Kroniek
Ter zomerconferentie Federatie van Diaconieën in de N. H. Kerk — Problematiek der bejaardenzorg — De geestelijke kant voornamer dan de materiële — „Geestelijke gaskamer" — Zomerzitting der Gen. Synode — Ambten open voor de vrouw — Beslissing tegen de grondvergaderingen der kerk — Schimmen van Bogerman en Episcopius — Uit Episcopius' rede ter Synode van Dordt .
De Federatie van Diaconieën in de Ned. Herv. Kerk hield 1 en 2 juli j.l. haar 30e diaconale zomerconferentie op , , Woudschoten". Prof. dr. K. Hornstra refereerde over het onderwerp : , , Waar behoort 't zwaartepunt van de diaconale bejaardenzorg te liggen" ? Niemand, die ook maar enigszins bewust meeleeft op kerkelijk en diaconaal terrein, zal de actualiteit van dit onderwerp durven betwisten. Er zijn verschillende , , bejaardencentra", door diaconieën of gemeentebesturen gesticht, de laatste tijd verrezen, en hun aantal zal, als de bestedingsbeperking niet afremmend werkt nog wel toenemen. De langere gemiddelde leeftijdsduur heeft ook hier een probleem geschapen, over welks moeilijkheid en oplossing veel reeds werd geschreven, en dat tot daden opriep, waarvan wij in het voorafgaande reeds iets opmerkten. Prof. Hornstra stelde na enige inleidende opmerkingen de nuchtere vraag:
„Of de bejaarden thans niet te veel als probleemgroep worden beschouwd, waarbij ook weer opvalt dat dit voornamelijk geschiedt door anderen, en niet door de bejaarden zelf. Het gevaar bestaat dan ook, dat de problematiek rondom de bejaarden; te veel opgeblazen wordt".
Z.i. gold dit bijvoorbeeld voor het probleem van de huisvesting van de bejaarden in verzorgingstehuizen en eveneens van , , de financiële moeilijkheden" aan zulk een verzorging verbonden. De spreker ter conferentie vervolgde daarop :
„Maar alle hulp en zorg, die geboden worden, houden nog niet in, dat de bejaarde zich opgenomen weet en voelt in de gemeenschap. Dit is dan ook volgens prof. Hornstra het kernpunt van het bejaardenvraagstuk. Vroeger kende men dit vraagstuk niet, omdat toen de bejaarde nog een zinrijke plaats had in de gemeenschap, die van een zodanige structuur was, dat de overgang van de ene levensfase in de volgende als vanzelf ging. Men kende toen ook niet het puberteitsprobleem, omdat de jongere geleidelijk aan in de volwassenheid groeide.
Onder invloed van allerlei maatschappelijke veranderingen heeft de bejaarde in de maatschappij een functieverlies ondergaan, waarmee een verlies aan sociale status gepaard ging. Zo is de bejaarde meer en meer terzijde van de maatschappij geplaatst en weet men feitelijk geen raad met hem. Op 65-jarige leeftijd gaan voor hem een aantal deuren dicht en wordt hij, of hij het wenst of niet, buitengesloten. Hij verliest zijn volwaardige plaats in familie en buurt en hij mist de aansluiting op de komende generaties. Hij komt vreemd tegenover het culturele leven te staan, met de sport kan hij niet mee en hij staat dikwijls buiten de conversatie in zijn omgeving. Hij trekt zich terug en ervaart de eenzaamheid.
Prof. Hornstra constateerde, dat de diaconieën, te weinig aandacht schonken aan deze geestelijke nood der bejaarden en besloot, aldus :
„Waar in de maatschappij dikwijls voor de bejaarde geen plaats meer is, zal deze worden teruggeworpen op zijn eigenlijke taak, die geestelijk en apostolair van aard is. De bejaarde zal moeten tonen, dat hij leeft met een wijd perspectief en een levende hoop. Hier ligt ook de opdracht voor het pastoraat, maar ook voor het diaconaat, om aan de bejaardenzorg een geestelijke zin te geven".
Ik geloof, dat prof. Hornstra hier — ik nam een en ander, hiervoor geciteerd, over uit de N. R. Crt. d.d. 3/7 '57 — woorden sprak, die zeer waardevol zijn, en ernstige overweging verdienen.
