WILHELMUS SCHORTINGHUIS
II
Het is dan deze Schortinghuis, wiens beeld we in enkele trekken weergaven, die in 1740 het boek uitgeeft, dat hem in het schrijven licht wel voldoening gegeven heeft, maar dat hem na de uitgave zo veel te stellen heeft gegeven. De volledige titel luidt: Het innige Christendom tot overtuiginge van onbegenadigde, bestieringe én opwekkinge van begenadigde zielen in deszelfs allerinnigste en wezentlikste deelen gestaltelik en bevindelik voorgestelt in 't samenspraken.
Er zijn in de Vaderlandse Kerk enkele boeken verschenen, die veel stof hebben doen opwaaien. Zo het boek van Balthazar Bekker De betoverde werelt, waarin hij te velde trekt tegen duivels, geesten en spoken. Het boekje van dr. van Thuynen over het geloof noemden we de vorige maal al. Vroeger of later zullen we nog wel eens hebben te berichten omtrent J. Eswijler's Zielseenzame meditatiën, dat ook alweer zoveler misnoegen wekte. We menen echter te kunnen zeggen, dat Schortinghuis nog veel meer dan de genoemden de , , razernij der theologen" heeft moeten verduren. Mogelijk heeft zijn martelaarschap z'n boek wel vele lezers doen vinden en haast wel zeker zou het, zonder die nasleep, even weinig sensatie hebben verwekt als Verschuir's Bevindelijke Godgeleerdheid. Maar moge de uitgever van het werk dan wel goede zaken hebben gemaakt, de auteur had het er kwaad mee.
De moeilijkheden begonnen al vóór de uitgave. Het was voorschrift, dat geen theologisch boek verschijnen mocht zonder de goedkeuring (approbatie) van de Classis, waarin de auteur woonde. Menigmaal werd dit onderzoek gesteund door een theologische faculteit. Dat gebeurde ook in Schortinghuis' geval en begrijpelijker wijze was het de Groningse theologische faculteit, die er in betrokken raakte. Merkwaardig is het oordeel der Groningse professoren. Ze waren eigenlijk allemaal geestverwanten van Schortinghuis. De professoren Gerdes en Driessen behoren tot de „ernstige Coccejanen", die dus 'begrip hebben voor de „practijk der godzaligheid" en de mystiek. Prof. van Velzen is een Voetiaan en daarom nog des te meer geschikt, om Schortinghuis' bedoelingen te waarderen. Toch heeft de faculteit bedenkingen. Ze verklaart het boek voor orthodox, , , latende echter sommige expression voor rekening van de auteur".
Dat zou een nietszeggende algemeenheid zijn, wanneer dat niet werd uitgewerkt, maar dat hebben de heren wel degelijk gedaan. Hun bezwaren betreffen uiteindelijk Schortinghuis' mystiek, d.w.z. zijn beschouwing van de verhouding van God en mens. Op Gereformeerd terrein wordt die verhouding sterk bepaald door de beschouwing van de Schepping, waardoor het God behaagde, de mens als verantwoordelijk wezen te stellen. Daarmee krijgt de mens niet zo'n zelfstandigheid, dat hij op eigen benen kan staan, zoals de vrijzinnige remonstrantse ontwikkeling dat wilde. Maar als men de geschapen mens zonder meer voor niets verklaart, doet men aan Gods scheppingsbedoeling stellig geen recht.
En naar de smaak der Groningse professoren, deed Schortinghuis dat niet, Volgens hen verklaart hij de mens (de gevallen mens !) te makkelijk voor een niets en een schaduw, waardoor de schuld van onmacht en ongeloof onmogelijk serieus kan worden genomen. Dat zullen we, als we Schortinghuis lezen, dan ook wel moeten beamen. De zonde heeft bij hem veel meer het karakter van het verfoeilijke, het lelijke, dan het schuldige. Natuurlijk ontkent hij dat laatste niet, maar hij zegt het evenmin met voldoende klem. Dat komt uit zijn mystieke beschouwing der dingen voort: God en mens, die in de gereformeerde sfeer in een verhouding vol spanning staan, zijn bij hem zeer van elkaar losgemaakt, waardoor de spanning is gebroken en de lijdelijkheid aan de dag is getreden.
