Kroniek
Een rijmpje op „de Ark" — Wel een „zitkerk en een preekkerk" — Uit het jaarboek van de Ver. van Vryz. Hervormden in Nederland — Kerkordelijk monstrum — Besluiten der P.K.V. van Z.-H. — Vragen van de heer Reijers
Meerderen onder ons zullen gehoord hébben van „de Ark". Het is de zinvolle naam van een tentoonstelling, welke deze maanden in ons land gehouden wordt, en die bedoelt ideeën en beginselen voor hedendaagse kerkbouw, in afbeelding en uitvoering, de bezoekers te laten zien.
Een motto voor die , , Ark" luidt:
„Geen zitkerk, geen praatkerk, — een bidkerk, een daadkerk".
Daar zit geen woord Frans in. De bedoeling is wel duidelijk. In 't Hervormd Weekblad , , De Gereformeerde Kerk" van 9 mei j.l. wijdt H. G. G. daaraan een artikel, dat pleit voor het rijmpje, mits in de eerste regel de beide g's worden weggelaten. , , Met andere woorden", zo zegt hij , , wel een zitkerk en preekkerk en dan ook een bid- en daadkerk". Ik citeer dit slot met instemming, evenals het besluit van 't artikel: „Ik verwacht tenminste dat hun kerken (n.l. die der nieuwe kerkbouwers) ook een preekstoel en zitplaatsen zullen hebben".
, , Geen praatkerk" dat zal in het rijmpje, gegeven de antithetische tweede regel, wel slaan op 't preken. Maar 't kan ook doelen op het verschijnsel, dat de kerkelijke wereld op de wereld rondom haar, geen uitzondering maakt op het verschijnsel van veelvuldige vergaderingen, gesprekken, conferenties, waarvan we, kennis makend met de resultaten {? ), het , , words, words" dat de Engelsen in zulk een geval plaatsen, toepassen.
Ja, er wordt in de kerk ook in deze zin veel gepraat. Helaas, niet altijd over zaken, welke urgent zijn. De discussie beweegt zich nogal eens in de periferie.
Zijn de artikelen over „Scheurkerken", waaruit we onlangs een en ander mededeelden, ook in „gesprek"? Ik weet het niet precies. Ik las wel — maar het art. in de N.R.Crt. d.d. 3-5-57 werd niet genoemd in het verslag — dat in het , , Jaarboek van de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden in Nederland" van 1957 ook deze zinsnede voorkomt: , , Ons hoofdbestuur stelt zich op het standpunt, dat de regeling van het minderhedenvraagstuk (n.l. in overgangsbepaling 235 en 238a-h) niet thuis hoort in de overgangsbepalingen, maar in de Kerkorde zelf. Het verschijnsel van de modaliteiten is geen overgangsverschijnsel, maar de modaliteiten behoren tot het wezen van een Protestantse en Christelijke Kerk".
„Quod erat demonstrandum", wat nog dient bewezen te worden, zouden we bij dit laatste willen opmerken. Doch dit terloops. Het ging hier over het feit, dat evenals de schrijver van genoemd artikel, het hoofdbestuur van de Vereniging van Vrijzinnig Hervormden in Nederland, de zienswijze is toegedaan, dat bedoelde overgangsbepaling is, wat men zou kunnen noemen: een kerkordelijk monstrum.
Intussen wordt dit , , monstrum" gehanteerd. De j.l. vergadering van de P. K. V. in Zuid-Holland, willigde een verzoek van de Confessionele Evangelisatie , , Tot de Wet en de getuigenis" in Waddinxveen, om krachtens overgangsbepaling 238 a-h., als zelfstandige gemeente erkend te worden, in. Alzo, wanneer het moderamen van de Generale Synode hieraan uitvoering geeft, een dacapo van Ede.
Ik voeg hier Nijkerk niet aan toe, omdat de Synodale beslissing in dit geval nog geen feit is.
Maar de pasgenoemde P.K.V. willigde een dito verzoek van de afdeling Slikkerveer-Bolnes van de Ver. van Vrijz. Hervormden niet in.
In de N.R. Crt., d.d. 23-5-'57, werd prompt deze vergadering , , verslagen" met de ietwat wrange opmerking van , , meten met twee maten". Het G.W. d.d. l-6-'57, een en ander eveneens weergevend, merkt op, naar aanleiding , , van het staken der stemmen" op genoemde vergadering : „en wanneer deze beslissing onherroepelijk is, blijkt weer het een en ander aan de rechtszekerheid in de Kerk te haperen". Het vervolgt dan : , , Of men zou tot de conclusie moeten komen, dat de Vrijzinnigen niet vallen binnen art. X van de Kerkorde. Dan zou daarmee een principiële uitspraak zijn gedaan". Dat laatste schijnt mij in generlei opzicht het geval te zijn. Ben ik wèl ingelicht, dan is het geval aldus. De praeses liet stemmen over de vraag of het kerkelijk gesprek met genoemde minderheidsgroepering moest worden voortgezet. Over dit punt staakten de stemmen tweemaal. Bij derde stemming was er een meerderheid voor voortzetting. De definitieve beslissing moet dus nog vallen.
Uit het voorafgaande blijkt wel, dat de zaak, waarover het in het 1ste artikel over de „Scheurgemeenten" ging, in , , gesprek" en discussie is.
