De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VERDORVEN EN TOCH NOG MENS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VERDORVEN EN TOCH NOG MENS

11 minuten leestijd

In het vorige nummer kwamen wij aan deze vraag toe. De mens heeft zich beroofd van de gaven der gerechtigheid en heiligheid, welke hem in staat stelden zijn goddelijke bestemming te bereiken. Is hij nu toch nog mens?

Ziedaar een vraag, die ook in de reformatorische tijd de theologen bezig hield en waarover prof. Berkouwer uitvoerig handelt in het Hoofdstuk : Beeld en corruptie (t.w. van het laatst uitgekomen deel zijner dogmatische studiën: De mens het beeld Gods).

Ja de gevallen mens is mens gebleven. Dat staat voor de Schriftgelovige wel vast. Toch is de theologie niet duidelijk, al spreekt de belijdenis zich positief uit op dat punt. Ook op dit laatste wijst prof. Berkouwer.

Beginnen wij met artikel XIV van de Nederlandse geloofsibelijdenis :

, , Wij geloven, dat God de mens geschapen heeft van het stof der aarde, en heeft hem gemaakt en geformeerd naar Zijn beeld en gelijkenis, goed, rechtvaardig en heilig; kunnende met zijn wil in alles overeenkomen met de wille Gods "

Zover over de schepping van de mens. Met name wijzen wij nog eens op de onderstreepte zinsnede. In ander verband, toen het ging over het eigenlijke van het beeld Gods, hebben wij er op gewezen, dat dit eigenlijke is gelegen in de gehoorzaamheid m.a.w. in het doen van de wil Gods. Hier staat kunnende met de wil Gods in alles overeenkomen. Daaruit zien wij, dat de mannen van de belijdenis het ook zo hebben gezien, dat daarin het eigenlijke ligt.

Dan wat de val betreft, vervolgt art. XIV: „Maar als hij in ere was, zo heeft hij het niet verstaan, noch zijn uitnemendheid erkend ; maar heeft zich zelve willens der zonde onderworpen, en overzulks de dood en vervloeking, het oor biedende aan het woord des duivels. Want het gebod des levens, dat hij ontvangen had, heeft hij overtreden, en heeft zich van God, die zijn ware leven was, door de zonde afgescheiden : hebbende zijne gehele natuur verdorven. ; waardoor hij zich schuldig gemaakt heeft des lichamelijken en geestelijken doods".

Als men dit volgt, ligt de vraag vrij­ wel voor de hand, of er dan nog wel een mens overblijft.

We lezen verder : „En in al zijn wegen goddeloos, verkeerd en verdorven geworden zijnde, heeft hij verloren al zijn uitnemende gaven, die hij van God ontvangen had, en heeft niet anders overig behouden dan kleine overblijfselen daarvan, dewelke genoegzaam zijn om de mens alle onschuld te benemen ; overmits al het licht, dat in ons is, in duisternis veranderd is ; gelijk de Schrift ons leert: zeggende : Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen ; alwaar de Heilige Johannes de mensen duisternis noemt.

Temidden van alle verdorvenheid en duisternis onderscheidt zich dan die éne zinsnede : , , over de kleine overblijfselen".

Men zou zo zeggen, dat deze overblijfselen toch de verdorvenheid een weinig schijnen te verzachten. De verdorvenheid schijnt niet tot de laatste rest doorgegaan. Er is nog iets overgebleven van de oude glorie!

Lezen wij nog eens goed. Is er reden om van glorie te spreken ? Soms in die toevoeging : dewelke genoegzaam is om de mens alle onschuld te benemen ?

Dat is geen glorie, maar (Vgl. Rom. 1 : 18 v.v.). oordeel.

Wij zijn het dan ook volkomen eens met Berkouwer, dat de verdorvenheid door het oordeel, dat in die overblijfselen steekt, onderstreept wordt. (Zie a. w. blz. 131).

Men zij voorzichtig met die overblijfselen, en verheffe zich daarop niet, alsof wij daarin nog iets hadden, waarop wij. konden bogen.

Het is goed ook de Dordtse Leerregels nog eens op te slaan op dit punt, zoals Berkouwer doet. Deze spreken als volgt over de zonde en haar gevolgen : De mens , , heeft zich zelf van deze uitnemende gaven beroofd en in de plaats van die over zich gehaald blindheid, schrikkelijke duisternis, ijdelheid en verkeerdheid van oordeel in zijn verstand, boosheid, weerspannigheid en hardigheid in zijn wil en zijn hart, mitsgaders ook onzuiverheid in al zijn genegenheden". (III, IV, I).

