DE WIND DES GEESTES
.„Ontwaak, Noordenwind ; en kom, gij Zuidenwind! Doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien!" Hooglied 4 vs. 16a.
In het Hooglied geeft Salomo ons iets weer van de verhouding van Christus tot Zijn bruidskerk en omgekeerd. De band die hen verenigt, is de trouwe liefde van Christus, beantwoord door de wederliefde van Zijn Kerk. Deze liefde van Christus was zó groot, dat Hij Zijn heerlijkheid prijs gaf en met Zijn leven betaalde voor Zijn Bruid. Hij kocht haar met de dure prijs van Zijn bloed.
Was deze Bruid, was Zijn Kerk, dan van zichzelf zo liefelijk in Zijn oog ? Zij moet zelf erkennen : „ik ben zwartachtig". Zwart, omdat haar de zon beschenen heeft.
Het licht maakt, wat verborgen was, openbaar. Zo komt al Gods volk openbaar, krijgen zij te zien wie zij zijn. Als Gods allesontdekkend licht over ons opgaat, dan verdwijnen onze blinkende deugden en zien wij niets dan zonde en ongerechtigheid.
Wanneer daarom Christus de bekoorlijkheden van Zijn Bruid bezongen heeft, dan maakt haar dit niet ijdel en hoogmoedig, want zij weet maar al te goed, dat zij het alles aan Hem te danken heeft. Al haar sieraden zijn geschenken van haar Bruidegom. Wat hebben zij, dat zij niet van de Heere ontvangen hebben ? Daarom mogen zij alleen maar roemen in Hem!
Het is een groot verschil of Gods volk zichzelf prijst, dan wel of de Heere haar prijst. Doet zij het zelf, dan eindigt zij in zichzelf. Maar dat is een bewijs van weinig zelfkennis. Doet.de Heere het, dan eindigt zij in Hem.
De Bruid eindigt in het vers, aan de tekst voorafgaande, in aanbidding : , , 0, fontein der hoven, punt der levende wateren, die uit de Libanon vloeien".
Daarin spreekt zij de erkenning uit van ieder kind des Heeren : , , bij U, Heere, is de levensbron". Zij hebben het leven niet in zichzelf, maar leven uit Hem. Het wordt alles uit Zijn volheid ontvangen. Zelf hebben zij niets.
Dat komt zo dikwijls openbaar, wanneer zij met een oog des geloofs eerst op Hem zien en dan op zichzelf. Bij Hem de volheid, de rijkdom, bij hen niets dan armoede. .Ja, dan gaat de aanbidding van Hem over in een smeekbede voor zichzelf. Dan schrikken zij voor eigen gebrek en ontvankelijkheid en krijgen ze een begeerte om weer uit Zijn volheid bediend te worden en door Hem geholpen.
Zulk een smeekbede vertolkt de tekst. De Kerk wordt hier vergeleken bij een hof. Zij is een planting des Heeren. Deze hof heeft wind nodig; daarom wordt zelfs gesmeekt. Het gaat in het geestelijke vaak geheel anders dan in het natuurlijke. Daar zegt men: , , van de wind kun je niet leven!" Maar Gods kinderen: : , , Alléén van de wind kunnen wij maar leven !"
Wanneer er niet volop wind in de hof komt, dan kan er niets uitbotten en bloeien; dan blijft het er dor en kaal.
Want die wind, waar de Kerk om bidt en die zij zo nodig heeft, is de wind Gods. Dat is de adem, de Geest, die van God uitgaat. Het is Zijn levendmakende en steeds weer levenvemieuwende Heilige Geest.
Die Geest moet de planting des Heeren levendig houden, verder doen uitgroeien en laten bloeien. Tot vruchtdragen brengen. Want het moet alles van de Heere komen. Gods kinderen hebben het leven immers niet in zichzelf. Wie daarom genade mag kennen, zal ook gedurig hebben te smeken : , , Och, schonk Gij mij de Hulp van Uwe, Geest!" , , Laat van mij Uw Heilige Geest niet scheiden !"
