loochening van de Drieëenheid) worden aangewezen.

Ziehier de inzet van de strijd rondom Roëll.

En nu wilde het geval, dat de door ons reeds besproken F. A. Lampe, geestverwant van Fruytier (maar toch nog al wat verschillend) in zijn grote commentaar op Johannes denkbeelden verkondigde, die verdacht veel leken op de door Roëll voorgedragen gedachten. Geen wonder, dat Fruytier met zoveel historische kennis en zo'n fijn dogmatisch aanvoelen meteen alarm sloeg en Lampe beschuldigde van Roëllisme, alias Socianisme. Lampe heeft zich fel en verdrietig geweerd en we kunnen daaruit alleen opmaken, dat hij dus stellig niet bedoeld heeft, wat hem ten laste werd gelegd. We hebben de indruk, dat hij wel dogmaticus was, maar veel te argeloos en te gemoedelijk, om in alles scherp te onderscheiden. Maar waarom zich dan in de dogmatische arena gewaagd ? Hij had toch moeten weten : Een aarden vat (Lampe) bij een metalen (Roëll), en kon er niet dan nadeel halen. De botsing met Fruytier, de onverdiende verdachtmaking heeft Lampe er vooral wel toegebracht, zijn Utrechts professoraat vaarwel te zeggen en naar Bremen terug te keren.

Wat tenslotte in Fruytier zeer apart vermelding verdient is, dat hij een extra belangstelling voor de jeugd heeft. Dat mag binnen de Nadere Reformatie wel iets betrekkelijk nieuws heten. Niet geheel. Want de grote nadruk, die de hulscatechisatie van stonde aan heeft, wijst op een w^aardering van het gezin, dus ook van de opvoeding, zoals die b.v. bij Schortinghuis treffend tot uitdrukking komt, maar als zeer oud erfgoed. We herinneren ons ook, dat Koelman aandacht gaf aan de verhouding van ouders en kinderen.

Maar Fruytier doet het opzettelijk. Het doet ons vermoeden, dat daartoe ook wel enige extra noodzaak is opgekomen. In critische perioden pleegt de jeugd een apart probleem te betekenen. Fruytier's tijd is zo'n critische tijd, vol revolutiegeest, zodat er ook wel sprake moet geweest zijn van een , , opstandige jeugd".

Fruytier heeft aan deze jeugd een drietal boeken gewijd. Het meest bekende is Salomons raedt aen de jeugt, om te ontgaén de smarten van de Boze dagen en lusteloze jaren des Ouderdoms, zoals die voorkoomt Eccl. XII : 1. 1724. Nog in het zelfde jaar k'wam er een vervolg uit: Toegift aen de christenjeugt, om haer te bewegen, om Salomons Raed gewillig aen te nemen: waeïin gehandelt wort van het wezen, en van de onsterflykheidt der ziele. Zijnde een vervolg van Salomons Raed aan de Jeugt. 1724.

Uit deze titel menen wij wel te kunnen opmaken, dat dit vervolg niet bepaald verscheen „op veler dringend verzoek", maar — omdat de tegenspraak niet uitbleef. We merken tevens op, dat Fruytier zoveel nadruk legt op de onsterfelijkheid der ziel, een overtuiging, die in zijn eeuw toenemende tegenspraak vindt.

Het derde geschrift van deze reeks is Groot voorregt van de christen kinderen, 1726, dat mèt de andere verscheidene herdrukken beleeft en die dan ook wel verdiende. Wie de geschiedenis van het christelijk jeugdwerk naspeurt, zal aan Fruytier goede aandacht moeten geven. Want hij bracht onder woorden, wat zeker velen wat vager alleen maar voelden. In zijn dissertatie over de Jeugddiensten heeft dr. Beerekamp terecht op Fruytier als „jeugdman" gewezen : al lagen begrijpelijkerwijze bepaalde jeugddiensten buiten zijn bestek.

Vatten we het tot nu, toe verhaalde samen dan kan onze indruk alleen zijn, dat Fruytier een belangrijke plaats inneemt in zijn tijd. Lampe mocht dan schamper van hem spreken als van een onverstandige rotterdamse ijveraar : deze kwalificatie raakt de kern der zaak niet.

Fruytier is een gaaf type. Goed theoloog, maar ook goed predikant. Door dat eerste wat uitstekend boven het gemiddelde peil van de Nadere Reformatie, maar door het tweede er toch helemaal in thuishorend.

We geven ten besluite een overzicht over het genoemde , , hoofdwerk" : Sions worstelingen. Het boek had grote moeite, om het licht te zien, daar de kerkelijke approbatie maar niet afkwam. Tenslotte zette de drukker door en gaf het uit zonder approbatie. Dat bleek voor het publiek een extra aanbeveling om het ter hand te nemen.

Zoals gezegd, gaat het hier om historische samenspraken, maar waarmee het dogmatische is saamgeweven.

