VERLANGEN NAAR HEILIGMAKING
Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord en laat geen ongerechtigheid over mij heersen. Psalm 119 vs. 133.
Op de weg naar het Jeruzalem dat boven is, neemt de Heere bij Zijn kinderen voortdurend de proef op de som. Hij meet de warmte hunner liefde tot Hem. Hij legt de meter van Zijn Woord aan, dat zegt : „Zo wie Zijn Woord bewaart, in die is waarlijk de liefde Gods volmaakt. Hieraan kennen wij dat wij in Hem zijn".
Wie. zegt de Heere te vrezen, maar intussen diens geboden niet bewaart, die is een leugenaar, of hij is dat niet, maar leidt dan een kwijnend bestaan in zijn geloofsleven. Door heel het leven der bijbelheiligen heen wordt dan ook de roep gehoord om hulp en kracht tot een wandel in de wegen van Gods getuigenissen. In Psalm 119 komt dat wel zeer sterk uit.
In bovenstaande tekst vergelijkt de dichter Gods Woord met een weg en het leven met een wandel. Die vergelijking is schoon. De Heere heeft in Zijn Woord de wegen aangegeven waarlangs wij zullen wandelen. Hij heeft ons daarin de levenswet gesteld. Daar is geen moeilijkheid in ons leven denkbaar, waarin het Woord Gods geen licht kan verschaffen. Als wij raad nodig hebben, wij zullen die ontvangen als wij biddend Gods Woord raadplegen. Dit is juist onze dwaasheid, dat wij niet leven willen in afhankelijkheid. Wij vertrouwen meer op ons inzicht, dan op de voorlichting des Heeren. De nood moet al hoog klimmen, als wij ons tot God zullen wenden. Daarom komen wij gedurig beschaamd uit. Als wij niet met God rekenen, vergeten wij ook Zijn Woord en dan wandelt de mens naar het goeddunken zijns harten. Daar valt hij in de strikken der zonde en doolt af op wegen die niet goed zijn. En daartegenover stelt nu de Psalmist de bede : Maak mijne voetstappen vast in Uw Woord.
Hij wenst geen stap te doen of het moet overeenkomen met wat God heeft gezegd. Hij is niet tevreden met een schijn van deugd, maar hij wil volkomen heiligheid. Hij wenst niet alleen naar sommige, maar naar alle geboden Gods te leven. Hier ligt het onderscheid tussen de ware vreze Gods en de vleselijke vroomheid. De natuurlijke mens wil op z'n best naar sommige geboden Gods leven. Daar zijn dingen, waarin hij bij uitstek nauw is, nauwer zelfs dan God heeft bevolen, maar er zijn ook geboden, waarom hij zich in het geheel niet bekommert. Zijn lievellngszonde praat hij goed door de overlegging zijns harten. Zo eng als hij is in het ene, zo ruim is hij in het andere. Zo komt het, dat onder het kleed van vroomheid zoveel wordt gedaan, waarvan de wereld kan zeggen : is dat nu de vreze des Heeren?
De naam des Heeren wordt smaadheid aangedaan door deze Farizeërs, die veel en zwaarwichtig spreken over godzaligheid, maar in hun leven missen de blijken van het werk Gods. De echte kinderen Gods kennen liefde tot alle geboden Gods. Zij zijn, naar het woord van de apostel, zeer begerig om Hem welbehagelijk te zijn. Zó zijn zij, omdat zij niet verkeren onder de wet, maar onder de genade. Als zij onder de wet waren, zouden zij op eigen kracht aangewezen zijn. De genade leert hen, het hart op te heffen tot God. Immers door de werking der genade werden zij ontdekt aan hun onbekwaamheid om naar Gods wet te leven, zodat zij beschaamd stonden voor 's Heeren aangezicht. En door diezelfde genade werden zij Christus ingeplant, die de opstanding en het leven is.
Christus werd hun eeuwige Koning. En Zijn scepter is een scepter der genade. Dat leert hen roepen om de openbaring van Zijn kracht, om bewaring in de paden van Gods Woord.
