BERNARDUS SMYTEGELT
I.
Alvorens naar het Noorden terug te keren, om Schortinghuis te bespreken, vertoeven we nog een ogenblik in het Zuiden, omdat ook ds. Bernardus Smytegelt door ons nog niet werd besproken. We plaatsen hem na en naast Fruytier, om te doen uitkomen, hoeveel typen en variaties er in de Nadere Reformatie voorkomen.
Smytegelt is dan wel (schijnbaar) een zeer bekende onder ons. We konden het wat hatelijke woordje „schijnbaar" echter toch niet in de pen houden. Want: is er geen oorzaak ? Haast automatisch vult menigeen, als hij de naam Smytegelt hoort, aan : en zijn preken over het gekrookte Riet. Maar wie heeft die preken (het zijn er 145 !) gelezen, althans maar voor een bescheiden deel ? U behoeft dan ook niet te vragen, hoe gefundeerd de oordeelvellingen over hem en anderen zijn bij voor- en tegenstander.
Maar laten we de hatelijkheid nu verder rusten, want Smytegelt is immers juist zo'n hartelijk man ! Hij is een Zeeuw, geboortig uit Goes, en hij is zijn leven lang in Zeeland gebleven. Vanzelfsprekend komen, wanneer we van hem spreken, de namen van W. Teellinck en G. Udemans weer even boven, die met hem samen de belangrijkste vertegenwoordigers van het Zeeuwse Piëtisme zijn.
Vergelijking met die zoëven genoemden, zou ook wel merkwaardig resultaat opleveren, maar we kunnen hier niet zo breed uithalen en vergelijken ; daarom beter met de zo pas besproken Fruytier. Dat doet ons vaststellen, dat Fruytier als theoloog-historicus kon gelden, terwijl Smytegelt naar die kanten bepaald niet uitblinkt, omdat hij vooral een practicus is. Maar daarin kan ook Fruytier wel naast hem staan, zodat we wel moeten besluiten, dat, vergelijkenderwijïze, Smytegelt geen eersterangsfiguur is. Dat zal door sommigen wel niet met volle smaak worden aangehoord. Bij sommigen staan Smytegeït's papieren erg hoog. Dat dankt hij dan wel aan zijn grote mate van populariteit, aan de zo , , gewone", maar o.i. vaak platte wijze, waarop hij zijn gedachten voordraagt. Wie dat kan waarderen, zal dat zelf dan maar moeten verantwoorden, maar wij voor ons kunnen Smytegelt juist daarom de erepalm niet reiken. Misschien is de grote Smytegeltverering ook wel gevolg van zekere onkunde. Men liep , , tegen Smytegelt aan" en het haakte. Maar men keek niet eens rond, om zich te vragen, of er in deze ook een goed, beter, best bestaat. Als we Smytegelt goed noemen en Comrie beter, dan zouden we hun Schotse tijdgenoten en geestverwanten, de Erskines, toch wel best moeten noemen. En juist aan hen gemeten, komt Smytegelt er niet zo voordelig bij te staan. Wèl wat .betreft zijn , , grond" en bedoeling, want die lijkt ons boven bedenking verheven. Maar in zijn wijze van uitdrukking lijkt ons Smytegelt erg achterop te zijn gekomen en niet gunstig af te steken bij bijna al zijn geestverwanten. We zullen daarop nog wel even moeten terugkomen. Laten we eerst zijn leven verhalen. Dat is zo eenvoudig als de man zelf. Conflicten, zoals W. ä Brakel zo dapper uitvocht, heeft hij niet gekend, hoewel we niet aarzelen te erkennen, dat hij ze, wanneer ze waren gekomen, ook wel onvervaard zou hebben aangepakt.
Smytegelt is geboren in 1665 en hij overleed in 1739. Was hij geboren in Goes, hij werd student in Utrecht, waar o.a. H. Witsius en M. Leydekker doceerden. We moeten wel aannemen dat Witsius hem vrij sterk beïnvloed heeft. Want dat practicale van Witsius (Geestelijke printen) vinden we bij Smytegelt in nog populairder vorm terug. En Leydecker heeft van zijn leerling zomin een kerkhistoricus als een dogmaticus kunnen maken.
Als Smytegelt dan klaar is, moet hij wat we zeker wel niet verwachtten, maar liefst 2 jaar op een beroep wachten. Er zijn in onze Kerk gedurig tijden geweest met een candidatenoverschot en het was Smytegelt beschoren, in één daarvan te leven. Maar dan komt na 2 jaar het beroep naar Borssele, vanwaar de levensreis later via Goes naar Middelburg gaat. Hij bleef dus levenslang den Zeeuwen een Zeeuw.
