Vrijheid
In , , De mens het beeld Gods", heeft Berkhouwer een belangrijk hoofdstuk gewijd aan „de menselijke vrijheid, " een hoofdstuk, dat met name van belang is wegens de heldere probleemstelling.
Aansluitende op ons vorig artikel kan het zijn nut hebben over dit onderwerp onze gedachten te laten gaan.
Het ging over wereldbeschouwing en de eis der gehoorzaamheid aan Gods geboden, waartegen niet alleen — hoewel in sterke mate —de mode van onze tijd zo sterk is gekant. Geen wonder, zoals wij straks zullen zien.
Tegenover die eis verdedigt men met vrijmoedigheid een eigenmachtig standpunt omtrent de grondslagen en normen van een zedelijke levensorde, alsof men daartoe vrijheid en recht had.
Het tegendeel daarvan aan te wijzen ligt in onze bedoeling, als wij over de menselijke vrijheid gaan handelen.
Het is zo in het algemeen niet gemakkelijk uit te maken, of vrijheid een gevoel is, of werkelijkheid, of misschien beide tegelijk. In ieder geval weten wij heel goed, wat onderdrukking is, beroving van vrijheid om dit of dat te doen, en niet alleen dat, want het is ook nog wat meer. Alleen het gevoel reeds van dit of dat niet te kunnen doen, omdat het belemmerd, ja, verhinderd zou worden, als wij het op een zeker moment zouden willen beproeven, is moeilijk en zwaar, het maakt de indruk van gevangen man te zijn, omringd door onzichtbare muren, die onze bewegingen beperken.
Wij denken maar eens terug aan de bezettingstijd.
Iemand merkt op, dat hier alleen sprake is van uitwendige beperkingen, die ons in ons doen en laten belemmeren of verhinderen, doch dat wij die ook kunnen trotseren, wanneer b.v. op onze geestelijke vrijheid een aanslag wordt gedaan.
Dat is ook inderdaad zo. In zulke omstandigheden kan men de onderdrukker weerstaan, en niet zelden zal men zich geroepen gevoelen te weerstaan, ja, om Gods wil niet anders kunnen al moet men het met de dood bekopen.
In het martelaarschap laat de hoogste vrijheid zich gelden ondanks alle banden en dreiging des doods. Zo aanvaardde de apostel Paulus welbewust, gebonden te worden en ook te sterven voor de Naam van de Heere Jezus. (vgl. Handelingen 21 : 13).
Als de apostel zijn verantwoording doet voor de Joodse Raad, en voor de stadhouder, sprankelt zijn woord van de vrijheid in Christus, en deze maakt zijn banden tot bijzaak.
Begonnen met een vrijheidsbegrip dat afhankelijk schijnt te zijn van uitwendige omstandigheden, zijn wij eensklaps bepaald geworden bij een vrijheid, die zich boven banden of gevangenschap verheft. En wij noemden terloops de term , , geestelijke" vrijheid.
Berkhouwer zet boven het genoemde stuk : , , menselijke vrijheid". In gedachten passeerden wij reeds, wat wij zouden kunnen noemen , , staatkundige" vrijheid. Onmiddellijk daarbij ligt , , maatschappelijke" vrijheid.
Er ware nog meer aan toe te voegen : vrijheid van godsdienst, vrijheid van de pers, en wat verder te noemen ware als concrete voorbeelden van de genoemde vrijheidsaspecten.
Samenvattend zouden wij kunnen zeggen : de vrijheid ziet op het , , vrije" handelen van de mens, het onbelemmerde doen en laten, het zich uitleven als mens.
Wij kunnen deze uitdrukkingen echter niet laten staan zonder nader commentaar.
Waar is', dat de mens om mens te zijn, d.i. om zijn mens-zijn te verwezenlijken, vrijheid behoeft als levensvoorwaarde. En omdat dit zo is, is de mens zeer gevoelig voor alles wat hem belemmert, of wat naar zijn mening in de weg staat, hem beperkt in zijn uitingen en onderdrukt.
Deze gevoeligheid echter is tegelijkertijd openbaring van het feit, dat de mens niet waarlijk vrij is, immers dan zouden hem dergelijke gevoelens vreemd zijn, wijl hij zich overeenkomstig zijn wezen en bestemming ontplooien kon.
Ons verzet tegen al wat ons in schijn of werkelijkheid stoort in ons willen en handelen, wijst op een enorm gemis : n.l. van de zo vurig begeerde en hooggeroemde vrijheid.