Schortinghuis herhaalt het goed-gereformeerde: God alles en de mens niets op een wijze, die toch tot andere uitkomsten leidt, omdat het schuldkarakter van zonde en ongeloof, onbedoeld, gekleineerd worden.
De faculteit had ook bezwaar tegen de scherpe tegenstelling, die Schortinghuis maakt tussen letterkennis en bevindelijke kennis. Daardoor wordt, zo vrezen ze, de betekenis van het Woord, dus van Wet en Evangelie, als openbaring God, juist aan die mens, die , , niets" is, miskend. Schortinghuis heeft kunnen antwoorden, ook aan latere bestrijders, dat hij aan de betekenis van het Woord als , , genademiddel' allerminst wil te kort doen, dus ook elk en ieder, die begeert in Gods Koninkrijk in te gaan, naar , , de weg der middelen" verwijst, en daarom ook prediking, catechisatie, zielszorg enz. hoog waardeert. Maar, zo kan hij niet nalaten telkens weer te verzekeren : het gaat om Woord en Geest, om leer en leven en wat God hier samenvoegde, dat scheidde de mens niet.
We laten het bij deze meest sprekende opmerkingen van de faculteit. Ze heeft o.i. Schortinghuis uiteindelijk wel goed begrepen en niet onwelwillend behandeld. Ze heeft vermoedelijk minder dan hij begrepen, hoe hij in een eeuw van parmantigheid, die met de menselijke persoonlijkheid hoog wegloopt, een heilzaam tegengewicht aanbracht met zijn verzekeren, dat deze parmantige mens toch maar niets is.
Schortinghuis is een reactie op een bepaalde actie. Dat is zijn waarde en betekenis en we mochten wensen, dat meerderen , , de geest der eeuw" hadden onderkend en bestreden als hij. Helaas is hij, zoals elk, die een reactie uitvoert, zeer eenzijdig en krampachtig, waardoor hij orthodoxe bedoelingen en waarheden in bewoordingen kleedt, die niet rechtstreeks uit Schrift en belijdenis zijn genomen en daarom terecht bedenking wekken.
We gaan voorbij aan verdere strubbelingen, die de auteur met faculteit en classis had te doorworstelen en merken op, dat het boek ook doordat alles een zekere vermaardheid verkreeg, al zeggen de tegenstanders, dat het eerder beruchtheid verdient te heten.
Eer we van de verdere strijd, die het opriep, iets verhalen, moeten we 't boek wat nader bezien. Het is een forse kwartijn van ruim 650 bladzijden. Het kiest de letterkundige vorm van de samenspraak, die we al menigmaal ontmoetten. Het zijn er een 25-tal en de personen, die er in samenspreken, zijn Geoefende, Begenadigde, Kleingelovige en Onbegenadigde. We denken even aan de personen, die Verschuir sprekend invoert en merken veel overeenstemming en enig verschil op. Als we alleen al op deze 4 personen letten, dan begrijpen we meteen, dat Schortinghuis tot de , , onderscheidenlijk"-prekenden behoort. Hij lijkt meer oog te hebben voor wat de gelovigen, in hun verschillende graad van rijpheid onderscheidt dan wat hen verbindt. Hij blijkt minstens drie soorten gelovigen te onderkennen: de kleingelovige, de begenadigde, de geoefende, van welke laatste hij nog niet eens zegt, dat die ook een verzekerde is, In de practijk is deze onderscheiding nog veel verder doorgevoerd en we hebben niet te veel moeite, om te verstaan, dat deze zeer onderscheidende methode zich moeilijk verdraagt met een even sterke nadruk op het genadeverbond, dat uiteindelijk de dragende grond is van al de gelovigen, groot en klein. Tegenover Verschuir betekent Schortinghuis een grote stap terug, waar het betreft de erkenning van het genadeverbond. We moeten wel opperen, dat een zeer mystieke opvatting van de mens zich blijkbaar met een (gezonde) verbondsbeschouwing moeilijk verdraagt. Denk maar even terug aan De Labadie en Van Lodenstein en merk dan tevens op, dat Lampe hier de uitzondering lijkt, die de regel bevestigt. Comrie en Holtius betekenen een teruggrijpen op de gereformeerde verbondsbeschouwing, zoals Schortinghuis dat niet meer kent, maar Van der Groe, met wien wij straks onze reeks schetsen van mannen van de Nadere Reformatie {voorlopig) denken te besluiten, heeft die lijn van Comrie-Holtius niet doorgetrokken, hoewel hij met hen de Schotse theologen, vooral de Erskines, waardeerde, die o.i. op een verkwikkende, ongeëvenaarde wijze verbond, verkiezing en bevinding verbinden. Pas in de Afscheiding zal dat aspect weer bovenkomen, zonder dat het echter — helaas — in de hervormd gereformeerde kring op gewenste wijze tot gelding komt.