Zoals we na het gezegde wel kunnen verwachten, ligt de kracht van Smytegelt alleen in het pastoraat. Daarmee is eigenlijk tevens de kracht van heel de Nadere Reformatie getekend en, doorgetrokken, de kracht van de Gereformeerde Bond. Nochtans kan niet verzwegen worden, dat hierin ook een zwakte is gegeven, wanneer men eenzijdig en schraal te werk gaat. Hoe hoog te waarderen een pastor is en hoezeer de laatste problemen van het mensenleven in het pastorale en niet in het intellectuele liggen, nochtans zijn er ook theologische kernproblemen, die hier hun oplossing niet vinden en die, wanneer ze toch eenzijdig pastoraal worden behandeld, gerechtvaardigde protesten oproepen. Het merendeel van de mannen van de Nadere Reformatie heeft dat gevoeld en heeft er zich tegen gewapend. We vinden onder hen, naar we aanduidden, die reeks knappe dominees, zonder welke een Kerk het helemaal niet kan stellen, die voor een deel dogmatisch en historisch zó geschoold zijn, dat ze behoed worden voor het gevaar van de al te vlotte en gemakkelijke oplossingen, waarbij dooddoeners de plaats van argumenten moeten innemen. Als we dat met erkentelijkheid vaststellen, kunnen we niet verzwijgen dat Smytegelt tot deze genoemden niet behoort, zodat degeen, die eenzijdig alleen bij Smytegelt leeft, niet werkelijk veelzijdig wordt geschoold en gewapend.
Smytegelt moet 't dus van de praktijk hébben. Daar bedoelt hij dan mee : een practijk van binnen en zo een practijk naar buiten. De eerste heeft de grootste belangstelling, de tweede komt echter evengoed naar voren. De pastorale practijk betekent voor Smytegelt een drukke preekdienst, met catechisatie (natuurlijk ook lidmatencatechisatie), met huis- en ziekenbezoek. In het levensbericht dat een bewonderaar, P. de Vriese, van Smytegelt gaf, wordt gezegd, dat hij in al die genoemde werkzaamheden wist uit te blinken. Al is dat voor ons niet meer te controleren : we nemen het desniettemin grif aan, wanneer we als maatstaf nemen de preekarbeid, die tot op deze dag het beeld van Smytegelt bepaalt. Daarbij komen we voor een merkwaardige stand van zaken te staan. Van Voetius hebben we 4 uitgegeven preken, van W. á Brakel 10 en van Smytegelt enkele honderden. Was die zich dan zó bewust van bijzondere kanselgaven en meende hij, dat de theologische boekenmarkt het zonder zijn werken bepaald niet kon stellen ? We kunnen daarop gelukkig ontkennend antwoorden. Smytegelt was geen hoogvlieger en hij wilde dat ook op geen enkele manier zijn. Zijn bewonderaars hebben hem jarenlang geen rust gelaten, al maar om uitgave van z'n preken vragend, maar Smytegelt heeft dat steeds geweigerd. Vermoedelijk heeft hij begrepen, dat een goede preek allereerst is bestemd om te worden uitgesproken en aangehoord. Wie een gedrukte preek leest, nadat hij die preek eerst gehoord heeft, zal niet licht tevreden gesteld zijn. Want de charme van de persoonlijikheid, van stem en voordracht, doen er wel heel wat aan af en toe. Uit de gedrukte preken krijgen wij van ons voorgeslacht maar een heel beperkt, flets beeld, en we zullen daarmee altijd geducht rekening moeten houden. We hebben reden, om aan te nemen, dat ook bij Smytegelt zijn hele persoonlijkheid zijn uitgesproken preken een heel eind boven de later neergeschrevene heeft doen uitsteken. Alleen zult u nu vragen: wanneer hij dat dan wist, waarom dan niet liever heel die uitgave, die immers bepaald onder de maat moest blijven, achterwege gelaten ? Ons antwoord moet zijn, dat Smytegelt dat niet gekund heeft, gesteld dat hij het al zou hebben gewild. Want als hij in Middelburg preekte, zat in de kerk een trouwe volgelinge, Maria Booter, die met vaardige pen zijn preken opschreef. Ze bracht het tenslotte tot 17 delen aantekeningen in 4°. Deze gang van zaken doet ons aan Calvijn in Geneve denken, waar het ongeveer evenzo toeging. In de St. Pierre in Geneve zat een Fransman, die daartoe door de diakenen bepaald was aangesteld, Denis Raguenier, en hiji schreef Calvijns preken op, zodat men ze kon uitgeven. Daar Calvijn, verzwakt en asthmatisch, zeer langzaam sprak, heeft Raguenier hem wel kunnen bijhouden, hoewel we weten dat hij al een soort stenografie bezigde. Of Maria Booter zich daarin met haar voorganger heeft kunnen meten? Ons dunkt, dat Smytegelt levendiger is geweest dan Calvijn, al doet de lengte der gedrukte preken toch weer vermoeden, dat het tempo, waarin gepreekt werd, nogal matig is geweest.
