De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HOE MEN IN HET HUIS GODS MOET VERKEREN!

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HOE MEN IN HET HUIS GODS MOET VERKEREN!

10 minuten leestijd

I.

Wij ontlenen deze titel aan hetgeen geschreven staat in 1 Timotheüs 3 : 15 : Maar, zo ik vertoef, opdat gij moogt weten, hoe men in het huis Gods moet verkeren, hetwelk is de Gemeente des levenden Gods, een pilaar en vastigheid der waarheid. 

Aanleiding daarover te schrijven is tweeërlei.

, , Wij en onze vaderen hebben gezondigd". In onze mogelijk wel goed bedoelde vroomheid zijn wij zeker geneigd dit Schriftwoord te beamen, ook als wij daarbij bepaald  worden door de moeilijke positie, waarin wij gereformeerde belijders ons in de kerkelijke situatie van heden bevinden.

Zeker, wij erkennen de gemeenschappelijke schuld als het gaat over de vervallen staat der kerk, over de afval en ontkerstening.

Heel veel wordt daarover gesproken uit onze ervaring in onze naaste omgeving en wij zijn haastig gereed te generaliseren, maar dan moeten wij tot onze verwondering horen, wat de dagbladen *) dezer dagen meldden, dat nog 43 % in ons vaderland niet naar de bioscoop gaat en men trekt daaruit de conclusie, dat ons volk nog tamelijk huiselijk is.

Eerlijk gezegd, hadden wij dit ook niet gedacht, maar dat betekent toch meer dan de helft aan de kant der onhuiselijkheid of liever uithuizigheid.

De 43 % schijnt typerend te zijn. In de Synode 43 %  niet voor de vrouw in het ambt. Zouden dat de huiselijken zijn ? En zouden de huiselijken ook de kerkelijken zijn ?

Zonder enige twijfel is er een onmiddellijk verband tussen kerkelijkheid en huiselijkheid. Dat ligt zelfs in het aangehaalde hoofdstuk van 1 Timotheüs, en toch geloven wij, niet, dat die beide uitkomsten van 43 % elkander dekken, al zou het alleen maar zijn, omdat de stemmen verhoudingen in de Synode geenszins overeenkomen met de stemmenverhoudingen onder de trouwe kerkgangers.

Aan de andere kant kan de statistiek omtrent het bioscoopbezoek ons alszodanig heel weinig zeggen over het kerkelijk leven in de Hervormde Kerk.

Wij kunnen de stand van zaken iets beter beoordelen, als wij trouw medeleven in onze eigen gemeente, trouw medeleven met de ganse gemeente en met de kerkeraad. Maar ook dat geeft ons nog geen betrouwbaar beeld van het geheel der Hervormde Kerk.

Daartoe is nodig zich met de toestanden vertrouwd te maken in de andere gemeenten en provinciën en bovenal de leiding der kerk waar te nemen om te weten, welke koers zij vaart, of met de woorden van onze tekst: hoe zij in het huis Gods verkeert.

Het eerst stelt dit woord der Schrift een vraag aan ons zelf, aan u en mij, hoe verkeren wij, gij en ik, in het huis Gods?

Dan volgt onmiddellijk een tweede vraag : hoe verkeren zij, die leiding geven, in het huis Gods, en hoe staan wij daartegenover ?

Ten derde : Wat moeten wij doen ?

Ziedaar de vragen, die ons aanleiding geven met elkander te spreken over de eis door de Heilige Schrift gesteld aan degenen, die in het huis Gods verkeren.

Eerste vraag : Wat bedoelt de Schrift in deze plaats met het huis Gods ?

Heeft de apostel het oog op de tempel te Jeruzalem? Ziet hij die als een woning van Jehovah ?

Zo denken de heidenen. Zij maken een afgod en plaatsen die in een huis, en noemen dat huis een tempel, een heilige ruimte, waar de uitgebeelde godheid woont. Denk maar aan Dagon der Filistijnen.

Wellicht hebben Israëlieten, die het verbond Gods in Zijn geestelijke kracht en werkelijkheid niet hebben gekend, op dezelfde wijze aan de ark en aan de tempel te Jeruzalem gedacht. Doch het ware Israël heeft altijd geweten, dat Jehovah de Schepper van hemel en aarde is, en dat de hemel der hemelen Hem niet zou kunnen bevatten, hoe veel te minder dan een gebouw door mensenhanden gemaakt? (1 Kon. 8:27).