Alles wat tot het beeld Gods gerekend mag worden, wordt hier in zijn tegendeel, in zijn verdorvenheid gekeerd. En nu de andere kant: na de val is in de mens , , enig licht der natuur nog overgebleven, waardoor hij behoudt enige kennis van God, van de natuurlijke dingen, van het onderscheid tussen hetgeen eerlijk en oneerlijk is en ook betoont hij enige betrachting tot deugd en uiterlijke tucht". (III, IV, 4).

Dit schijnt dan weer een en ander op het credit van de mens te willen stellen en hem toch niet alles goeds te willen ontzeggen.

Terecht toont Berkouwer echter aan, dat de Leerregels niet minder dan de belijdenis ingevolge Rom. 1 : 18 v.v. deze overblijfselen noemen in verband met 's mensen radicale val. De verdorvenheid wordt niet verminderd, maar te meer in het licht gesteld : opdat zij niet te verontschuldigen zijn. Men leze het aangehaalde artikel III, IV, 4 uit, om de juitstheid daarvan te ontdekken.

Het woord , , overblijfsel" of , , rest" is o.i.. wellicht op zich zelf genomen aanleiding tot misverstand. De Heidelbergse Catechisimus en deze niet alleen (zie noot bij Berkouwer t.a.p. blz. 133) gewaagt in het geheel niet van overblijfsels en neemt de Heilige Schrift over : onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle-kwaad. (Zie vr. 8).

Bij overblijfsel denkt men aan een voorraad, waarvan telkens wat afgaat, nog wat en nog wat, zodat de voorraad slechts tot een voorraadje of een klein voorraadje, ja een heel klein voorraadje is geworden. Dat hele kleine restje is dan echter nog niets oorspronkelijks.

Dat is het , , overblijfsel' in de belijdenis nu juist niet, want het oospronkelijke was ten leven, en, wat de confessie overblijfsel noemt, is ten dode. Het oorspronkelijke werkte naar God uitgaande genegenheid, en het , , overblijfsel" wordt den van God afgekeerde tot oordeel.

Het is daarom wel juist, dat het gevaar voor misverstand niet denkbeeldig is. (Zie Berkouwer t.a.p. blz. 134 v.). De verdorvenheid wordt door velen niet ernstig genomen, maar als in meerdere of mindere graad voorgesteld. Het woord , , overblijfsel" geeft daarvoor aanleiding, maar de zin der belijdenis is duidelijk en doet van het radicaal karakter onzer belijdenis niets af, hetzij ten spijt van allen, die de mens nog iets goeds toeschrijven. Berkouwer noemt het , , restbegrip" trouwens ook een gebrekkig begrip (t.a.p. blz. 135).

De strijd daarover binnen de Lutherse kerk gevoerd, laten wij nu maar rusten om ons bij de hoofdvraag nog een ogenblik te bepalen : Is die totaal verdorven natuur nog mens ? En hoe is het dan ? Hoe moeten wij dat verstaan?

Men heeft b.v. wel eens beweerd, dat het beeld Gods in de mens is getransformeerd in het beeld van de duivel.

Wij herinneren ons, dat de Heere Jezus Christus tegen de met Hem twistende Joden zegt: Gij zijt uit de vader, de duivel. Denk ook aan de term : adderengebroedsel. (Joh. 8 : 44 en Matth. 3:7).

Daarin hebben wij echter geen grond, om aan te nemen, dat de mens een duivel is geworden. Christus zegt tot de Joden: „gij wilt de begeerten uws vaders doen, die was een mensenmoorder van den beginne en is in de waarheid niet staande gebleven".

Wij kunnen uit deze woorden wel besluiten, dat de mens, die de begeerten van de duivel doet, het beeld des duivels draagt. Immers de mens, die de wil Gods doet, leeft naar de eis van het beeld Gods. Daarmede echter is de mens nog geen God.

Als de Schrift voorts zegt: , , Een iegelijk, die uit God geboren is, die doet de zonde niet" '(1 Joh. 3:9), dan wil dat niet zeggen, dat zulk een mens God is. Welnu, die de zonde doet, is uit de duivel : (1 Joh. 3 : 8), dat wil nog niet zeggen, dat de zondaar duivel is geworden. 'Een mens alzo in ongeschonden staat, is een mens, die het beeld Gods vertoont, maar hij is mens. En een mens, die de begeerten des duivels doet, zal bet beeld des duivels vertonen, maar hij is desniettemin mens.

Wij bedoelen daarmede duidelijk te maken, dat de gevallen mens niet wat anders is geworden, geen ander wezen is geworden, maar mens blijft, ondanks zijn volkomen bedorven natuur. Hij blijft mens voor God, omdat zijn wezen ongeschonden is gebleven in de Raad Gods. De mens kan niet van wezen veranderen, tenzij God zelf Zijn wezen veranderderde, maar dan zou het eerste wezen verdwenen zijn.

