VERBOND EN LEVENSBESCHOUWING
Het woord levensbeschouwing raakt in sommige kringen in discrediet. Levensbeschouwing ? Dat is uit de tijd, ouderwets en overleefd.
Natuurlijk is dit niet zo, want, die zo spreken, hebben ook hun gedachten over het leven, al zijn deze misschien wat ongegrond en oppervlakkig, doch zij zijn meer gekant tegen de vaste normen en grondslagen, waarop de bestreden levensbeschouwing of levensstijl is gebouwd.
Er dient zich in onze dagen n.l. een geest aan, die afkerig is van alles, wat op vaste principes terugwijst. Een geest, die vreest voor verstarring en verzuiling, en bij voorbaat begint met alles te verwerpen, waarin hij iets meent te zien, dat daartoe aanleiding zou kunnen geven.
Het leven is altijd in beweging, het is dynamisch en men moet de dingen dan ook dynamisch nemen en met name geen tijdloze dingen aanhangen.
Het ontbreekt niet aan voorstanders en zelfs voorvechters van dergelijke beschouwingen, die ook de Heilige Schrift daarnaar willen interpreteren, want het woord , , uitleggen" past hier niet, om ook de „tijdloze" uitspraken van de Heilige Schrift onschadelijk te maken voor hun eigen standje.
De normen en vaste grondslagen, welke door deze geest het meest worden afgeweerd in hun afkeer van levens en wereldbeschouwelijke redeneringen worden immers aan de Heilige Schrift ontleend. Inzonderheid denke men ook aan Gods geboden.
In de grond der zaak toch gaat het verzet tegen een Christelijke wereld en levensbeschouwing, tegen de geestelijke en zedelijke levensnormen, waarvan zij uitgaat.
Het behoeft niet gezegd, dat het geloof zich met zulke meningen niet kan vermengen, wijl het uit de gemeenschap met de enige en waarachtige God in Christus Jezus opkomend en getuigend, door Zijn Woord en Geest iets verstaat van de vastigheid van dat Woord voor tijd en eeuwigheid.
Het is best mogelijk en wordt ook niet weersproken, dat er ook in orthodoxe kringen verstarring kan optreden, dode vormendienst en sleur, maar dat doet de waarheid Gods niet te niet, hoewel het, zoals in dit alles duidelijk wordt, schade kan doen aan de waardering van het levend geloof en waarachtige vroomheid.
Aan deze afkeer van vaste normen en grondslagen gaat ook gepaard een afkeer van en zelfs verzet tegen een bepaalde levensstijl, die men zonder meer als Pharizeïstisch, huichelachtig en schijnvroom wil typeren, omdat deze scheiding maakt tussen wat men betamelijk vindt en wat men acht als wereldgelijkvormig te moeten vermijden. Er zijn n.l. verschillende gebruiken en gewoonten, waaraan men in orthodoxe kringen niet meedoet. En dat niet meedoen, hindert sommige lieden ook al, die voor zichzelf alle vrijheid opeisen, maar ons de vrijheid schijnen te misgunnen om naar ons gevoelen te handelen.
Helaas, en niet zonder invloed van die geest van verzet, is ook het begrip orthodox geen zuivere aanduiding meer, sedert men die kwalificatie ook wil toekennen aan hen, die op fundamentele stukken met de belijdenis overhoop liggen.
Wij zijn echter niet bereid de traditionele schat der kerkelijke waarderingen en uitdrukkingen prijs te geven aan een streven, dat zich met alle kracht verzet tegen de grondwaarheden van het ch ristelijk geloof inzonderheid tegen het gezag van de Heilige Schrift als Gods Woord, zoals de kerk des Heeren daarin door de Heilige Geest wordt onderricht. Orthodox betekent recht in de leer, zoals die in de belijdenis der kerk wordt beleden.
Wie. daarvan op fundamentele stukken afwijkt, allereerst, zoals wij opmerkten, omtrent het Goddelijk gezag der Heilige Schrift en voorts, om de gedachten te bepalen, van de dingen, welke in de Twaalf Artikelen, des geloofs worden beleden, kan rechtens geen aanspraak op de naam orthodox doen gelden.
Men zal gevoelen, dat ook de door ons bestreden uitrekking van het begrip orthodox in de , , dynamische" sfeer valt, die van geen vastigheden weten wil, ook niet in het belijden.
Degenen, die zo beducht zijn voor verstarring, en terwille van de door hen voorgestelde dynamica ook in het kerkelijke leven de vrijheid boven de gebondenheid begeren, mogen wel eens bedenken, dat zij zulk een onzekere praktijk alleen kunnen uitleven, zolang er in de kerk nog genoegzame kracht uitgaat van degenen, die verstaan mogen, dat de gemeente van de levende God een pilaar en vastigheid der waarheid is.
Dat is een ander geluid! En, als er bij de voorstanders van zo even genoemde geestelijke ongebondenheid nog enig besef van het gezag van Gods Woord leeft, mogen zij wel acht geven op de vermaning van de apostel Paulus, waaraan wij dit woord ontlenen (1 Tim. 3 : 15), wijl hij er aan toevoegt: , , opdat gij moogt weten, hoe men in het huis Gods moet verkeren".
Daaruit kan tevens blijken, dat het huis Gods geen plaats is voor allerlei experimenten naar de mode van de tijd, en waar wij kunnen bazelen naar eigen smaak en genoegen, maar waar men de ordeningen van de levende God heeft te eerbiedigen. De Nieuwe Vertaling luidt: , , Mocht ik nog uitblijven, dan weet gij, hoe men zich behoort te gedragen in het huis Gods, dat is de gemeente des levenden Gods, een pijler en fundament der waarheid". (1 Tim. 3 : 15).