Dus Maria Booter bezat de geschreven preken van Smytegelt. Begrijpelijk, dat ze die dan eens uitleende aan vrienden en buren. En ook weer begrijpelijk, dat die op hun beurt van deze aantekening copie maakten, waarbij onjuistheden en onbegrijpelijkheden niet uitbleven. Zo is het vele auteurs in die oude dagen gegaan : van een bescherming van , , intellectuele eigendom" was geen sprake.
Om nu te ontkomen aan het gevaar, dat de een of andere voortvarende of inhalige drukker zo'n vijfderangs handschrift gaat afdrukken, heeft menigeen, in arren moede en niet zonder verzuchtingen, dan zélf maar zijn handschrift aan de pers toevertrouwd.
Bij Smytegelt liep het in zoverre anders, dat pas na zijn dood een stroom van preken is losgekomen. De preken, die dan komen, maken haast allemaal series uit. We zeggen : Gelukkig, want dat is goed reformatorisch. Als u Luther, Zwingli en Calvijn hoort preken, merkt u dat ze niet een tekst uit 'n verband lichten, om die alleen (en licht eenzijdig) te belichten, maar u ziet, dat ze over hele Bijbelboeken preken, tekst na tekst. Dat was (en is nog) zeker de beste manier om een onwetende gemeente tot dege Schriftkennis op te leiden, al kan het weer een geoefend of wat verwend gehemelte niet meer zo strelen. Wie dat in onze dagen onderneemt, heeft grote kans niet zó veel lof te oogsten bij de mensen. Maar die zal o.i. toch wel moeten overwegen, of juist die omstandigheid hem niet nochtans tot die keuze noopt.
Smytegelt leeft een hele tijd na Calvijn en is stellig niet enkel een copie van die Hervormer. Maar waarin hij dan moge afwijken, niet in die preekmethode. Helaas zijn z'n preken nog wei befaamd, maar juist zijn methode zelden of nooit gevolgd.
Een zéér aparte plaats onder al die prekenbundels nemen dan zéker in de 2 forse quarto delen, waarin de 145 preken over Het Gekrookte Riet zijn vervat. Die preken hebben al die keren dezelfde tekst, waarin de Heere Jezus zegt, dat Hij' het gekrookte riet niet zal verbreken, noch de rokende vlaspit zal doven. Dit is een. zó hoog en diep woord, dat het waarlijk niet licht wordt uitgeput. Maar wie daar 145 keer over preekt, 'die moet toch wel vrezen, dat hij niet licht ontsnapt aan een zekere kapstokprediking, waarbij de tekst enkel uitgangspunt is, waaraan de kerkelijke redenaar zijn gedachten belieft op te hangen. De genoemde De Vriese deelt ons mee, dat Smytegelt niets moest hebben van een allegorische Schriftverklaring, die van alles achter alles maakt, om aan de eenvoudige Schriftzin te ontkomen, die toch kennelijk , , de mening des Geestes is". We nemen daar dankbaar kennis van, maar vrezen dat bij Smytegelt's erg losse verhouding tussen preek en tekst dat gevreesde euvel toch nog al eens is binnengedrongen.
Men pleegt deze 145 preken nogal eens belachelijk te maken door het voor te stellen, alsof ds. Smytegelt daar maar, een kleine 3 jaar achter elkaar, zondag aan zondag over datzelfde thema zou hebben gepreekt. Maar Smytegelt is een veel te goed mensenkenner, om niet te weten, dat zo'n overmatige belangstelling voor één thema geschikt is, om het tegendeel uit te werken van wat het bedoelt.
Deze 145 preken zijn de vrucht van 14 jaar predikdienst, zodat er per jaar hoogstens een tiental van kan zijn gehouden. Gezien het grote aantal zondags-, week- en extra beurten, is dat aantal van 10 dus zeer matig. De kennis van homiletische tactiek en wijsheid is dus kennelijk (en gelukkig) geen vrucht uitsluitend van de 20ste eeuw. Dat geeft ons lust en moed om ook over de andere preken van Smytegelt nog een en ander te zeggen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's