DE DORDTSE LEERREGELS
„de oorzaak van deze genadige verkiezing is eniglijk het welbehagen Gods, niet daarin bestaande, dat Hij enige hoedanigheden of werken der mensen, uit alle mogelijke voorwaarden, tot een voorwaarde der zaligheid heeft uitgekozen ; maar hierin, dat Hij enige bepaalde personen, uit de gemene menigte der zondaren, zich tot een eigendom heeft aangenomen. Gelijk geschreven is : Als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden enz. werd tot haar (namelijk Rebecca) gezegd : De meerdere zal de mindere dienen ; gelijk geschreven is : Jacob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat. (Rom. 9 : 11, 12, 13). En : „Er geloofden zovelen als er geordineerd waren tot het eeuwige leven".
HOOFDSTUK I. ART. X
Het zal de lezers van deze artikelenreeks wel al duidelijk zijn geworden dat de Remonstranten en Contra-Remonstranten beide het woord verkiezing gebruikten. Maar zoals dat tegenwoordig ook wel gebeurt, verstonden beide partijen iets anders onder dat woord. De Remonstranten meenden, dat God hoedanigheden of werken van de mensen had uitverkoren. Volgens hen was het besluit Gods , , dat God besloten had hen te redden en zalig te maken die door de genade van de Heilige Geest in Jezus geloven en in gehoorzaamheid daarin volharden zouden". De genade is dan bedoeld als helpende genade. Verkiezen wordt dan zoals men dat tegenwoordig ook wel wil, wat men noemt een eschatologisch begrip. Aan het begin der wereld zijn er geen verkorenen, maar aan het einde der wereld zullen zij er zijn. Dan zal God de gelovigen verkiezen. Op deze wijze probeert men dezelfde woorden te gebruiken als Schrift en Belijdenis en toch zijn eigen meningen vast te houden.
Hiertegenover staat de Gereformeerde belijdenis, zoals deze is beschreven in artikel X. De verkiezing is, dat God enige bepaalde personen uit de gemene menigte der zondaren zich tot een eigendom heeft aangenomen. Het geweldige is, dat God nog één mens heeft willen aannemen uit die vuile, goddeloze, machteloze, zondelievende en eigenlievende, Hem tergende mensheid. Want de Heere heeft ze aangenomen voordat zij geloofden, bekeerd waren, wedergeboren waren. Daar was niets goeds in de mensen, die Hij verkoos en uit welke Hij verkoos. Toch heeft de Almachtige er velen uitverkoren : een schare, die niemand tellen kan. Wij hebben in het voorbeeld van Jacob en Ezau gezien, dat God deze verkiezing bekend maakte, voordat de betrokkenen waren geboren of iets goeds of kwaads gedaan hadden. Het is dus een aannemen tot Zijn eigendom op grond van Gods welbehagen. Daar was geen onderscheid in de twee zonen van Izaak. God maakte onderscheid, daar het niet was.
Nu hielden we de vorige keer de vraag over of dat spreken Gods voordat de kinderen waren geboren rustte op een voornemen, dat reeds lang in God was ? Wanneer heeft God Zijn volk tot een eigendom aangenomen ?
Artikel 10 haalt Hand. 13 : 48 aan. Wie kwamen daar in Antiochië tot het geloof? Die geordineerd waren tot het eeuwige leven. Prof. J van Dijk heeft destijds geschreven, dat geordineerd aan niets anders wil doen denken dan aan de zedelijke toestand des harten bij de heidenen. Hij legt de tekst zo uit : , , Er geloofden er zovelen als er verordend, geschikt, toebereid waren of zich in orde gesteld, toebereid, geschikt hadden om het eeuwige leven op dat ogenblik te ontvangen".