En het wonderlijk-merkwaardige is. dat wij toch nog enige vrijheid ervaren, want, indien wij ganselijk van alle vrijheid ontbloot waren, zouden ons de aandrang en de aanleiding ontbreken om zelfs over de vrijheid te spreken, laat staan die te zoeken, omdat wij ze voor zo voortreffelijk houden.
Wat is ons liever dan de vrijheid ?
Het is dus met de vrijheid van ons gevallen geslacht, gelijk het is met licht en duisternis, de vrijheid wordt aan de onvrijheid ontdekt. Wat wij vrijheid noemen, is daarom niet de echte vrijheid, en wat wij gebondenheid noemen, niet de echte slavernij, waaronder wij leven.
Vrijheid en gebondenheid worden slechts gekend in een zekere betrekkelijkheid, welke saamhangt met de omstandigheden van ons aardse leven, zonder ze wezenlijk te doorgronden.
Heel erg duidelijk wordt dit in de menselijke redeneringen en beschouwingen aangaande deze dingen.
Hoe is het daarmede?
De vrijheidszucht van de mens drijft hem er toe uit, de vrijheid te willen zien als behorende tot zijn wezen.
Welnu, wat ligt dan meer voor de hand, dan dat die mens het eigenlijke, beginsel der vrijheid in zichzelf zoekt ?
En daarvoor is aanleiding, want immers in onze betrekkelijke vrijheid hebben wij zo het gevoel van te doen, wat wij willen. Wij kunnen links of rechts gaan, ja of neen zeggen, het één kiezen en het andere negeren, en wij doen, wat wij doen, vrijwillig. Ja, zelfs als wij ons hébben laten verleiden of overhalen tot iets, dat wij eigenlijk niet wilden, dan nog gaat de afkeuring, het verdriet of berouw over die handeling gepaard met zelfverwijt, omdat het besef bij ons levendig blijft, dat wij het hadden kunnen niet willen, dat het in onze macht was, toen wij er toe overgingen, anders te beslissen.
Uit deze ervaringen is het duidelijk, dat wij vrijwillig doen, wat wij doen.
Deze omstandigheid heeft aanleiding gegeven tot de steeds weer terugkerende discussie over de vrije wil.
Daaronder wil men dan verstaan, dat de mens een vrije keuze heeft tussen goed en kwaad. Dat wil dus zeggen, dat de mens zich een eigenmachtigheid, m.a.w. een zelfstandige levensbepaling toeschrijft.
Tegenover dit standpunt laat zich een andere stem horen, die volmaakt het tegendeel beweert en zegt, dat er geen sprake kan zijn van zulk een eigenmachtigheid, aangezien de wil des mensen in alle opzichten gebonden is. Men spreekt van een slaafse wil, tegenover de leer van de vrije wil.
Opgemerkt zij, dat 't ene noch het andere standpunt uitsluit, dat wij, wat wij doen, vrijwillig doen, d.i. zonder drang.
Berkouwer, over deze dingen handelend, wijst er op, dat Calvijn reeds op deze zaak heeft teruggewezen in Inst. II II, 7. „Op die manier zal men dus zeggen, dat de mens een vrije wil heeft, niet, omdat hij een vrije keuze heeft van goed evenzeer als van kwaad, maar, omdat hij kwaad doet volgens zijn wil en niet door dwang". Calvijn wil dat in die zin wel toestaan, maar, zo vraagt hij, waartoe was het goed om een zo geringe zaak met zo'n trotse titel te sieren ?
En daarna vervolgt hij: „Het inderdaad een uitnemende vrijheid, als de mens niet gedwongen wordt de zonde te dienen; maar toch is hij zulk een gewillige dienstknecht, dat zijn wil geboeid gehouden wordt met de kluisters der zonde".
Nog iets verder maakt hij de opmerkiri^g : , , Hoe weinigen echter zijn er, die, vraag ik, wanneer ze horen dat de mens een vrije wil wordt toegeschreven, het niet terstond zó opvatten, dat hij heer is over zijn verstand en wil, en zich uit zichzelf naar beide kanten kan buigen ? "
Gij ziet, dat Calvijn geen aanhanger of verdediger is van de leer van de vrije wil. Het is trouwens een punt van overeenkomst bij de drie grote Hervormers Luther, Calvijn en Zwingli. Enerzijds vindt dat zijn argument in de belijdenis van de souvereiniteit Gods. God regeert. Maar zij hebben ook een geheel andere voorstelling van de vrijheid als de filosofen, omdat zij door de Heilige Schrift willen geleerd zijn. Wij zouden kunnen zeggen de hoogste gebondenheid, n.l. de gebondenheid aan de Waarheid Gods door een levende betrekking tot de God der Waarheid, is ook de hoogste vrijheid.
