WILHELMUS SCHORTINGHUIS
I.
Als iemand van de , , oude schrijvers" een algemene bekendheid geniet, dan Schortinghuis. Enkele jaren heeft de Vaderlandse Kerk gedreund door botsingen en publicaties, die allemaal Schortinghuis tot middelpunt hebben. We zouden, het wat modern uitdrukkend, kunnen zeggen, dat hij gedurig , , in het nieuws" was en van buiten gezien lijkt daar wel iets vleiends in te liggen. De bescheiden Schortinghuis is echter wel wijzer geweest en heeft die hevige belangstelling, die aan zijn persoon en hoofdwerk ten deel viel als verdriet ervaren.
Schortinghuis leefde van 1700 tot 1750 en werd dus niet zo oud. Zijn portret doet een fors man voor onze geest oprijzen, die zeker niet tot de lichamelijk zo zwakken heeft behoort als een man als Tjaden was! Dan ligt de conclusie voor de hand, dat kerkelijk en geestelijk verdriet zijn reserves moeten hebben verteerd. Wie voor Christus' zaak kan branden, blijft daar niet heel onder. Alle drie grote Hervormers, Luther, Zwingli en Calvijn zijn niet oud geworden. Hervormer-zijn is een zwaar werk. Schortinghuis zal er bij kunnen zeggen : Man- Van-de-Nadere-Reformatie-zijn is óók niet licht.
Dat heeft aan zijn levenstoon dan wel een sterke tempering moeten hebben gegeven. De piëtisten gelden voor zwaarmoedige mensen. Dat aanvaarden we alleen met alle voorbehoud, want uiteindelijk kennen toch juist zij de „blijdschap in den Heere". Maar hun beschouwing van geloof en leven, waarover we gedurig spraken en die ook straks nog aan de orde komt, dempt tenminste de uitbundigheid en de luidruchtigheid in de levenstoon. En mensen, die in de hoek zitten, waar vele slagen vallen, hebben wel reden ook voor de schaduwkant der dingen een open oog te hebben.
Schortinghuis. is een man uit Groningen en we moeten hem dus aansluiten bij de door ons besproken Verschuir en Tjaden, Hij was lange jaren dominee in het z.g.n. Oldambt, die landstreek, die tegenwoordig het meest voor het Communisme blijkt open te staan, wat dan toch wel grond geeft te vermoeden, dat ook 200 jaar geleden het geestelijke er minder telde dan het maatschappelijke en sociale.
Het lijkt ons dan ook niet twijfelachtig, of Schortinghuis heeft, zo goed als Verschuir, lange, zware jaren geploegd en gezaaid in die dorre, harde grond van het Oosten van Groningen. De meesterprediker Koelman, had daar iets van een opwekking zien (doen) geboren worden; Verschuir en Tjaden hebben er hard gewerkt en er vele moedeloze verzuchtingen geslaakt. Schortinghuis heeft het er niet beter gehad dan zij en we kunnen daarom goed begrijpen, ook al kunnen we het niet prijzen, dat ook hij wat op , , labadistische" paden komt, van de kerk weinig of niets verwacht, en daarom het conventikel gaat waarderen. Dat conventikel heeft dan begrijpelijkerwijze tegenover de kerk een zeer kritisch karakter, al poogt Schortinghuis wel degelijk die twee saam te houden. Als we het nogal vreemd vinden, dat dominee Schortinghuis zo leven kan in het conventikel, dat op de rand van de kerk staat, dan moeten we er billijkheidshalve wel bij zeggen, dat juist zijn felle bestrijders van die vurige , , kerk"mensen waren, wat Schortinghuis dan wel tot de conclusie heeft moeten brengen, dat kerkelijk en geestelijk toch wel erg ver uit elkaar plegen te lopen, al horen ze, zo intiem vereend te leven. Wij hebben helemaal geen lust, de lof van het conventikel-christendom op hoge en ongebroken toon te zingen. Het is er al te vaak benauwd, krampachtig en overgeestelijk geworden, zodat men naar rechts dezelfde fouten maakte, die de anderen naar links pleegden. Maar het conventikel is een onbetaalde rekening van de kerk. De kerkmensen hebben velen van de kerk vervreemd en zo naar het conventikel toe gedrongen, zo niet geranseld.
Zo is Schortinghuis er ook toenemend beland. Zijn vrienden werkten allicht niet tegen en zijn bestrijders, hielpen krachtig mee, om zich daarna te beklagen over de vrucht van hun windzaaien, d.w.z. hun storm-oogsten. Wij moeten dat betreuren. Zo kan er van een harmonische ontwikkeling van een karakteraanleg geen sprake zijn. Zo komt het tot vergroeiingen, tot een overspannen innerlijkheid, die aan het concrete mensenleven in huis, kerk, staat en maatschappij geen recht doet.