Alleen een enkele opmerking wil ik nog plaatsen. De spreker had het over een , , geestelijke en apostolaire taak" der bejaarden. Accoord. Maar evenals uit de maatschappij zijn ze op 70-jarige leeftijd ook uit de Ned. Herv. Kerk uitgerangeerd. Want na de 70e verjaardag is de officiële ambtelijke werkkring voor ouderlingen en em. predikanten — de laatsten mogen nog preken en sacramenten bedienen — gesloten. Wijlen dr. O. Noordmans sprak indertijd, dat de kerk hen „in de geestelijke gaskamer" leidde. Natuurlijk kan het zijn, dat iemand op 70-jarige leeftijd wegens , .seniele aftakeling" niet meer in staat is geestelijke arbeid te verrichten. Maar dergelijke lichamelijke en geestelijke verschijnselen tekenen zich in sommiger leven ook al eerder af. Dergelijke gevallen uitgesloten, begrijp ik nog nimmer om welke reden een ouderling (of diaken) als hij 70 jaar is geen ambt meer mag bekleden. Wat de predikanten betreft, schijnt er financiële urgentie te zijn.
Doch bij de andere ambtsdragers kan dit niet klemmen. Men jammert, dat er haast geen ambtsdragers zijn te verkrijgen. In de laatste Synode-zitting werden ook dergelijke jammerklachten geuit om de noodzakelijkheid de ambten voor de vrouw open te stellen, te bepleiten.
Waarom de 70-jarigen , , in de geestelijke gaskamer" gevoerd? Natuurlijk kunnen ze in het , , ambt der gelovigen" een , , geestelijke en apostolaire taak" vervullen. Maar ze missen de , , steun van het ambt". Daarom weer de vraag:
Waarop is die beroving van de „steun van het ambt gebaseerd? En welke Schriftuurlijke grond is er om de kerk de waardevolle en vaak zegenrijke ambtsbediening der „70-jarigen" en ouderen te doen derven?
Men versta mij wel: ik pleit niet voor een dacapo van wat in de tachtiger jaren in Hervormd Amsterdam gebeurde, toen daar de reeds of bijna 70-jarige ds. Krayenbelt als predikant werd beroepen. Ik pleit voor de mogelijkheid, dat , , de geestelijke en apostolaire taak" door bejaarden ook na hun 70e jaar ambtelijk worde uitgeoefend.
Ik sprak hiervóór terloops over de „zomerzitting" van de Generale Synode der Ned. Herv. Kerk. Zij zal in de annalen der Herv. Kerk aangetekend staan als de Synode-vergadering, welke met 29 tegen 22 stemmen het besluit nam de ambten van ouderling en diaken — het predikantsambt alleen na dispensatie van het moderamen der Generale Synode ! — voor de vrouw open te stellen.
, , Es ist erreicht" kunnen de voorstanders zeggen. Maar de meerderheid is niet groot. Men zou kunnen spreken van een overwinning als van Pyrrhus, de romeinse veldheer, die na zijn succes zeide : „Nog zulk een overwinning en ik ben verloren".
Prof. Haitjema, die alleen het ambt van diaken voor de vrouw wilde openstellen, heeft gewaarschuwd niet tegen de meerderheid der classes van 1955, in te gaan. Deze wijze raadgeving, mede geuit omdat men met de peiling der ambtsleer in haar geheel niet klaar is, heeft niet mogen baten. De drijvende meerderheid is doorgegaan en heeft haar wil. Althans zoals het nu staat. Want ja. het is bereikt, tenminste in Ie lezing. De classes moeten nu nog over dit besluit hun mening geven. De vorige maal, dat deze zaak aan de orde was, is de meerderheid ter Synode gezwicht voor het merendeel tegen de classes. Men had het in vroegere tijden, toen de , , reorganisatie" de brandende kwestie in de kerk vertolkten. Die grondvergaderingen", de classes, welke de mening der kerk vertolkten. Die grondveranderingen waren zoiets als de , , vox ecclesiae", de stem der kerk. Welnu, waren ze dat niet toen ze in meerderheid tegen , , de vrouw in het ambt" waren ? En heeft die stem nu geen waarde meer ? Hebben de afgevaardigden ter Synode, het gevoelen der hen afvaardigende classes in hun stem vertolkt ? Is de Synodale uitspraak werkelijk een weergave van wat de kerk begeert, begeren moet op grond van de Heilige Schrift. Zo kunnen we voortgaan met vragen. Maar waartoe ? De teerling is geworpen. Nu is het woord aan de classes. Zullen ze voet bij stuk houden ? God geve het! Het zou ook kunnen zijn, dat ze min of meer defaitistisch een zwak geluid gaven onder de indruk van : , , de karavaan gaat voort, ook al blaffen de honden". We hopen het tegendeel, en wachten af, zij het niet defaitistisch maar doende wat ook nu nog de hand vindt om te doen en dat in de mogendheid des Heeren, Die Zijn Gemeente niet zal vergeten !