We vergeleken zoeven Schortinghuis en Van Lodenstein. De overeenstemming is frappant en stellig is Schortinghuis op beslissende wijze door zijn geestverwant beïnvloed. Het doet sterk denken aan het Lodensteinse pessimisme, dat heel licht tot Labadisme wordt, als Schortinghuis verzekert, dat de meeste gereformeerden geen bevinding hebben, maar vijanden zijn van de vrije genade en liefhebbers van zorgeloosheid.
Begrijpelijk, dat wie zo de kerk ziet, het er alleen uithouden kan, als hij er het conventikel als', , Kerk in de Kerk" mee kan verbinden.
Intussen moet ons van het hart, dat een zo hard, algemeen oordeel, als hierboven wordt geveld over velen, die Schortinghuis nooit sprak of hoorde, onze instemming allerminst kan hebben. Het doet hinderlijk denken aan het liefdeloze, hoogmoedige oordeel van sommigen in onze dagen, waarvan, naar we vrezen, er ook wel onder óns huizen, dat inhoudt, dat er in heel Nederland een ontstellend klein aantal bekeerde dominees zou zijn, misschien 10 of daaromtrent. Men zou toch verwachten dat men, eer men Sodom aan het verderf uitleverde, als Abraham om het behoud ervan zou hebben geworsteld. Men zou ook, bij een zo ontzachlijk diepgrijpende zaak, verwachten, dat deze harde keurmeesters dan toch wel stad en land hadden afgereisd, predikant na predikant hadden betuigd en gesmeekt, zich dan toch om die zo nodige bekering te bekomimeren. Daarvan is ons nooit iets gebleken. En tenslotte zal men in een zo hopeloze situatie ook zelf niet zijn heel gebleven, maar inplaats van een liefdeloos ongefundeerd oordeel vanuit vermeende hoogte alleen kunnen komen tot de ootmoed van Jeremia : Och dat mijn hoofd water ware, om te bewenen de breuk van de dochter van mijn volk!
Het doet ons leed, Schortinghuis aan te treffen in een hem onwaardig gezelschap. We kunnen dan ook niet verzwijgen, dat hij daarvoor geboet heeft en slagen heeft opgelopen, die. eigenlijk bestemd waren voor lieden, die een veel harder aard betonen dan hij,
We miskennen nu allerminst, dat de bedoeling die Schortinghuis met zijn felle (te harde) critiek heeft, wel juist mag heten. Hij wil alle hoogheid vernederen en al wat leeft doen wegsmelten voor Gods hoge majesteit. Maar dacht hij dan werkelijk, dat dat bereikt zou worden door harde, algemene en ongefundeerde critiek op anderen ?
Misschen zou hij, ware hij nog in leven, antwoorden dat we hem onrecht doen. Want een tegenpool van deze vreemde hardheid is een minder verwonderende gevoeligheid, die weet, wat het betekent, te beven voor Gods majesteit en die tot tranen bewogen wordt door het bitter en drukkend besef van eigen nietigheid en verlorenheid. Wie het portret van Schortinghuis in de hand neemt en dat forse, stoere gezicht beschouwt, en hoopt, het raadsel van die diep gespleten persoonlijkheid enigermate te mogen verstaan, komt vanzelf niet uit de impasse, maar wordt op zich zelf, op het raadsel van de , , piëtistische" mens teruggeworpen, wiens levenstoon zo hard moet zijn krachtens Gods Wet en toch zo mild en warm, gegrepen en vervuld door de liefde van Christus. Die laatste kent Schortinghuis wel degelijk en dan zingt hij er van, dat hij, een helwaardige, door genade wandelingen in de hemel heeft. Maar had dan, als hij, zélfs hij, daar een plaats vond, zijn oordeel over zijn , , lot- en soortgenoten" toch niet bewogener en milder moeten zijn ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's