DE KONINKLIJKE BESLUITEN
Reeds hebben wij elders vermeld, dat de N. R. Crt. onlangs een paar artikelen publiceerde aangaande de „Overgangsbepaling" 238 als in strijd met de kerkorde in eigenlijke zin en aangaande de „Koninklijke Besluiten", waarbij de Nederlandse Hervormde Kerk werd ingesteld en aangaande de wijzigingen daarvan.
Ook hebben de dagbladen medegedeeld, dat naar aanleiding van deze artikelen in de Eerste Kamer vragen werden gesteld aan de Ministers van Justitie en Financiën.
Het schijnt nu, dat , , de Hervormde Kerk", weekblad voor Hervormd Nederland, zich ongerust maakt over die vragen !
Ds. T. H. L. vindt het om te beginnen „vreemde vragen" en meent, dat hij „ter geruststelling" van de lezers enige punten naar voren moet brengen, die wij overnemen uit het nummer van 29 juni 1957.
Wij willen het volgende vaststellen :
1. Het is een oud geschilpunt tussen de deskundigen op het gebied van het staatsrecht of Willem I het recht had de Hervormde Kerk een eenheid van organisatie te geven. Men wijst in dit verband wel op art. 139 van de grondwet van 1814, waarin de koning het recht kreeg van inzage en beschikking omtrent de inrichting van de gezindheden, die enige betaling uit 's lands kas genoten. De grondwet van 1815 bevatte zulk en bepaling niet, maar toen waren alle voorbereidende werkzaamheden reeds gereed. Maar, hoe dit ook zij, „de kerk zelf heeft haar eigen wil doen blijken door het reglement van 1816 aan te nemen en na te leven, waardoor dit wettig geldend recht is geworden". (Reitsma—Lindeboom : Geschiedenis van de hervorming en van de Ned. Herv. Kerk, blz. 452).
2. Belangrijker echter dan dit omstrijdbare en omstreden punt is het feit, dat alle volgende koninklijke besluiten, die op deze zaak betrekking hadden, de bedoeling hadden de band tussen kerk en staat losser te maken. Had de staat in 1852 nog elf reserves gemaakt te dien aanzien, bij koninklijk besluit van 1870 werden deze reserves ingetrokken. Daarmede werd de scheiding van kerk en staat voltooid en kreeg de kerk volkomen zelfstandigheid op eigen gebied.
3. De Ned. Herv. Kerk heeft van die zelfstandigheid gebruik gemaakt door in 1945 additionele artikelen bij haar algemeene reglement te voegen, die het haar mogelijk maakten de invoering van een kerkorde voor te bereiden. Op 1 mei 1951 werd deze kerkorde geheel in overeenstemming met de toegevoegde artikelen ingevoerd. En daarmede waren ook de laatste sporen van de „synodale organisatie" van de vorige eeuw uitgewist. We mogen het betreuren dat enkele leden van de Ned. Herv. Kerk haar een proces aandeden, waarin de wettigheid van de invoering van deze kerkorde werd betwist. Een lichtzijde van deze droevige zaak is, dat daardoor ook voor de burgerlijke rechter deze wettigheid zonneklaar kon blijken.
4. Ten overvloede : de Overheid draagt dus geen enkele verantwoordelijkheid voor het beleid en de beslissingen van de meerdere vergaderingen van de Ned. Hervormde Kerk.
De Ned. Herv. Kerk heeft in deze vergaderingen volkomen het recht naar eigen inzicht orde op eigen zaken te stellen, naar de orde die zij voor zichzelf op ordelijke wijize vastgesteld heeft.
Wij mengen ons niet in dit geding en wachten maar af. Alleen een paar vragen, die bij ons opkomen. Ds. L. stelt in punt 4 vast, dat de Overheid geen enkele verantwoordelijkheid voor het beleid en de beslissingen van de meerdere vergaderingen van de Ned. Hervormde Kerk draagt.