Juist, omdat het wezen in de wil en het voornemen Gods is bepaald, is de zonde niet alleen zonde tegen Gods wil, maar daarin zondigt de mens ook tegen zijn eigen we'zen. Immers in die wil van God ligt de oorsprong van zijn wezen en bestemming.

Daarom ook kan de afhankelijkheid van de mens nooit dieper en volkomener worden voorgesteld dan, wanneer men bedenkt, dat deze dingen zo zijn.

Nu willen wij niet beweren, dat hiermede ook een antwoord is gegeven op de vraag, hoe de zonde dan mogelijk is geweest ?

Volkomen verdorven natuur zonder enig goed, dat in de mens zou zijn overgebleven, en toch steil afhankelijk van zijn schepper, hoe is dat mogelijk ?

Daarop echter gaan wij niet verder in, omdat wij genoegzaam over deze zaak hebben gehandeld en geen ander antwoord zal gevonden worden dan ons door de Heilige Schrift geleerd wordt en wat door het geloof en de ervaring geleerd ook volkomen zeker is.

Maar er is een vraag over, waarop nog wel iets te zeggen valt.

Gij zegt, zo hoor ik iemand opmerken, dat de menselijke natuur volkomen bedorven is.

Gij spreekt met de belijdenis over , , overblijfselen" en merkt daaromtrent op, dat het eigenlijk geen overblijfselen, zijn, zoals men dat logischerwijze zou willen begrijpen.

Gij beweert verder, dat die volkomen bedorven mens desondanks toch mens is gebleven.

Hoe zit dan dan met wat gij, noemt „overblijfselen" ?

De vraagstelling is duidelijk en wordt nog dringender als wij de Dordtse leerregels nog eens voor de geest roepen : enig licht der natuur, enige kennis van God, van de natuurlijke dingen, van het onderscheid tussen hetgeen eerlijk is en oneerlijk, enige betrachting tot deugd en uiterlijke tucht.

De ervaring leert, dat het zo is. Wij kunnen deze gaven de natuurlijke mens in zijn gevallen staat niet ontzeggen en het schijnt toch niet overeen te komen met een radicaal verdorven staat.

Het is wel bij machte om ons te overtuigen, dat de mens in zijn val toch mens is gebleven, maar men zou dan willen zeggen, dat deze gaven hem moeten worden toegeschreven, dat het hem nog eigen is gebleven en dat wij hierin derhalve met echte overblijfselen van zijn reine staat te doen hebben.

Dit nu wordt door ons weersproken. Die zin mag aan deze gaven en vermogens juist niet worden toegekend. Wat nu ?

Hebben wij bij de behandeling van het beeld Gods en hoe wij dat moeten verstaan, er niet op gewezen, dat de mens zijn wezen en bestemming niet zou kunnen verwezenlijken, tenzij dan dat God met hem gemeenschap wilde onderhouden en hem Zijn wil zou openbaren ?

Ook hebben wij er in het voorbijgaan op gewezen, dat God met de mens omgang wil hebben naar de orde van Zijn verbond. Het verbond is de orde en de vorm, waaronder God met de mens wil omgaan.

Over deze zaken moeten wij nog nader handelen : n.l. over het verbond als door God gegeven orde van omgang met de mens.

Nu slechts een enkele opmerking: Gehoorzaamheid is de eis des verbonds. Doe dit en gij zult leven.

Valt het nu buiten de orde des verbonds, als de mens de gehoorzaamheid niet brengt, dat hij de toorn Gods op zich laadt ? Of volgt dat juist uit de orde des verbonds? Wij zien dat verbond gewoonlijk zo eenzijdig, maar het volgt  onmiddellijk uit de verbondmatige om­gang, die God gesteld heeft, dat Hij de : zonde thuis zoekt bij de overtreder. God houdt de zondaar aan de eis van Zijn verbond en uit dien hoofde openbaart Hij zich nog aan een gevallen wereld.

Omdat God de eis van Zijn verbond handhaaft ook jegens de zondaar, om­dat Hij daarin de eis van zijn wezen als beeld Gods op de overtreder blijft doen gelden, handelt God tegenover hem als mens d.w.z. God behandelt de zondaar als mens. Hij behandelt hem overeenkomstig de orde van het verbond: gehoorzaamheid — ten leven, ongehoorzaamheid— ten dode.

De mens is mens gebleven enkel en alleen, omdat God met hem als mens blijft handelen en hem rekenschap vraagt.

Wat de belijdenis , , overblijfsel" noemt is geen eigendom van de mens, maar het volgt uit deze handeling Gods.

Omdat God rekenschap vraagt van de gevallen mens, en zich jegens hem niet onbetuigd laat, daarom kan de belijdenis nog van , , overblijfsel" spreken, maar deze dingen getuigen tegen ons.

Dat is de zin van de mens is mens gebleven en van het Schriftwoord : „opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VERDORVEN EN TOCH NOG MENS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's