VERBOND EN OORDEEL
In het vorige nummer werd de vraag onder het oog gezien, hoe de totaal verdorven mens toch nog mens is gebleven. En wij hebben daarvoor verklaring gezocht in de orde van het verbond. Die orde brengt mede, dat God de overtreder van Zijn wil niet loslaat, maar rekenschap van hem vraagt en hem straft.
Iemand, die daarover nagedacht heeft, zal nu opmerken, dat die verbondmatige betrekking tussen God en mens inderdaad tweeërlei gezichtspunt opent: gehoorzaamheid met de belofte des levens, ongehoorzaamheid met de bedreiging des doods. Hij zal ook toegeven, dat deze bedreiging uit de orde van het verbond volgt en in zoverre door het verbondmatige wordt bepaald.
Maar — zal hij zeggen — ik kan toch de gaven, die God aan de gevallen mensheid schenkt, niet enkel onder het aspect van de toom Gods en het oordeel zien.
Waarom niet ? zal een ander vragen en dan zal de eerste weer antwoorden : omdat aan de mensheid zoveel tijd te beurt valt om die gaven te genieten en er zelfs nog groots op te zijn.
De Heere heeft gezegd : Ten dage, als gij van deze boom eet, zult gij de dood sterven en de wereld maakt een eeuwenlange geschiedenis door, terwijl het oordeel wordt uitgesteld tot de wederkomst van Christus.
Deze man heeft gelijk. Er schijnt veeleer sprake van een uitstel van het oordeel, zodat de des doods schuldige mensheid, die het leven heeft verbeurd, toch nog een leven althans hier op aarde wordt geschonken.
Is het wonder, dat men ten aanzien van deze ervaring moest denken aan genade ? Aan een tussentredende daad Gods, welke tevens openbaar maakt, dat God geen voleindiging met de mensheid wil maken door de dood ?
Moet men zich er over verbazen, dat ook het algemeen karakter van deze gunst Gods van „algemene genade" deed spreken ? (Vgl. Calvijn Inst. II. II. 17). , , Want ook al worden sommigen als dwazen of onnozelen geboren, zo verduistert dat gebrek Gods algemene genade niet; integendeel door het aanschouwen daarvan worden wij er aan herinnerd, dat wat ons overgelaten is, met recht moet worden toegeschreven aan Gods toegevendheid - , want, indien Hij ons niet gespaard had, zou de afval de ondergang van de ganse natuur met zich gesleept hebben". (Cursivering van mij, S.).
God heeft de ganse natuur niet tot de ondergang overgegeven en daarin openbaart zich een daad van Zijn genade.
Zo verschijnen de gaven dezer algemene toegevendheid Gods in tweeledig licht: zij wijzen enerzijds op oordeel en anderzijds op genade, een genade, welke in de hoogste gave verlossing van het oordeel moet betekenen.
Immers, wat zou uitstel van het oordeel voor grond of nuttigheid kunnen hebbeen, indien God zich had voorgenomen het welverdiende doodvonnis aan allen te voltrekken ? Ook dan ware het volkomen in Zijn vrijmacht, het ganse menselijke geslacht te laten geboren worde en dit aardse leven door te maken. Maar, zoals Calvijn opmerkt in de zoëven aangehaalde plaats, n.l. dat de afval van de mens de ondergang van de ganse natuur met zich zou gesleept hebben, zo zou ook de genade voor een tijd, in een uitstel van de voltrekking van het doodvonnis bestaande, de gehele schepping niet van de ondergang gered hebben, als God met de mens geen verlossing van de eeuwige dood had voorgenomen.
Er ligt een profetie der hope in de ervaring, dat God ons dit aardse leven schenkt met zovele goederen, welke Hij daaraan heeft willen verbinden. Het uitstel van het vonnis der ongehoorzaamheid als zodanig is het teken van Gods gunst over de Zondaar. Dat hebben onze eerste voorouders Adam en Eva ervaren, toen zij beschaamd en vol angst zochten te vluchten voor God, terwijl Hij nevens de straf ook van vertroosting sprak. De straffende hand Gods heeft hen en hun nakomelingschap niet ganselijk gespaard, maar nevens de herinnering aan het op ons rustende oordeel in de velerlei noden, moeiten en zorgen, in krankheden en dreiging des doods, heeft God ook het licht Zijner genade over deze wereld doen opgaan, als een roep tot bekering en eeuwig léven. De zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen, zoals de Zon over ons opgaat. (Tit. 2:11).