Omdat zij Christus kennen, vrezen zij zichzelf en vragen om onderwezen te mogen worden in de weg des Woords. Daar strekt zich al hun lust en liefde heen. En als zij op zichzelf zien, dan weten zij wel, hoe uit hen niets is te wachten dan afdwaling en zonde.
Daarom voegt de Psalmdichter er nog aan toe: en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.
De dichter gaat bij deze bede dus uit van de waarheid, dat de ongerechtigheid er is. Ook bij de kinderen Gods is zij er. Wij zijn nooit zonder haar. Zij schuilt weg diep in het mensenhart. Zij woekert in de zielen. In de weg der ontdekking leert het kind Gods dit goed verstaan. Daarom bidt de dichter: laat ze niet heersen. Hij begeert, dat de Heere haar in hem zal beteugelen, opdat zij niet uitbreekt en zo Gods naam om zijnentwil zal worden gelasterd. Hij kent zichzelf als verkocht onder de zonde. Hij ziet geen kans de wortels uit te roeien uit de ziel. Hij huivert bij de gedachte, dat de zonde levendig kan worden. Hij weet hoe treurig zijn leven, hoe ontzettend zijn einde dan zijn zal. Dat doet hem vluchten naar God. En in die vlucht ligt de kracht tot ware heiligmaking. Wij kunnen ons niet vrijmaken. We hebben zelfs geen ogen om onze banden te zien. En zó zullen wij ons moeten kennen, opdat er behoefte zij aan de bewaring en leiding des Heeren. Daarom noemt de Schrift die leiding door de Geest een kenmerk van het kindschap Gods.
Als de behoefte aan die bewaring afneemt, dan komt de zonde op, misschien in verfijnde vorm, maar daarom niet minder dreigend. Zij verderft het leven, belemmert het gebed en brengt dodigheid en kilheid in onze ziel. En als dat doorgaat, is er het einde niet van te zien. Daarom kan zelfs een waar kind Gods zo ver afdwalen. En daarom ligt de heiligmaking hierin, niet dat de mens zichzelf bewaart, maar dat hij bewaard wórdt van de boze. En zal dit geschieden, dan is nodig om dagelijks in afhankelijkheid van de Heere te wandelen. Hier ontspringt het gebed, waardoor men in het geloof de wortels van zijn ganse leven uitslaat in God. En waar dat wordt gevonden, daar zal het léven dat ook openbaren.
Daar is niet een schermen met vrome woorden, een spreken over de waarheid, een roemen in Christus, dat gepaard kan gaan met onheilige, ja slechte daden. Daar is de ware vreze Gods in alle handelingen op te merken. Want daar wordt verstaan, dat de mens rekenschap moet afleggen voor God, niet slechts van hetgeen schijnt in het openbaar, maar ook van hetgeen in het verborgene geschiedt. Daar rijst de bede, dat de Heere de voetstappen mag vastmaken in Zijn Woord.
En ook hierin is het dus nodig zichzelf te beproeven, opdat wij niet in eeuwigheid beschaamd worden. Want wat zou het vreselijk zijn, als wij met een schone schijn verloren moesten gaan, als wij als huichelaars zouden worden weggezonden met de boodschap : Ik heb u nooit gekend.
In de doop reeds strekte God Zijn hand naar ons uit en werd ons verzegeld, dat Hij onze nooddruft wil vervullen tot heerlijkheid. Tot Hem mogen wij komen, met de bede, dat Hij ons zal regeren door Zijn Woord en Geest. Wie Hem ook hierin aanroept, vindt Zijn gunst oneindig groot. In de worsteling met de zonde zal Hij de overwinning geven. Nooit heeft iemand tevergeefs een beroep gedaan op de genade des Heeren. Wie kwam met de bede: , , Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, laat geen ongerechtigheid over mij heersen", die ondervond dat de verzoeker week, want de Heere Jezus heeft door Zijn dood teniet gedaan degene, die het geweld des doods had.
Daarom, al Gods ware kinderen stemmen samen in met de bede : dat ik Hèm kenne en de kracht Zijner opstanding.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's