Schortinghuis is geboren in Winschoten. Al vroeg werd hij wees (vgl. Tjaden) en we vermoeden, dat dit een zekere eenzelvigheid heeft meegebracht en bevorderd, die later gebleken is. Hij studeert te Groningen, waarbij hij als leermeester o.a. heeft de merkwaardige professor Driessen, die veel innerlijke onrust en conflict naar buiten bracht in de vorm van twistgeschriften. Hij is een Coccejaan, maar één van de praktijk, d.w.z. van hen, die van Lampe wat geleerd hebben en die , , de praktijk der godzaligheid" zijn gaan waarderen. Als Schortinghuis door zijn leermeesters gevormd is, dan zeker wel heel bepaald door Driessfen.
Als 23-jarige aanvaardt dan Schortinghuis de bediening in Weener, dat is gelegen in Oost-Friesland, d.w.z. dat gedeelte van Duitsland, dat onmiddellijk aan Groningen grenst. Dat Oost-Friesland was al in de Hervormingstijd zeer belangrijk. Embden was een echte moedergemeente, die onberekenbaar veel gedaan heeft voor zovele uitgewekenen om des geloofs wille. We weten, dat het een „broeinest" was van Wederdoperij, wat ons stellig zekere bezorgdheid veroorzaakt, maar niet doet vergeten dat onder deze mensen een (overspannen) geestelijk leven werd gevonden, dat aan te velen in de kerk een slecht geweten heeft veroorzaakt. Het gaat met die Wederdopers enigszins als met de conventikels. Het zijn beiden kringen van mensen, die met volle ernst en inzet christen willen zijn. Ze zijn daarbij stellig niet volmaakt en kunnen over menige schreef gaan.
Maar toch moeten we er van zeggen, dat, al moge het , , wat zijn", wanneer deze mensen ergens hun invloed doen gelden, het óók iets is (maar dan anders) als ze geheel ontbreken ! Het is in alle geval merkwaardig, dat Schortinghuis zó thuis kon raken in zijn gemeente Weener. Hij spreekt er met grote genegenheid van, noemt het een , , Oost-Fries Sion", en laat ons weten, dat velen aldaar herboren worden.
Laten we er nog even bij vermelden, dat Schortinghuis, zomin als Tjaden, afkomstig was uit een , , piëtistische" kring. Hij moet van vrij liberale levensbeschouwing geweest zijn, maar werd in Weener door een bekering voor die zo andere gedachtenwereld gewonnen. Hij drukt het zelf zó uit, dat hij zich als een helwaardige leerde aanmerken, maar die de ontferming van Christus vond. In de gloed van die eerste liefde leeft hij dan vrij antithetisch. De boze wereld wil onderkend en ontvlucht zijn. En de levenswandel wil „precies" gevoerd zijn, dus in de trant van de „gewetensgevallen", waarover we gedurig spraken en niet bedoelen een Joods-wettische praktijk te kweken van een , , raak-niet, smaak-niet", maar integendeel het christelijk geweten wil opwekken en leren, om uit te maken wat in elk bepaald levensvoorval de wil des Heeren moet zijn.
Met dit alles gaat gepaard, dat we nu ook de „tale Kanaans" horen, die ons niet te onbekend kan zijn. Zo goed als ieder vurig pas-bekeerde is Schortinghuis in zijn gebruik van die taal niet altijd wijs geweest. Maar hij meende van zijn kant, dat op geen andere wijze Gods „dierbare waarheden" zó dicht bij het hart worden gebracht.
Ruim 10 jaar blijft hij in Weener en dan komt het beroep naar Midwolda in Groningen. We stellen voorop, dat zeker inzake het aannemen of afwijizen van een beroep ieder in zijn consciëntie ten volle behoort verzekerd te zijn, om er zo vast in te staan. Bovendien, dat het erg weinig theologisch, noch christelijk kan heten, wanneer de beroepene alleen maar een , , mooi" beroep aanneemt, om zodoende onder het kruis vandaan te blijven.We menen inderdaad, dat Schortinghuis niet de brede weg van zijn neiging ging, maar het stijle, smalle pad van Gods roeping. Hij heeft, dunkt ons, moeten en kunnen weten, hoe het in Midwolda gesteld was. Het lag niet ver van Weener af, noch van zijn geboortestreek. In Weener was hij onder geestverwanten ; in Midwolda heeft hij het als dominee wel „goed" gemaakt, maar elk ingewijde kan weten wat afgronden van slechtheid er gecamoufleerd kunnen worden met een dusgenaamde goedheid, die karakter en adel mist. We komen daarom tot de slotsom, dat niet Schortinghuis Midwolda heeft aangenomen, maar dat omgekeerd Midwolda hem op een wijze is aangebonden, die hem onmiskenbaar leek en die hem, in gehoorzaamheid, de weg van Abraham op bracht: uitgaande in geloof, niet wetend, waar hij uitkomen zou.