Drie perioden in de Hervorming trekken Fruytier's aandacht. Eerst de tijd van de gezegende Reformatie. Dan die van de Remonstranten. Tenslotte zijn eigen tijd. Dat de vorm der samenspraak gekozen werd, verbaast ons niet. Want we zagen al herhaaldelijk, hoe deze inkleding in zwang was, Fruytier laat 3 personen samenspreken: Godvrucht, Waarheid en Nathanaël. Meteen aan het begin horen we al, wat er dreigt. Waarheid denkt er over, uit Nederland te vertrekken, omdat voor haar geen plaats meer is en geeft daarvan rekenschap. Fruytier herhaalt hier, na een kleine eeuw, wat Van Lodenstein lyrischer en weemoediger had voorzien, getuige zijn preek over: Gods vertrek van ons. Godvrucht en Nathanaël doen, wat ze kunnen, om Waarheid tot blijven te bewegen.

Als Fruytier over de Hervorming spreekt, is wel zeer frappant, dat hij, de Calvinist, zo roemt in de gave Gods, die in Luther is verschenen en van Calvijn ten enenmale zwijgt. Leek hem dat overbodig of zweeg hij van zijn meester, omdat die immers, toenemend in de 18e eeuw, een gehaat man wordt ? Luther en de , , hervormers vóór de Hervorming" worden breed weergegeven en wel wat vergeten, dat veel van die voor-hervormers toch werkelijk nog geen werkelijke hervorming beoogden. Het heeft heel ons. hart, als hij over één met grote genegenheid spreekt, n, l, over Franciscus Junius, die vroeg of laat te dezer plaatse nog wel eens zal besproken worden. Merkwaardig juist deze aantrekking, want Junius schreef een boekje Den paysibelen christen, dat tot vrede maant. Fruytier moet dat wel met weemoedige ogen bekeken hebben en gedacht: Was het ook mij vergund, zo'n toon aan te slaan!

De tijd van de Remonstranten wordt critisch behandeld. Hun geschiedenis in ons vaderland is vooral door Remonstranten-zelf beschreven (Brandt, Geschiedenis der Reformatie; Uytenbogaart [Kerkelijke geschiedenissen) en moet daarom wel eenzijdig belicht zijn. Tegen Uytbogaart's zware foliant legde Trigland een even zwaar boekdeel in de weegschaal, een bron, waaruit wij nog altijd dankbaar uit putten. Begrijpelijk dat Fruytier, als hij Brandt en Uytenbogaart partijdigheid verwijt, nog al eens ontleend aan Trigland, maar ook wel beschikt over eigen informatie. Het beeld van de Dordtse Synode, dat Fruytier geeft, wijkt in velen dele af van de beschrijlving, die men er aan geeft in het remonstrantse kamp.

De grootste nadruk krijgt de tijd der Coccejanen en verwanten. De „openbare vijanden" waarop Fruytier doelt, zijn de wijsgeren Cartesius en Spinoza, van wie hij vinnig, maar o.i. zeer te pas, zegt, dat ze Rationalisten (verheerlijkers van de Rede) zijn, die de godzaligheid hebben bedorven. Fruytier heeft het gevaar van zo'n absoluut-redelijk denken zeer goed aangevoeld, vergelijk zijn protest tegen Roëll. Hij is zelf een helder denker, maar die veel critischer staat tegenover een overschatting van de menselijke rede dan b.v. Lampe en Witsdus. Daarin is hij bepaald hun meerdere en we hoorden zoeven, hoe hij uit dien hoofde Lampe kapittelde.

Van Fruytier's protest tegen Roëll hebben we al gesproken. Het wordt in , , Sions worsteling" breed en diep besproken. Tot slot komt de schrijver tot de Coccejanen. Klaarblijkelijk rekent hij althans sommigen van hen tot de verborgen vijanden van Sion. Neen, niet allemaal worden ze over één kam gestreken. Coccejus was matiger dan z'n meeste leerlingen, ja, vele ervan zijn vierkant tegenover de man, in wlen ze zo roemen, komen te staan. Goed gereformeerd beklaagt zich Fruytier over de zotte en ongehoorde uitleg, die men in het coccejaanse kamp durft te geven aan bijbelse zaken. Zo stelt hij- hen aan de kaak, die de bijbelse wedergeboorte ontledigen, door ervan te maken, dat wedergeboren is een mens, die tot de juiste (coccejaanse) beschouwing van de verhouding der Verbonden Gods is gekomen (!). Maar deze dwaasheden komen tenslotte niet ten laste van Coccejus, die Fruytier als veel soberder en wijzer eert en die hij aan diens nakroost tot een voorbeeld stelt.

Fruytier haalt in zijn boek aan de werken van W. Teellinck {Noodwendig verioogh, Van Lodenstein (Beschouwing van Sion) en Witsius (Twist des Heren). Hij heeft die alle gebruikt, maar zelfstandig. Wie op zijn beurt Fruytier weet te gebruiken (maar óók zelfstandig!), is op weg, om iets en veel te begrijpen van onze ingewikkelde vaderlandse kerkgeschiedenis., waarover Fruytier dit belangrijke en zeer aantrekkelijke boek schreef.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

JACOBUS FRUYTIER II

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's