In navolging van Calvijn, zouden wij thans kunnen opmerken, dat wij gebonden zijn aan Gods Woord : , , Aangezien geen dagelijkse Godsspraken uit de hemel gegeven worden, en alleen de Schriften bestaan, door welke het de Heere goedgedacht heeft Zijn waarheid tot een eeuwige gedachtenis te doen voortleven, bezit de Schrift door geen ander recht een volledig gezag bij de gelovigen, dan wanneer ze geloven, dat ze uit de hemel is voortgekomen, evenalsof levende stemmen Gods zelf vandaar gehoord werden" Sizoo I blz. 42). (Inst. I, VII, 1.).
Het levend geloof zoekt gehoorzaamheid aan de Schrift, welke het als de openbaring van de wil Gods leert kennen en eren. Het levend geloof is niet bevreesd voor verstarring en verzuiling bij de vastigheden Gods, maar zoekt de gehoorzaamheid aan Gods geboden.
Het leven van Gods kinderen wordt niet gekenmerkt door een vrijheidszin, die het Woord veronachtzaamt of veracht, maar zij vinden de hoogste vrijheid in de gehoorzaamheid aan Gods wil. , , Mijn moeder en Mijn broeders zijn deze, die Gods Woord horen en doen". (Lukas 8:20). Vgl. ook Marcus 3:35: , , Want zo wie de wil van God doet, die is Mijn broeder, en Mijn zuster, en moeder".
In overeenstemming daarmede belijdt de Catechismus : dat ook de allerheiligsten, zolang zij in dit leven zijn, maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid hebben, doch alzo, dat zij met een ernstig voornemen niet alleen naar sommige, maar naar alle geboden Gods beginnen te leven (vr. en antw. 114).
En als het over de toerekening van de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus gaat, wordt daaraan toegevoegd : evenals had ik al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft, (vr. en antwoord 60).
Men ziet, hoe grote plaats de gehoorzaamheid inneemt in het leven der Kerk van Christus.
Christus heeft de gehoorzaamheid gebracht, welke wij schuldig zijn te brengen. Vader, niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede. (Vgl. Lukas 22:42).
Zo wordt de orde des verbonds, ook in het plaatsvervangend lijden van de Christus gehandhaafd.
God doet geen afstand van Zijn recht, maar ook jegens de zondaar handhaaft Hij de eis der gehoorzaamheid aan Zijn wil en Wet.
Wel heeft de mens zich van de voorwaarden om die gehoorzaamheid te kunnen brengen beroofd, maar zo hij de weldaad Gods van de toerekening der volkomene genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus niet met een gelovig hart aanneemt, staat hij voor eigen rekening en onder het oordeel der Wet.
Hoezeer God de Heere, aan de eis der gehoorzaaimheid vasthoudt, kan boven alles duidelijk worden in het lijden en sterven van Christus, de Zoon Zijner liefde, maar kan ook blijken uit de weg, die Hij met Zijn volk Israël genomen heeft. Begint Hij niet met de wetgeving op de Sinaï ? En heet deze wet niet, de Wet des verbonds, ja het verbond ?
Het is daarmede dan ook volkomen in overeenstemming, dat de Wet des verbonds wordt gewaardeerd als onze levenswet. En als de heidenen, die de wet niet hebben van nature doen de dingen, die der wet zijn, als die betonen het werk der wet geschreven in hun harten, hoe zal dan een Christgelovige vrij uitgaan, als hij Gods gebod veronachtzaamt en niet eerbiedigt als een richtsnoer voor zijn handel en wandel ?
Niet zonder goede grond wordt dan ook de Wet des Heeren in de Catechismus behandeld naar aanleiding van de vraag aangaande de waarachtige bekering des mensen en die omtrent de goede werken. (Vgl. Zondag XXXIII).
Daarop volgt een uiteenzetting van de Wet Gods, welke aantoont, dat zij met recht grondslag en richtsnoer van christelijk zedelijk leven mag heten.
Met aandrang komen wij dan ook op voor een levensbeschouwing, welke daarmede niet slechts rekenen wil, maar gehoorzame betrachting van Gods gebod als eis des geloofs blijft stellen, en dat niet alleen voor de Ghristgelov|ge, maar voor de mens als mens, omdat God ook de zondaar aan de eis van Zijn verbond houdt.
Veeleer gaan er in onze dagen stemmen op, die van zulk een algemene eis en onder alle omstandigheden niet willen weten, omdat zij het goddelijk gezag der Wet niet erkennen en, indien zij nog enig verband menen te kunnen aanvaarden met de wil Gods, zichzelf en anderen dan toch niet zo algemeen en zo streng aan Gods geboden gebonden achten.
Het kan daarom nuttig zijn dergelijke dwalingen te signaleren, opdat ze zo mogelijk geen verdere verwarring stichten.
De wil Gods omtrent ons leven, geopenbaard in de beide tafelen der Wet, is niet veranderd. Christus leert, dat de Schrift niet kan gebroken worden. Daaronder is zonder enige twijfel ook Gods Wet begrepen. De Heere Christus heeft dan ook gezegd, dat Hij niet gekomen is om de Wet of de profeten te ontbinden, maar om te vervullen.
En er staat nog wat bij': , , Zo, wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden en de mensen alzo zal geleerd hebhen, die zal de minste genaamd worden in het .Koninkrijk der hemelen, doch wie ze zal gedaan en geleerd 'hebben, die zal groot genoemd worden in het Koninkrijk der hemelen. (Vgl. Matfch. 5 : 17—19).
Daarom moeten wij verwerpen, allen, die de betekenis van de Wet verkleinen en naar hun eigendunkelijke begrippen ombuigen en wij zijn schuldig de Wet des verbonds, als richtsnoer van God gegev^en, in ons denken en handelen te eerbiedigen en te betrachten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's