De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EEN BRON VAN WILLEKEUR EN ONRECHTMATIGHEID

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN BRON VAN WILLEKEUR EN ONRECHTMATIGHEID

7 minuten leestijd

Wij hebben kunnen opmerken, dat de z.g. overgangsbepaling 238 een bron is van willekeur en onrechtmatigheid. Zonder twijfel is deze overgangsbepaling krachtens haar strekking reeds in strijd met de algemene tendens der kerkorde. De symbolische handeling van dr. Gravemeyer bij de aanvaarding van de kerkorde zou anders toch ganselijk geen zin hebben gehad, omdat de Heilige Schrift zeker geen modaliteitenkerk leert, zoals de tegenwoordig heersende geest nastreeft. De Heilige Schrift zou richtsnoer zijn en niet de reglementenbundel, doch als velen onder de heersende richting de Heilige Schrift niet eens blijken te kennen, zoals het geloof der kerk dienaangaande belijdt, haar daarentegen naar eigen smaak uitleggen, als menselijk boek en tijdgebonden beschrijving nemen, is dat reeds een bron van willekeur ten aanzien van de regel des geloofs. Wat wil men nu van de verdere handhaving der kerkorde verwachten, als men zich van de binding der Heilige Schrift als Gods Woord afmaakt? Op zich zelf beschouwd is dit een revolutionaire houding, welke op geen enkele wijze gerechtvaardigd kan worden en op alle terrein doorwerkt.

Op welk recht toch kan het steunen, dat de leiding der kerk het standpunt der confessie aangaande haar meest fundamentele geloofsstuk n.l. het goddelijk gezag der Heilige Schrift, stilzwijgend negeert of in haar handelingen openlijk weerspreekt ?

Het is toch onbetwistbaar zeker, dat iedere redenering of beschouwing, welke afwijkt van dat der belijdenis het goddelijk gezag der Heilige Schrift ondermijnt en negeert, aangezien men zich daarbij niet onder haar stelt, maar haar onderwerpt aan welke normen dan ook, die de mens op haar van toepassing wil maken. Dit is een daad van willekeur, die niet verenigbaar is met de belijdenis der Christelijke Kerk.

Aan deze willekeur gaat dan ook gepaard een recht van vrije interpretatie, dat men zich aanmatigt, en waarmede men zijn standpunt aan de Schrift opdringt en haar tracht te ontdoen van hetgeen daarbij niet past.

Het ongelukkige is, dat men met mensen, die het niet met het geloof der confessie eens zijn, eigenlijk niet kan praten over het gezag des bijbels, zonder dat zij in het beste geval heen en weer zweven tussen — laat mij zeggen gevoelens van geloof — en verstandelijke redeneringen of m.a.w. hemelse en aardse dingen dooreenhalen en vermengen.

In dit alles is mogelijk nog voor zulke mensen zelf een z.g. gelukkige inconsequentie, want terwijl dat redenerende verstand hun zegt, dat het over hemelse zaken niet kan oordelen en zij de Heilige Schrift in het aardse neertrekken, gevoelen ze toch telkens iets van het mysterie der Schrift en dat zij aan dingen, die des Geestes Gods zijn, raken.

Dergelijke critische geesten zijn niet critisch genoeg en dat tot grote schade voor hen zelf en voor anderen, die naar hen luisteren, want, als zij dat wel waren, zouden zij bevrijd worden van de worsteling tussen hoofd en hart.

Of komt het niet voor, dat de man van de studeerkamergeleerdheid deze gedurende zijn kerkgang aan de kant zet om gesticht te worden onder een orthodoxe preek ?

Of dan die studeerkamergeleerdheid nutteloos is en dat volkje toch maar gelijk heeft, dat al die schoolgeleerdheid veracht, omdat de dominé van God geleerd moet zijn?

Pas op gij, die zo redeneert, want gij spreekt ook naar uw eigen oordeel en onvoorzichtig. Er is in uw opmerking enige waarheid, want het ware te wensen, dat alle domine's van God geleerd waren. Dan zou er nog bitterheid tussen Paulus en Barnabas kunnen plaatsvinden, maar wat zou er een overbodig gepraat achterwege blijven en veel meer krachtig in het Woord gearbeid worden. Thans gaat er zoveel helemaal buiten het Woord om.

Maar aan de andere kant, nog eens, wees voorzichtig in uw oordeel. Hebt gij zoveel verstand van de schoolgeleerdheid, dat gij daarover kunt en moogt oordelen ? Of dacht gij, dat al de arbeid aan het onderzoek der geleerden gegeven, zomaar vergeefs en nutteloos zou zijn, zonder vrucht voor de loop des Evangelies door de wereld ?