Wordt over het 2de, dat verscheen in de N.R. Crt., dd. 4 mei j.l., ook gepraat? In de Kerk en daarbuiten ? Waar gaat het in dat artikel over ? De schrijver neemt daarin , , de autoriteit en positie van de Ned. Hervormde vormde Kerk in verband met de nog altijd van kracht zijnde Kon. Besluiten van 29 maart 1852 en 22 juli 1870 op de korrel. Wat dit wil betekenen, moge enigszins duidelijk worden uit het volgende.
Bij de invoering van de oude Kerkorde, het reglement van 1816, welke geschiedde door en op gezag van Koning Willem I, was de Hervormde Kerk de vrijheid ontnomen om haar eigen zaken te regelen. Zij mocht het een en ander doen, mits met toestemming van de „Kroon". In 1852 kreeg zij bij K.B. van 29 maart een betrekkelijke vrijheid, d.w.z. elf reserves beperkten de , , Synodale bevoegdheid, waarvan de Ie en de 7e betrekking hadden op de bevoegdheid van de Algemene Synode". Ze hielden n.l. in, dat geen verandering van jurisdictie of begrenzing, hetzij van kerkelijk bestuur, hetzij van kerkelijke gemeenten, zal kunnen tot stand gebracht worden zonder Koninklijke goedkeuring".
Bij Kon. Besluit van 22 juli 1870 werden deze elf reserves ingetrokken. , , Maar dit bracht niet mede", zegt de schrijver, „dat de Synode deze bevoegdheden nu naar eigen goedvinden mocht uitoefenen. Het bracht slechts mede, dat de Synode Zich te dier zake bevoegdheden kon verwerven, indien en voorzover de rechthebbenden daarmede akkoord gingen". Een en ander illustreert hij door te wijzen op wat in de zaken van het beheer geschiedde. Gemeenten, die in 1870 besloten zich niet onder , , enige commissie van beheer" te stellen, hielden —en hebben nog vandaag — , , vrij 'beheer".
Het artikel gaat dan als volgt voort: „Met betrekking tot verandering van jurisdictie of begrenzing van kerkelijke gemeentten, dat dus op de zevende reserve steunt, geldt echter precies hetzelfde.
Ook al zou de Kerkorde in engere zin bepalingen bevatten voor het vormen van scheurgemeenten, strekkende tot het onttrekken van leden aan de jurisdictie van de plaatselijke kerkeraad, dan zouden dergelijke bepalingen onverbindend zijn, omdat zij onbevoegdelijk zouden zijn uitgevaardigd. De Hervormde Synode is nu eenmaal een openbaar lichaam, van Staatswege opgericht en in stand gehouden en onbevoegd om op eigen gezag haar bevoegdheden jegens de Hervormde gemeenten uit te breiden."
Het artikel stelt ook in het licht, wijl de betrokken K. B.'s — die van 1852 en 1870 — nog nimmer zijn ingetrokken, dat de ministers van justitie en financiën, als vervangende het vroegere departement van Eredienst, voor de uitvoering verantwoordelijk zijn, deze ministers dienaangaande door leden der Staten-Generaal geïnterpelleerd kunnen worden, of wil men, dat zij hun daarover vragen kunnen stellen. In dit verband is het wel treffend in de N.R. Crt. van 31-5-'57 het volgende aan te treffen :
, , Het lid van de Eerste Kamer de heer J. Reijers (c.h.) heeft aan de ministers van justitie en van financiën de volgende vragen schriftelijk gesteld :
1. Hebben de ministers kennis genomen van de artikelen in de Nieuwe Rotterdamse Courant van 3 en 4 mei '57, getiteld : Scheurgemeenten I en II, in het bijzonder van de daarin verdedigde stelling, dat zij nog altijd verantwoordelijkheid dragen voor de uitvoering van de koninklijke besluiten van 23 maart 1852 en 22 juli 1870, waarbij het algemeen reglement voor het bestuur van de Nederlandse hervormde kerk werd herzien en gewijzigd?
2. Erkennen de ministers deze verantwoordelijkheid, en dat niet alleen formeel, doch eveneens als een levende werkelijkheid ?
3. Zo ja, hebben zij dan van die verantwoordelijkheid doen blijken, met name :
a. ten aanzien van de oproep van de generale synode betreffende Nieuw- Guinea, waartegen de regering blijkens de uitlatingen van de minister van buitenlandse zaken in de vergadering van de Eerste Kamer van 13 maart jl. (Handelingen, blz. 265) zo ernstige bezwaren koestert, als zijnde die oproep een bij uitstek politiek document, welks strekking hij niet onderschrijft, en :
b. bij de aantasting van de rechten en het gezag van bestaande kerkeraden in enkele hervormde gemeenten door benoeming daarnaast van een tweede kerkeraad, zoals uiteengezet in bovengenoemde artikelen van de Nieuwe Rotterdamse Courant ?
4. Indien de ministers geen verantwoordelijkheid (meer) erkennen, dan wel menen die niet (meer) te kunnen dragen, zijn zij dan bereid te bevorderen, dat bovengenoemde koninklijke besluiten, waarop hun verantwoordelijkheid kan geacht worden te steunen, worden ingetrokken ? "
Nu zal er dus, indien niet gepraat — hetzij: in of buiten de kerk — toch over moeten gehandeld worden in de ministeriële antwoorden op de vragen van de heer Reijers. Wellicht komt nu klaarheid over een aangelegenheid die al sedert Groen van Prinsterer de oplossing van het kerkelijk vraagstuk bepleitte, zij het vaak latent, aan de orde is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's