Als ik zulke dingen lees bevangt mij een grote twijfel aan alle geleerdheid. Het komt mij voor dat vooral geleerden, die zo graag spreken van een historischkritische exegese des bijbels weinig anders doen dan hun eigen mening in de tekst leggen, welke mening vaak verband houdt met een afkeer van bepaalde artikelen der gereformeerde belijdenis. Wat staat er in de tekst? Dat er heidenen waren die, geloofden. Doch niet allen geloofden. Daarover maakt de Heilige Geest door Lucas een opmerking, die zeer ongewoon is en aan dit vers het karakter geeft van een algemene verklaring. Wie geloofden er?
Volgens prof. van Dijk : die zich geschikt hadden tot het eeuwige leven. Wat zou men daarvoor moeten doen om zich toe te bereiden tot het eeuwige leven ? De Schrift zegt: , , Wie in de Zoon gelooft heeft het eeuwige leven". Volgens bovenstaande verklaring waren sommige heidenen reeds voor het eeuwige leven toebereid, voordat zij geloofden. Waarvoor hadden zij dan nog het geloof nodig ? Zonder dat geloof waren zij er ook reeds voor geordend. toebereid, geschikt. In Joh. 6 : 27 staat, dat het eeuwige leven een gave van God is. Wordt dat misschien gegeven aan hen, die er zich voor toebereid hebben ? Dan blijft weer de vraag over : Waar is dan het geloof in Christus voor dienende? Men heeft zich zelf al voor het eeuwige leven bereid. Het komt mij voor, dat Calvijn dichter bij de waarheid is als hij opmerkt, dat er niet gesproken wordt van verordend tot het geloof, maar tot het leven en dat daarom de praedestinatie moet zijn bedoeld. Dr. H. H. Wendt merkte dit op over de besproken woorden: , , Het komen tot het geloof wordt teruggeleid op de voorbestemming Gods tot de zaligheid, om de staat des heils als een staat van genade te kenmerken". Verg. Rom. 8 : 28 V.V., Efeze 1 : 4 v.v. 11, 1 Petr. 1 : 1 v.v.
Volgens prof. Wendt, die geen aanhanger van de Geref. leer der verkiezing is, geloven er dus zovelen uit de heidenen als God daartoe tevoren bepaald heeft. Dat is een diepe gedachte. God heeft bepaald, dat zij zalig zullen worden en het eeuwige leven ontvangen. Zij komen tot het geloof, van wie God tevoren bepaald heeft, dat zij het eeuwige leven zullen krijgen. Hier beslist toch helemaal het welbehagen Gods. Of deze mannen uit de heidenen tot het geloof komen, hangt af van de verordinering Gods. Dat de Joden niet tot het geloof komen wordt in vers 46 afgeleid daarvan, dat zij het van zich afstoten en zich het eeuwige leven niet waardig keuren. De oorzaak van het ongeloof der Joden ligt dus bij de Joden, de oorzaak van het geloof der heidenen ligt bij God. Wanneer echter de Joden wel tot het geloof komen, aldus Wendt, zo ligt daar de oorzaak van bij God. Hij haalt als voorbeelden aan Hand. 2:39 en 17 : 4. In Hand. 2 : 39 wordt gesproken van : , .Zovelen als er de Heere onze God toe roepen zal". De zaligheid hangt af voor Joden en heidenen aan het krachtdadig roepen Gods.
Grosheide merkt op: , , Niet het horen tot het volk Gods, zelfs niet de bekering, maar het roepen Gods wordt het beslissende genoemd, Hand. 13 : 48 j Rom. 9:16. In het laatste vers staat geschreven : , , Zo is het dan niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods".