Heel ons leven op aarde wordt gekenmerkt door deze tweeledigheid, als een spel van licht en duisternis. Er zijn mensen voor wie het een spel is, dat zij zelfs als een normaal „natuurlijk" beloop der dingen aanzien. Juist dit feit, n.l. dat het mogelijk is dit tweeledig gezichtspunt voor een normaal natuurlijk beloop der dingen te houden, bewijst tevens, dat de zaligmakende genade Gods, welke over onze wereld is opgegaan, toch niet tot allen in haar zaligmakende, werking doordringt.
Is die genade dan vergeefs over de mensheid opgegaan, als zij toch niet aan haar doel komt?
Kunnen wij, aardelingen, de zaligmakende genade weerstaan?
Op deze vraag past een wedervraag voor antwoord. Zou de mens, die in het paradijs de uitgesproken wil Gods wederstond, als veroordeelde, zichzelf zoekende zondaar dan Gods genade niet kunnen weerstaan in een wereld, die nog zoveel schoons en goeds mag bevatten, dat hij zichzelf toeeigent en zo mogelijk nog als vrucht van eigen genie en kunst begeert te eren ?
Daarover behoeft dus geen verschil te zijn. Een mens van wie wij belijden moeten : geneigd tot alle kwaad en een vijand van God en zijn naaste, heeft zelfs geen oog voor de genade Gods. Maar een andere vraag is : zouden wij de genade Gods straffeloos kunnen weerstaan ?
Zouden wij God in verlegenheid kunnen brengen en machteloos zien tegenover de mensi, die volhardt in zijn onbekeerlijke wandel ?
Al zulke vragen, die het antwoord eigenlijk reeds in zich zelf dragen, bepalen Ons bij de Schrift, als zij spreekt van de toorn Gods, van Zijn straffende hand, van de God der wrake, van vuur en van oordeel.
Men wil deze dingen liever niet horen en er zijn zelfs mensen, die zulke woorden overleefd en verouderd vinden, zover verwijderd van het huidig geslacht, dat men ze volgens hen ook niet op de kansel moet gebruiken.
Dit verschijnsel geeft wel te kennen, hoe weinig het gezag der Heilige Schrift voor dezulken betekent en hoezeer dergelijke mensen een eigenwillige godsdienist voor de Dienst des Woords begeren te schuiven.
Die daaraan wensen mede te doen, of aan zulk een prediking de voorkeur geven boven de waarheid, mogen bedenken, dat Christus zelf waarschuwt tegen een onecht Christendom, , dat zich op Hem beroept. (Lucas 13 : 22—30).
Wij komen weer terug bij ons punt van uitgang : God handelt met de mens overeenkomstig de orde des verbonds. Hij' houdt ook de zondaar aan de orde des verbonds : Doe dat en gij zult leven, en straft de ongehoorzaamheid naar Zijn gerechtigheid: .
Dat is de orde des vefbonds. Zo ligt het ook in de orde des verbonds, dat hij de Zondaar, die Zijn genade versmaadt, bezoekt in Zijn toorn, ja hem verdoemt. De nieuwe theologie wil er telkens op wijzen, dat wij 'de mens niet op zich zelf moeten beschouwen, maar altoos in zijn relatie tot God.
Deze opmerking als zodanig heeft zonder twijfel recht ten aanzien van humanlstische tendenzen in de theologie, doch de gereformeerde theologie heeft van huis uit geleerd, dat zelfkennis en Godskennis samenhangen en dat een mens zich zelf alleen kan leren kennen in het aangezicht Gods.
Hoe zou het ook anders kunnen daar de mens naar Gods beeld Is geschapen. Daarin is een zo nauwe betrekking tussen de mens en zijn Schepper gezet, dat hij zelfs niet kan bestaan en zijn bestemming bereiken buiten de gemeenschap met God.