Dat is kenmerk van het leven der genade. Geleerd, geleid te worden van boven. Daartoe is nodig Gods Geest. Om het Woord Gods toe te passen aan het hart. Om het uit Christus te nemen en toe te eigenen aan de ziel in een levend geloof. Dan kan men staat maken op 's Heeren woord : , , Zovelen als er door de Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods".
Gelukkig de mens, die het kennen mag door genade. Die niets heeft en niets kan, niets weet, en daarom behoefte heeft aan dat werk des Geestes.
Nu is er maar één Heilige Geest, maar deze werkt op onderscheidene wijzen.
De Noordenwind is geen aangename wind. Toch is zij ook in het geestelijke onmisbaar, al is hij niet aangenaam voor het vlees. Want wanneer de Noordenwind des Geestes gaat waaien, dan worden wij. heen en weer geschud. Dan komen wij naakt voor God te staan, daar wij alle dorre bladeren van eigen deugden verliezen. Zoals de wind in het bos alles naar beneden werpt, zo komt door Gods wind al wat bij Gods Kerk ondeugdelijk is, als waardeloos voor hun voeten te liggen.
Die Noordenwind van de H. Geest verfrist de hof door alle kwalijk riekende dampen van eigengerechtigheid weg te vagen.
Deze ontdekkende, ontblotende en zuiverende kracht van de Heilige Geest hébben wij toch zo nodig. Maar wat zijn wij er bang voor ! Wat plaatsen wij een beschermende schuttingen en wat binden wij alles stevig vast! Wat zijn wij bang voor de kastijding, voor de ontdekking door .de Wet, voor de bestraffing der zonde!
Wij willen zo gaarne wat van ons is vasthouden. Niet leven van enkel genade, alleen geloof en alleen uit Christus. Nog veel slechtheid en dorheid van eigen werken saam doen gaan met Christus' gerechtigheid.
Gelukkig de mens, die het met het zijne, ook met het vrome van hem, niet meer doen kan. Er niet het leven in vinden kan, maar juist wat het waarachtige leven in de weg staat. Wat in de weg staat om de Heere te kunnen toebrengen, waar Hij recht op heeft. Die wil er van af en die gaat vragen : , , Ontwaakt, Noordenwind."
Maar er is meer nodig. Ook de Zuidenwind. De Noordenwind zou alles doen verstijven en de groei onmogelijk maken. O ja, het kan wel eens schijnen alsof de wind altijd maar uit het Noorden blijft waaien. Alsof er aan Gods louteringen geen eind komt. Maar dan moge het tot troost van zulke verslagenen en bedrukten opgemerkt, dat God verandering zal geven.
De Heere weet zo goed wat wij nodig hebben. En Hij is geen God van uiterste hardheid als een tyran. Wie naar Hem uitziet smeekt „Kom, gij Zuidenwind", zal het ervaren. Hij brengt de wind voort uit Zijn schatkamer. Onverwachts die liefelijke Zuidenwind. Die met Zich brengt de verwarmende liefde van Christus en de milde regen van Zijn vertroostingen en beloften. Dan wordt de genade van Christus wel eens liefelijk toegepast aan het hart. Het Woord Gods en de prediking tot een voedselrijke weide, waar de ziel verwonderd gesterkt wordt. Dan wordt de met zonden be zwaarde ziel verlevendigd door de toepassing van Christus' gerechtigheid. Dan wordt Christus weer alles. En dat is weer het leven van de Kerk. Dank zij het onmisbare Geesteswerk.
Dan wordt de wildernis, tot 'n vruchtbare en geurende hof. De hoop komt weer boven de grond, het geloof maakt er weer een nieuwe scheut bij en de liefde gaat bloeien, de heiligmaking slaat haar takken nog weer breder uit en de dankbaarheid wordt openbaar in rijke vruchten.
De specerijen vloeien uit. Het wordt een verheerlijken van de Heere. Ja, nu is het een Geesteswerk. Dat daarom tot Hem weerkeert. Alles tot grootmaking van Zijn naam.
Kent ge er iets van, lezer(es) ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's