Wij laten dat in het midden. Ds, L. gaat niet op de „staats- en kerkrechtelijke kwesties, die in het geding zijn" in. Wij óok niet. Maar blijkens deze zinsnede zijn er dan toch volgens ds. L. „staats- en kerkrechterlijke kwesties in het geding". En als hij , nu vaststelt, dat de Overheid geen verantwoordelijkheid enz. draagt, lijkt ons de vraag gewettigd, of juist die verantwoordelijkheid ook niet een kwestie in het geding is.
Daarom is het zo jammer, dat hij er niet op ingaat.
Een andere vraag. Met een beroep op Reitsma—Lindeboom, zegt ds. L. : Hoe dit ook zij : , , de kerk zelf heeft haar eigen wil doen blijken door het reglement van 1816 aan te nemen en na te leven, waardoor dat wettig geldend recht is geworden".
Wij laten dit ook al weer voor wat het is en praten niet over de invoering of over protest. Laat het zo zijn als ds. L. zegt. Dan komen wij toch weer met een vraag : „De kerk in deze zinsnede, wat moeten wij ons daarbij voorstellen^? De kerk, zijn dat de plaatselijke kerken van de , , zeven geünieerde Provinciën, , zoals ze onder de Dordtse Kerkorde bestonden ? Of is dat het eenheidsinstituut van 1816 ?
In het laatste geval kan er weinig sprake van vrijwilligheid zijn.
Maar daarom ook komt weer een andere vraag op, n.l. of het eenheidsinstituut nog niet altijd voor rekening van de Overheid ligt, en of er nog niet een rechtsvraag ligt ten aanzien van de plaatselijke kerken, 't Is maar éen vraag, maar die vraag ligt er toch. En zo niet, indien de Overheid generlei verantwoordelijkheid meer heeft voor het doen en laten van het instituut, zoals toch eigenlijk wordt beweerd door ds, L., waar zijn dan de rechten der oude plaatselijke kerken onder de republiek ?
En, waarom, heeft het, zelfstandige instituut „Hervormde Kerk", om in de stijl van ds. L. te spreken, die rechten niet hersteld, alhans allereerst tot een punt van discussie gemaakt?
Waarom is het niet teruggekeerd tot de Dordtse Kerkorde? Dat zou toch redelijk geweest zijn.
Ds. L. beweert, dat met de invoering van de Kerkorde op 1 mei 1951 de laatste sporen van de , , synodale organisatie" zijn uitgewist.
Is dat zo ?
Waar komt dan het eenheidsinstituut Ned. Herv. Kerk vandaan?
De lidmaten waren vóór 1816 leden van de plaatselijke kerken. In 1834 verkeerde men b.v. te Ulrum in de onderstelling, dat het toen nog zo was. Men kwam echter tot de ontdekking, dat de Overheid er anders over dacht. Er was in 1816 wat gebeurd, waarbij alle lidmaten betrokken waren, want met de invoering van de nieuwe organisatie, waren alle leden der plaatselijke kerken, leden van het eenheidsinsituut geworden.
Men kon als plaatselijke kerk niet met al zijn hebben en houden uit het verband der kerken trekken, zoals vroeger onder de Dordtse Kerkorde mogelijk zou zijn geweest. Een gedachte, welke op de zelfstandigheid der plaatselijke kerken is gegrond. Men kon alleen zijn lidmaatschap van het instituut Ned, Hervormde Kerk opzeggen.
En als het nu waar is, wat ds. L. beweert, dat de kerk naar eigen wil het reglement van 1816 heeft aangenomen en de kerk haar volkomen zelfstandigheid op eigen gebied heeft, dan is er toch altijd iets niet in orde. Men kan niet zeggen, dat de , , kerken", n.l. de plaatselijke, naar eigen wil het reglement van 1816 hebben aangenomen. Indien het zo werd gesteld, zouden de plaatselijke kerken zich ook even vrijwillig aan het eenheidsinstituut kunnen onttrekken.'';
En nu zij tegen haar zin in het „eenheidsinstituut" zijn gezet?
Hier hapert toch wat ? En dat is waarlijk geen kleine zaak en. .. . onmiskenbaar een spoor van de organisatie van 1816, en wel een hoofdspoor.
Voelt ds. L. zich zó thuis in het eenheidsinstituut, dat hij dit niet eens ziet ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's