In Midwolda heeft Schortinghuis de 16 jaren, die hem nog waren toegemeten, gewerkt. Hij werkte allereerst in zijn gemeente, zonder daarom het oog te sluiten voor wat er buiten voorviel. Daaronder valt vooral de belangwekkende strijd, die in Friesland en eldere jarenlang is gevoerd, rondom dr. Theodoras van Thuynen en zijn boek Korte uitlegging van het gereformeerd geloof (1722). Van Thuynen is, naar het ons dunkt, geen volgeling van de wijsgeer Descartes, die zo'n groot vriend is van klare en heldere voorstellingen. Iemand, die deze man hoogstelt zal, wanneer hij over het geloof spreekt, uiteraard zeggen, dat alleen het klare, bewuste, verzekerde geloof op die naam aanspraak kan maken en alles wat gesluierd en getemperd is, daarom afwijzen. Ons dunkt, dat Van Thuynen tot die , , Cartesianen" niet hoort. Hij is helemaal geen wijsgerig type, hij lijkt ons een echte theoloog. Hij lijkt ons ook een Calvinist, daarin, dat hij met en als Calvijn sterke nadruk legt op de zekerheid des geloofs, die volgens hem geen toevoeging tot het geloof kan zijn, maar die hem aan alle geloof onafscheidelijk lijkt. Die gedachte heeft Van Thuynen in zijn boekje dapper, hoewel eenzijdig, verdedigd. Wat hij o.i. minder goed begrepen is, moet zijn, dat ook Calvijn deze zekerheid van het geloof toch weer getemperd ziet, omdat de gelovende mens het wel gewaar moet worden, hoezeer hij een schat .heeft ontvangen in een aarden vat. Dat heeft Calvijn samen verstaan, maar de 18e eeuwse Van Thuynen is stoerder, optimistischer, dan zijn 16e eeuwse meester.
We kunnen gemakkelijk verstaan, hoe Schortinghuis met dit boekje en zijn auteur van mening verschilde. We noemden hem immers een piëtist en willen die naam dan nu zó omschrijven als een mens, die oog en hart heeft voor die grote, gave schat des geloofs, maar evenzeer voor al de barsten, oneffenheden, lekken van dat, , aarden vat", dat de christen-mens is. Daaruit volgt, dat een piëtist die zekerheid van het geloof minder eenvoudig ziet dan Van Thuynen deed. In zijn werken spreekt Schortinghuis wel van , , Geoefende", dus van de rijpe christen, maar in de levenspraktijk heeft hij daar bescheiden verwachtingen van gehad en daarbij niet weinig aan zichzelf gedacht.
We leggen hier de vinger bij een zéér teer punt, juist ook onder ons. Lampe zegt ergens, dat reeds sinds Gomarus geloof en geloofszekerheid zijn gescheiden, zodat men veel liever spreekt van een „toevlucht nemen tot Christus", dan van een gefundeerd en verzekerd geloof. Voor ons is het een levensvraag: Dat deed „men". Wie is , , men" ? Heeft die , , men" hierin gelijk of ongelijk? Is zekerheid een extra genadegave aan maar enkelen, of aan alles wat geloof mag heten^ onafscheidelijk eigen ? Deze vraag is onder ons, naar het ons dunkt, te weinig onder het oog gezien. Dr. Woelderink heeft het wel gedaan (dr. Kuyper en prof. van Leeuwen vóór hem), maar heeft onze mensen niet kunnen meekrijgen. Maar de betreffende zaak is daarmee allerminst opgelost. Het is een van dé pijnlijkste en meest kwetsbare punten onder ons, dat juist zij, die aan de bevinding een volle, bijbelse plaats willen geven, altijd weer voor geloof en geloofszekerheid zo schuw blijken te zijn.
We achten ons er van ontheven, hierover te dezer plaatse breder en dieper in te gaan. hoewel de zaak het waard is. Een van onze mensen is bezig, deze zaak te bestuderen, in de hoop, hier waarheid en schijn te schiften. We wachten met spanning op de uitslag van dat onderzoek, dat intussen nog wel even op zich zal laten wachten!
v. d. L.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's