Verder heeft de leer des verbonds immer in ere gestaan in de gereformeerde religie, waarin datzelfde stuk weer naar voren komt: men moet de mens niet op zich zelf beschouwen, maar in relatie tot God, zijn Schepper.
Gewoonlijk wordt het verbond wat heel eenzijdig beschouwd: d.w.z. naar èèn kenmerk beoordeeld. Men spreekt van werkverbond, genadeverbond, en Coccejus heeft zelfs een verbondstheologie ontwikkeld van een reeks verbonden.
Toch kan er in werkelijkheid slechts sprake zijn van èèn verbond. Als de Schrift zegt: èen doop, èen geloof, èen Heere, kan dat niet anders zijn vanwege de enigheid Gods. Om diezelfde reden kan er ook slechts sprake zijn van èèn verbond, want God is een enig Heere.
Het verbond is immers ook door God zelf gesteld, en al heeft de mens het verbond verbroken in ongehoorzaamheid. God heeft het niet verbroken en handhaaft Zijn verbondseis op de mens, ook al is hij gevallen. Het ène verbond blijft en de orde des verbonds blijft bewaard.
De geschiedenis van het verbond maakt echter verschillende phasen door, of liever het verbond vertoont in zijn geschiedenis verschillende phasen, maar de orde blijft: doe dat en gij zult leven. Denk maar eens aan het woord van de Heere Jezus Christus : Want zo wie de wil Mijns Vaders doet, die in de hemelen is, die is Mijn broeder en zuster en moeder. (Matth. 12 : 50).
Wij hebben kunnen opmerken; dat de openbaring van de toom Gods ook volgt uit de orde des verbonds in geval van ongehoorzaamheid.
Dat wil dus zeggen, dat God verbondmatig blijft omgaan ook met de ongehoorzame en goddeloze mens, en dat is ook de grond, waarom de gevallen en verdorven mens desondanks mens blijft.
Het ène verbond blijft alzo de ganse mensheid omvatten.
Iemand vraagt, hoe dan de genade in dat ène verbond is gekomen, daar toch het z.g. werkverbond door ongehoorzaamheid van èèn , mens tot een verbond des 'doods is geworden.
Hoe werd het werkverbond tot genade-verbon'd ?
Neen, zo is de vraag niet zuiver gesteld. Het werkverbond is niet veranderd van orde en eis, maar de genade is in het werkverbond gekomen , toen het door de mens verbroken werd.
Zó moeten wij de zaak stellen ; want de orde des verbonds blijft: gehoorzaamheid is ten leven, ongehoorzaamheid ten dode.
Welnu, als wij zien dat God aan een wereld van zondaren, ondanks de ongehoorzaamiheid nog weer leven geeft en geen voleindiging maakt, en als wijl verstaan, dat deze genade niet slechts een uitstel van het oordeel betekenen kan, omdat zij op bevrijding Van het oordeel en verlossing van de dood is gericht, dan maakt God het in Zijn genade met die mens, alsof hij de orde des verbonds bewaard, de gehoorzaamheid gebracht heeft.
Dan is er alle reden om van plaatsvervangende genade te spreken. De genade Gods komt plaatsvervangend in de orde van het door de mens verbroken verbond, als een profetie van de Middelaar Gods en der mensen, van Hem, die bereid was alle gerechtigheid te volbrengen, welke er voor God te doen was en dat in onze plaats.
Denk nu weer aan Genesis 3:15, waar de Heere de belofte van een verlosser aan Adam en Eva schenkt, terwijl Hij Zijn straffende hand over hen uitstrekt.
Het verbond blijft van Godswege, de orde des verbonds: blijft, de eis des verbonds blijft, omdat God dezelfde blijft, maar het plaatsvervangend lijden en sterven van de Christus', als het vleesgeworden Woord, is de grond van de plaatsvervangende werking van Gods genade in het verbond, welke toegepast wordt op degenen die daartoe geordineerd zijn in Christus Jezus.
Het werkverbond wordt door de kracht van Christus' lijden, sterven en opstanding dienstbaar aan de voltrekking van de verkiezende genade Gods.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's