Dat wordt ons dan ook in de Schrift geleerd., , Indien gijlieden in Mijn Woord blijft, zo zijt gij waarlijk Mijn discipelen en zult de waarheid verstaan en de waarheid zal u vrij maken. Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij Waarlijk vrij zijn". (Johannes 8 vs. 30 V.V.).
Vrij zijn is derhalve een de ganse mens in zijn wezen en bestemming omvattende werkelijkheid. De oorspronkelijke mens, geschapen in gerechtigheid en heiligheid, zolang hij in deze staat bleef, was vrij, omdat hij in de waarheid stond.
Daaruit volgt, dat de mens van zijn vrij-zijn beroofd werd toen hij zich overgaf aan de verleidende stem van een valse begeerte om als God te zijn en in ongehoorzaamheid viel.
Vandaar dan ook het opschrift van Calvijn boven het door ons aangehaalde hoofdstuk: , , dat de mens nu beroofd is van wilsvrijheid en aan jammerlijke dienstbaarheid onderworpen".
Wij; denken daarbij aan de tekst: Een iegelijk, die de zonde doet, is een dienstknecht der zonde. (Joh. 8 vs. 34).
Hoe vallen de beschouwingen der filosofen weg in het licht van de Schriftuurlijke leer der vrijheid.
Wat deze wilsvrijheid noemen, is in wezen niet anders dan de , , geringe" zaak, die Calvijn op het oog heeft, als hij zegt, dat wij vrijwillig doen, wat wij doen, doch aan deze vrijwilligheid wil hij de naam van vrije wil niet toekennen.
In al ons doen en laten zijn wij immers gebonden aan onze eigen geschiedenis. Geen mens begint zo eens helemaal opnieuw, toegerust met de oorspronkelijke vermogens van gerechtigheid en heiligheid. Want ook onze, geboortegeschiedenis is vervlochten met de geschiedenis van onze ouders, grootouders en voorouders.
Om deze reden al, ontkomt niemand aan de gevolgen van de val van onze eerste voorouders, zodat wij die in ons ganse leven meedragen, gelijk zij ook de innerlijke bewegingen van ons bestaan doorwoelen. Van nature zijn wij ons niet eens bewust van het verschrikkelijke daarvan, zodat wij vallen onder het reeds aangehaalde woord van de Heere Jezus Christus : Die de zonde doet, is een dienstknecht, tegenwoordig vertaalt men: gans een slaaf der zonde.
Wat wil nu de slaaf der zonde spreken van een vrije wil, alsof hij nog vrijelijk kiezen kon tussen het kwade en het goede.
Vleselijk verkocht onder de zonde, zegt een andere Schrift. (Rom. 7 vs. 14).
De mens is vrij als hij volkomen in overeenstemming met zijn wezen en bestemming leeft. Welnu, als slaaf der zonde is daarvan geen sprake en kan daarvan geen sprake zijn.
Door genade in Christus ingelijfd zijn, in de toegerekende gerechtigheid van Hem, die gezegd heeft: Ik ben de Weg en de Waarheid en het Leven, dat is vrijheid, herkregen en verheven, een vrijheid, welke hier in beginsel genoten wordt door het geloof in Hem. Iemand trachte het radicale van dit Schriftuurlijke standpunt, dat een of-of stelt, of een slaaf der zonde, of vrij in Christus, niet te verzachten door b.v. te zeggen: dat dat een religieus begrip is, of een religieus aspect van de zaak, zodat nog andere gezichtspunten mogelijk zijn.
Vooreerst is de voorgestelde vrijheid geen begrip, maar werkelijkheid ; vervolgens kan geen ander gezichtspunt wedijveren met deze werkelijkheid, om de eenvoudige reden, dat de ganse mens in al zijn wederwaardigheden en relatiën is betrokken bij deze zaak en staat onder het genoemde dilemma : vrijheid in Christus, of slavernij der zonde.
Terecht merkt Berkouwer op, dat de mens zo in de waan van het eigenmachtig liberum arbitrium (vrije wil) is gevangen, dat hij zijn ganse leven nodig heeft om aan het licht der waarachtige vrijheid te wennen, (blz. 389).
Als dat van de gelovige moet gelden, waar zal dan de ongelovige aankomen ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's