De Synode-zitting van de laatste week van juni '57 was te belangrijk om met het bovenstaande van haar afscheid te nemen.
De schimmen van Bogerman en Episcopius, in de grote Synode van Dordrecht (1618/19, respectievelijk van contra-remonstranten en remonstranten de grote leiders, waarden in de vergaderzaal in het Eyckmanhuis rond. Men zeide zelfs „dankbaar" te zijn aan ds. L. Vroegindeweiji dat hij , , de rollende donder van Dordt (had) laten klinken". Dit alles overwegende met het feit, dat 340 jaar na die „rollende donder", na het ite, ite, d.i. gaat, gaat! van Bogerman, twee remonstrantse predikanten als gast ter Synode waren, heeft het wel betekenis, dat dr. Emmen , , deze zitting historisch" noemde. Hij sprak dit woord tijdens het debat over de voorstellen van de Ned. Herv. Kerk en de remonstrantse broederschap. Er is dus een soort , , consensus" tussen beide kerken in de maak. Het rapport van de commissie over het resultaat van 4 jaar samenspreken tussen hervormden en remonstranten . is aangehouden. Het verslag van „Trouw" waaraan we een en ander in dit verband ontleenden en ontlenen, vermeldt, uit wat dr. Emmen in 't debat zeide, o.m., dat deze het betreurt, , , dat niet meer aandacht is gewijd aan de vraag in hoeverre de Dordtse leerregels ons nog gescheiden moeten houden". Ja, dat is heel jammer. Heeft men dat niet aangedurfd, gevoelend, dat die klare, duidelijke taal toch wel wat anders leert, dan dat het toen zou gegaan zijn om „de verankering der heilszekerheid in God". Ach ja, zo kan men het zeggen, ofschoon de formulering mij meer filosofisch dan theologisch aandoet. Ondanks dat ds. J. E. Uitman, een der hervormde gesprekspartners opmerkte, dat „overigens uit het rapport nergens blijkt, dat de hervormde gesprekspartners de belijdenis zouden hebben willen afschaffen". Neen dat geloof ik wel. Dat zou betekenen eliminatie van een belangrijk deel van Art. X Kerkorde. Of deze hele zaak waarlijk is , , in gemeenschap met het belijden der vaderen" (art. X) is voor mij nog de vraag. Het „gesprek" moet voortgezet. Tot hoelang ? , , Jaren zullen nog moeten verstrijken, eer van dieper samengaan sprake kan zijn. Maar het ogenblik zal komen, dat wij samen gaan léven. Daarbij mag niet vergeten worden, dat er een zekere haast geboden is". Dat waren-volgens het verslag, de slotzinnen van het betoog van ds. A. van Nieuwenhuyzen, een der twee remonstrantse predikanten uit de commissie. Wij hebben in deze ter Synode behandelde zaak wel te doen met oecumenische verlangens. Of het is naar het oecumenisch heimwee, dat in Calvijns hart brandde en in zijn leven gestalte aannam ? Meer dan Calvijn is de Schrift. Gebiedt zij deze , , consensus". De praeses dr. A. A. Koolhaas zeide aan het slot van de behandeling: , , Tegenover het: , , Ga weg" uit de Dordtse Synode staat het: , , Komt tot ons in de waarheid Gods" uit de oude kerk".
Zijn eerste rede ter Dordtse Synode beëindigde Episcopius met het historisch geworden woord : "Magna est vis veritatis ; et pruevalebit", groot is de kracht der waarheid en zij zal zegevieren. Dat geldt van de waarheid der Schriften. Het is de kracht en de troost van Gods kerk, temidden van al haar tribulatiën, ook van die van het heden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's