Daarom voorzichtig, want het gaat om de onderscheiding, waarop de apostel wijst. Immers de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn, want zij zijn hem dwaasheid en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden (1 Corinthe 2 : 14). Daarop doelden wij boven met de opmerking, dat zekere Schriftbeoordelaars niet critisch genoeg zijn, wijl zij hemelse en aardse dingen niet weten te onderscheiden.

Het ligt voor de hand, dat een dergelijke willekeur ten aanzien van de belijdenis aangaande de Heilige Schrift en haar goddelijk gezag, in alle overwegingen en handelingen van degenen, die daaraan meedoen doorwerken moet. Als ook de vrijzinnige theoloog, die zich rekenschap geeft van de belijdenis aangaande de Heilige Schrift (Art. III—VII van de Nederl. Geloofs belijdenis) tot de conclusie komt, dat hij, die het daarmee eens is, geen ernstige bezwaren kan hebben tegen wat in de overige artikelen des geloofs wordt beleden, is dat in overeenstemming met de centrale en daarom bij uitstek fundamentele betekenis van het stuk aangaande de Heilige Schrift. Dezelfde conclusie involveert ook, dat hij die zulk een gezag aan de Heilige Schrift niet kan toekennen, omdat hij klaarblijkelijk dat geloof niet heeft, dat de reformatoren, en wel in navolging van de apostelen, beleden, ook over de andere stukken der belijdenis niet uit datzelfde geloof kan spreken.

Ziedaar de bron van willekeur en onzekerheid in de leiding der kerk. Deze dwaling moet zich op de duur wreken, omdat men aan de kerkelijke saamleving en orde maatstaven wil opleggen, welke daarop niet passen. In deze weg handelt men in strijd met het wezen der Kerk en met de orde, die aan, haar openbaring krachtens dat wezen eigen is.

Dat blijkt niet alleen in de algemene strevingen en uitingen van de kerkregering, zodat de algemene tendens, welke aan de kerkorde als zodanig nog ten grondslag ligt, telkens en telkens weer doorkruist wordt door beschouwingen en handelingen, welke haar aanleiding moeten vinden in ten enenmale onschriftuurlijke ideeën omtrent het wezen en de openbaring der kerk. Ook in maatregelen als „Overgangsbepaling" 238 komt dat naar voren.

Een en ander hangt weer samen met dogmatische, of wellicht beter niet-dogmatische, leringen, die waarlijk niets te maken hebben met de gemeenschap met het geloof der vaderen, en die in sommige kringen niet maar getolereerd worden, doch als voortreffelijker worden gepredikt of stilzwijgend voorgestaan, niet zonder volkomen misplaatste en onrechtmatige onverdraagzaamheid jegens de legitiem belijdende leden der kerk.

Wat wij in de laatste maanden zien in verband met het z.g. overgangsartikel 238 is een klaar bewijs van deze onrechtmatigheid.

Deze bepaling toch is niet alleen in strijd met wat wij noemden de algemene tendens der kerkorde, maar zelfs met verschillende harer bepalingen, die rechten aan de kerkeraad toeschrijven, welke door deze toepalinigen op onbehoorlijke, om geen erger woord te gebruiken, wijze worden aangetast.

Een ander voorbeeld van willekeur, voortkomend uit hetzelfde euvel, n.l. de verloochening van de belijdenis aangaande het goddelijk gezag der Heilige Schrift, treedt aan het licht in het drijven om de vrouw toe te laten tot het ambt. Van meet af aan heeft dit drijven tegenstand ontmoet en wel in die mate, dat 't verstandig ware geweest om voor die weerstand te wijken en zelfs de uitslag van de betreffende consideraties in de classes gaf een beduidende meerderheid tegen. Men zou zo zeggen : het is genoeg, maar , , men", waar zit eigenlijk die „men", die drijft en zich ook aan zulk een uitspraak der classes niet stoort, , , men" gaat verder. En die , , men" heeft de grootste moeite om de schriftuurlijke visie op het ambt en inzonderheid op deze aangelegenheid, los te maken met behulp van argumenten, die vaak even willekeurig zijn als heel de Schriftbeschouwing, welke die , , men" er op nahoudt, zoals b.v. het argument van tijdgebondenheid.

In de grond der zaak wordt het gehele kerkelijke vraagstuk en al de ellende daarvan veroorzaakt door dit centraal doorwerkende euvel, dat men vervreemd van het waarachtig Christelijk geloof in het goddelijk gezag der Heilige Schrift naar eigen inzicht en zonder acht te geven op het Woord Gods in het huis Gods wil regeren en verkeren.

.Daarom zal er ook geen genezing zijn dan in de weg der profetische vermaning : Tot de wet en de getuigenis, zo zij niet spreken naar dat woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen heb­ben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EEN BRON VAN WILLEKEUR EN ONRECHTMATIGHEID

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's