Wij behoeven het echter zover niet te zoeken, want het staat er bij : het huis Gods, hetwelk is de gemeente des levenden Gods.

De gemeente van de levende God, is het huis, dat God heeft gebouwd en aan welks vervulling Hij nog steeds arbeidt door de Zoon en de Heilige Geest, de stad Gods, die fundamenten heeft, en waarvan ook David vanouds reeds heeft geprofeteerd. (2 Sam. 7 : 27).

De gemeente van de levende God is alzo een huis, een woonstede Gods, gelijk Christus ook gezegd heeft: Wij zullen woning bij hen maken.

God woont met Zijn Geest en genade midden in de gemeente en daarom wordt de gemeente gesierd met de naam huis Gods.

Wij protestantse Christenen hebben nodig daarbij eens stil te staan, want al te vaak nog verbinden wij de gedachte : Gods huis aan het kerkgebouw. Wij gaan naar de kerk en bedoelen dan het gebouw en zeggen : Wij gaan op naar Gods huis. Maar de Schrift spreekt van de samenkomst der gemeente. Niet op het gebouw, maar op de gemeente, die bijeenkomt valt het oog.

God woont niet in een kerk, die leeg is, d.w.z. als de gemeente daar niet is. Neen, God woont in de kerk, als de gemeente daar in de Naam van Christus vergadert, maar de ledige kerk kan geen aanspraak maken op de titel huis Gods.

De Roomsen leren, dat het in Christus' lichaam veranderde brood daar wordt bewaard, en dat Christus dus aanwezig is. Op die wijze maken zij van het kerkgebouw een Godshuis, maar dat is niet protestants.

De gemeente van de levende God is het huis Gods. Hoe men in het huis Gods moet verkeren betekent dus, hoe men in de gemeente van de levende God moet verkeren.

Een ander misverstand is, dat men het kerkelijk instituut tot huis Gods maakt. Dat komt ook onder protestanten voor, hoewel zij daarin niet Schriftuurlijk zijn. Wij denken aan Anglicanen en andere hoogkerkelijken, die a.h.w, bij het instituut zweren, een orde van bisschoppen en prelaten, of enig eenheidsstelsel, dat ten slotte geen andere grond heeft dan de eenheid, die het poneert. Het instituut Hervormde Kerk in 1816 gesticht heeft er ook iets van.

Welnu, hoe zulk een instituut ook wordt bepaald, als zodanig kan het nooit Kerk zijn, kan het nooit huis Gods zijn of zijn plaats innemen, want alleen de gemeente van de levende God is huis Gods.

Daarin ligt ook de aanleiding voor de zelfstandigheid der plaatselijke gemeente, en zelfs van de Jeruzalemse huisgemeenten van de eerste Christenen aldaar. Waar de gemeente, ja, waar twee of drie vergaderd zijn in de Naam van Christus, daar is Hij in het midden.

Waar de gemeente is, maakt de drieenige God woning, daar sticht Hij Zijn woning, daar is een huis Gods.

Een kerkelijk instituut zonder gemeente is bij wijze van spreken een verlaten huis. Wij zeggen het maar heel scherp, om duidelijk te zijn, opdat wij in ons kerkelijk denken en gevoelen beginnen bij het begin : de gemeente van de levende God.

Met te meer nadruk doen wij dat, omdat wij in de Hervormde Kerk ernstig gevaar lopen dat te vergeten, zo het al niet in menig stuk vergeten is. Ondanks al de roep en moeite om en over het z.g. apostolaat, wordt de ondergrond en voedingsbodem van alle zendingsarbeid n.l. de gemeente van de levende God en de zorg voor haar veronachtzaamd.

Indien men in dit licht de Dordtse kerkorde naleest, zal men ontdekken dat de vaderen van de plaatselijke kerk als zelfstandige openbaring van het Lichaam van Christus uitgingen.

Alvorens verder te gaan nog een vraag der praktijk. De gemeente van de levende God is huis Gods. Wij zagen, dat het geschreven staat.

Hoe staat die gemeente er bij ? Hoe moeten wij dat zien ? Huis Gods, dat kan alleen van de uitverkorenen gelden, zegt iemand. Dat is tot uw dienst, maar wie is gerechtigd en bekwaam om de uitverkorenen af te zonderen van de meelopers en uitwendige belijders ? En wie kent de weg Gods en Zijn wil ten aanzien van Zijn uitverkorenen, die daaronder nog schuilen zonder tot nu openbaar geworden te zijn ?