Wat staat er nu in Hand. 17 : 4 aangaande de oorzaak des geloofs ? , , En sommigen uit hen geloofden en werden Paulus en Silas toegevoegd". Letterlijk staat er: En sommigen uit hen werden overreed en werden toegevoegd. Er staat niet, dat Paulus hen overreedde. Men denke hier liever aan het voorafgaande hoofdstuk Hand. 16 : 14 : „De Heere opende het hart van Lydia". Als iemand tot het geloof komt is dat uit God. Voor deze tekst is het ook goed te denken aan Hand. 2: 47 : „En de Heere deed dagelijks tot de gemeente, die zalig werden". Dat het geloof een gave Gods is en dat de Heere tot de zaligheid door het geloof verordineert, is nu wel duidelijk. Maar heeft God van deze zaligheid iets vastgesteld vóór de schepping der wereld? Dit verordineren uit Hand. 13 : 48 vertelt de Heilige Schrift ons daar meer van ? In Hand. 8 lezen we van een tevoren kennen en tevoren verordineren. Op zichzelf zit in tevoren nog niet, dat vóór de schepping al deze dingen bepaald zijn. Maar als Efeze 1 : 4 spreekt van uitverkoren vóór de grondlegging der wereld dan is het duidelijk genoeg in welke „tijd" ons dat tevoren verordineren verplaatst. In het grote Woordenboek genoemd naar G. Kittel wordt gezegd : „Daar God eeuwig is en alles voor de tijd bepaald heeft is „te voren verordineren" een versterkt „ordineren". De kinderen Gods zijn tevoren gekend. Zij zijn gekend van vóór de grondlegging der wereld. Nog eens K. L. Schmidt in Kittel: „De alles wetende God heeft alles te voren bepaald".
Daar blijft geen twijfel over, dat God vóór de schepping der wereld alles van de geschiedenis des heils en van de personen die zalig zouden worden bepaald heeft. In 1 Cor. 2 : 7 lezen we: „Maar wij spreken de wijsheid Gods, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God tevoren verordend heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was". God de Heere heeft een wijs plan gemaakt, niemand heeft dat ooit geweten om in Christus zalig te maken, die Hij van eeuwigheid daartoe heeft bestemd. Daarom kan er in Hand. 4 : 27, 28 staan : , , Want in de waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig kind Jezus, welke Gij gezalfd hebt, beiden Herodes en Pontius Pilatus met de heidenen en de volken Israels ; om te doen al wat Uw hand en Uw raad tevoren bepaald had, dat geschieden zou". Dat is reeds bepaald volgens 1 Cor. 2 : 7 éér de wereld was. Dat de zaligheid in Christus zou zijn, is voor de grondlegging der wereld bepaald en alles wat zich schuldig heeft gemaakt aan de verwerping en kruisiging van de Christus heeft toch alleen maar gedaan, wat Gods hand en Gods raad bepaald had eer de wereld was. Dat van Christus is in de tijd geopenbaard.
Wie aan de heerlijkheid van Christus deel zouden hebben is ook bepaald. Dat staat in Efeze 1:5: „Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen door Jezus Christus, in zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil". Deze verordinering is geschied vóór de grondlegging der wereld blijkens vers 4. Maar welke personen door de prediking zouden worden gebracht tot het geloof, welke daartoe verordineerd waren, is niet geopenbaard. Dat zal bijl de wederkomst van Christus geopenbaard worden. Van al de gelovigen echter geldt wat de H. Geest door Paulus ons heeft doen beschrijven met de woorden : , , In Hem, in welken wij ook een erfdeel geworden zijn. wij, die tevoren verordineerd waren naar het voornemen desgenen, die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil". (Efeze 1 : 11). Zo langzamerhand is het ons wel duidelijk geworden, dat God Zich een volk ten eigendom heeft aangenomen niet alleen vóór de geboorte van dat volk, maar ook : , , vóór de grondlegging der wereld", , , eer de wereld was". Voordat God in de tijd begon te handelen was er een voornemen. De Schrift spreekt van een voorkennis, dat meer is dan blote kennis, en van een voorverordinering, eer de wereld was. Dit bovenstaande was zo maar een enkele tekst uit de vele, die allen wijzen naar een werkelijkheid, waaraan dan K. L. Schmidt uitdrukking gaf met de woorden : Daar God eeuwig is en alles vooi de tijd bepaald heeit. De beslissing aangaande de zaligheid der mensen rust in alle delen bij God. Maar nooit komt iemand tot de zaligheid of hij is gebracht tot een keuze, tot een willen en werken, tot een beslissing. Dit tweede neemt echter het eerste niet weg.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juli 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juli 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's