Zo dus niet. Welnu dan hebben wij in de praktijk van het leven de gemeente, zoals zij als openbaring van Christus lichaam verschijnt, voor de gemeente van de levende God te houden, als het Woord zuiver bediend wordt, de Sacramenten overeenkomstig de instelling des Heeren en de tucht gehandhaafd wordt.

Die gemeente hebben wij te houden voor huis Gods en nu zijn we intussen ook reeds aan het volgende punt genaderd : hoe moeten wij in het huis Gods verkeren en hoe verkeren wij daar ?

Hoe verkeren wij in het huis Gods ? Wat zullen wij daarop zeggen. Sommigen zijn matig geïnteresseerd. Zij gaan naar gewoonte zondags naar de kerk, dus naar de samenkomst der gemeente. En velen denken er niet aan, dat zij daar in de tegenwoordigheid Gods verkeren. Is 't nodig te tekenen, hoe afwezig mensen kunnen neerzitten in het midden der gemeente onder de Dienst des Woords, bij het gemeenschappelijk gebed en bij de lofzang der gemeente ?

De toezegging van Gods tegenwoordigheid in de door hem bevolen dienst, als het Woord wordt ontsloten met al de beloften Gods, die in Christus ja en amen zijn, zij worden ternauwernood door velen opgemerkt.

Als dat zo is, , kan er ook weinig vrucht zijn en moet het onderlinge liefdebetoon, waartoe de liefde van Christus dringt, ook weinig zijn.

Onder de nieuwe koers hebben wij veelal kunnen horen, dat wij voor elkander verantwoordelijk zijn. Ik geloof niet, dat deze verantwoordelijkheid zo diep gevoeld wordt. Die staat ook niet op zich zelf, doch wel is waar, dat wij allen in de allereerste plaats verantwoordelijk zijn voor al ons doen en laten tegenover de levende God.

En dat nu moeten wij allereerst in toepassing brengen, als wij in het huis Gods verkeren, aangezien Hij de Zijnen bindt aan de gehoorzaamheid van Zijn Woord.

Dit kan echter niet alleen betrekking hebben op de samenkomst der gemeente, want het verkeer in het huis Gods, dat is de gemeente, strekt zich veel verder uit dan de samenkomst der gemeente.

Als belijders van de levende God door de genade van de Heere Jezus Christus, verkeren wij altijd in de gemeente ! Ook als wij alleen zijn. Ook in ons gezin. Ook op fabriek en kantoor, op school en in de secretarie.

Altijd in de gemeente! Altijd een levende brief van Christus zijn. Zo behoren wij te verkeren in Gods huis.

Wie door een waarachtig geloof Christus is ingelijfd, die is een lid van Christus' Lichaam en hij heeft zich onder alle omstandigheden zo te gedragen.

Beschamend, hoor ik iemand zeggen. Ja, beschamend, hoe weinig daarvan vaak terecht komt. Dat is zo, maar waarde broeder, dan is het voor ons niet meer zo gemakkelijk om te zeggen : Wij en onze vaderen hebben gezondigd, want wij staan persoonlijk in de schuld. Wij klagen over de kerkelijke toestanden. Weinig trouw, weinig geestelijk leven, weinig kracht van geloof.

Doch al deze klachten keren op ons eigen hoofd terug, als wij zo onbedachtzaam, laks, onverantwoordelijk slordig en werelds verkeren in het huis Gods.

Wij hadden het huis Gods zo klein gemaakt, dat het precies pas is voor de God van ons klein geloof en onze eigenwillige vroomheid, maar als het Woord opengaat, wordt dat huis zo groot, het strekt zich uit over het ganse leven van de Zijnen, overal, waar de gelovige Christen zich beweegt, beweegt hij zich als lid van Christus, als openbaring Zijner gemeente, en heeft hij zich te onderscheiden in heilige wandel als getuige van Christus.

En dan de onderlinge omgang der gelovigen ! Welk een eis der liefde wordt daaraan gesteld!

Wij zouden dat thans uit de Schrift, te beginnen met de , , pastorale" brieven, moeten gaan toelichten, doch een iegelijk onderzoeke zich zelf en bepale zich eens tot nauwkeurig onderzoek van wat de brieven aan Timotheüs over deze dingen leren.

(Wordt vervolgd).


*) utrechts Nieuwsblad d.d. 2 juli 1957. (Onderzoek Centraal bureau voor de Statistiek).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HOE MEN IN HET HUIS GODS MOET VERKEREN!

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's