DE VREDE-ONTMOETING MET GOD
, , En aldaar zal Ik bij u komen". Exodus 25 : 22.
Wie zal God zien en leven ?
Door heel de Schrift heen klinkt deze vraag.
En vanuit deze vraag verschijnt het woord van onze tekst als een wonder. God Zelf zegt: Ik zal tot u komen.
En dat betekent op deze plaats niet een komen in het verterend licht van Zijn heilige gerechtigheid, maar een komen in het vriendelijk licht van Zijn aanschijn.
Een komst met vrede.
Daarom moet dit woord ons doortrillen van vreugde, ons met achterlating van al het onze doen zoeken de plaats waar dit mogelijk is.
Of gaat het geheim van dit woord ons voorbij ?
Dat doet het zeker, als we leven in de gedachte dat het zonder meer tussen ons en God wel in orde is.
Als we in de mening verkeren, dat wij het zelf wel in orde kunnen maken met de heilige God.
Wie echter weet heeft van zijn onheiligheid en Gods heiligheid, onze ongerechtigheid en Gods gerechtigheid, onze boosheid en Gods goedheid, die verwondert zich, en verheugt zich met beving.
Het volk Israël heeft ongeveer een jaar vertoefd bij de berg Sinaï. Daar heeft het een ontmoeting — al was het slechts van verre — met God meegemaakt.
Dat was toen de Heere God Zich in Zijn majesteit zette op de top van de Horeb. Heel die top was gehuld In een donkere en dreigende wolk. Gods bazuinen schalden over het leger van Israël ; donderslagen en bliksemschichten deden de berg en het volk beven. Daar doorheen klonken de woorden van de heilige Wet. De openbaring van Gods heilig recht. En Israël beefde van vrees. ToenMozes afkwam van de berg smeekten ze : Dat God Zelf tot ons niet meer zo rechtsstreeks spreke, opdat wij niet sterven.
Het was een vreselijke ontmoeting. Een gerichtsontmoeting, om Israël te leren wie God de HEERE was, en wie zij waren. Dat onweer van Sinaï klinkt nog altijd door in de tien woorden der wet. Zo iemand , nlet al wat geschreven is in het boek der wet, om dat te doen die is vervloekt. Dit was en is de voorbereiding tot de ontmoeting met God zoals die in onze tekst beschreven is.
Wie hier aan voorbijgaat komt niet tot het aldaar van onze tekst.
Aldaar zal Ik bij u komen !
Ook dit is een woord van diezelfde God. Een woord gesproken van dezelfde berg Sinaï. Dat was toen de Heere de wet van het heiligdom gaf. God beval om de tabernakel te maken, naar het voorbeeld dat Hij Mozes op de berg getoond had. Achter in de eigenlijke tabernakel of tent moest een donkere ruimte gemaakt worden: het Heilige der Heilige. Daarin moest geplaatst worden de Ark des Verbonds, met het gouden Verzoendeksel.
En van deze plaats zegt de Heere : Aldaar zal Ik bij u komen. Neen, niet in die verschrikkelijke majesteit en openbaring als op de berg, maar als een God van vrede en verzoening, van genade en vergeving. Luther vertaalt het woord verzoendeksel met Genadestoel. Op die genadestoel gaat God Zich zetten te midden van het bondsvolk Israël.
Verwonderd vragen we : Hoe kan dat ? Is soms in die tussentijd dat volk zo veranderd ? Heeft het er beter afgebracht, en is dat komen van God veroorzaakt door de verdiensten van Israël ? Is het volk vroom geworden, vol van deugden en goede werken ?
O, neen! Israël heeft, terwijl Mozes op de berg vertoefde het gouden kalf gemaakt. Of is dit woord alleen bedoeld voor de besten van het volk ? Ach, wie zullen dat zijn ? Israël heeft geen besten, want het heeft zelfs geen goeden.
Hoe kan het dan ? Is God veranderd ? Heeft Hij afstand gedaan van Zijn heiligheid ? Is Hij niet meer Dezelfde, Die in Zijn wet, de schuldige legt onder de laaiende gloed van Zijn toorn ? Bij Hem is geen verandering of schaduw van ornkeer. Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheden, de pilaren van Zijn troon. Ook daar is de heilige wet bij Hem. Die wet ligt in de Ark des Verbonds. Dan kan toch niemand tot Hem naderen. En zo is het toch ook: Wie . zomaar het Allerheiligste binnentrad, moest sterven.
Ja, en toch, tóch kan het!
Het kan in de priester, door het bloed van het offer. Daar vooraan in het voorhof staat het brandofferaltaar. Daarop worden de offerdieren geslacht. En éénmaal in het jaar gaat de Hogepriester met het offerbloed in het Heilige der Heilige. Dan is het grote Verzoendag, want dan wordt er verzoening gedaan voor de zonden van het volk door de voldoening van het offer. En de Hogepriester draagt de namen van de stammen Israels op zijn borst en op zijn schouder. Zo gaat Israël in hem mee naar de Genadestoel des Heeren. In hem.
Toch was dit alles slechts schaduw en symbool van een hoger werkelijkheid. Het bloed van de dieren kan geen mensen met God verzoenen, het kan Gods heilige wet niet doen zwijgen, het kan de brand van Gods toorn niet blussen. Het altaarvuur bleef branden. En de Hogepriester was zelf ook maar een zondig mens. Voor zijn zonden moest ook het bloed vloeien.
Daar is één volmaakte Hogepriester : Jezus Christus. Hij is Offeraar en Offerlam belde. Hij heeft dat éne offer volbracht waardoor geheiligd worden allen, die in Hem geloven. Zoals God in die tabernakel en priesterdienst de plaats stichtte, waar Hij een zondaarsvolk wilde ontmoeten, zo was Hij in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende.
God Zelf heeft die plaats gesticht. Niet de mens ! En deze ware Hogepriester is ingegaan in het binnenste Heiligdom, met Zijn eigen bloed.
Aldaar zal Ik u ontmoeten. In die éne Christus. In dat éne offer. Door die éne Geest, die is uitgestort, en die Christus verheerlijkt in de harten van zondaren.
Aldaar zal Ik u ontmoeten.
Wie is nu te doen om God te ontmoeten ? Wier harten dorsten naar de levende God, zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen? De plaats wordt u hier gewezen.
Ach wij staan altijd de Heere in de weg. Wij proberen veel liever zelf een ontmoetingsplaats te scheppen. En het zal ons nooit gelukken, al bouwen wij nog zulke mooie tempeltjes van onze vroomheid, onze aandoeningen, onze ervaringen.
Het is zo hard, én zo nodig om te leren, dat de Heere in geen ding van ons énig welbehagen vinden kan. Dan worden wij bekwaam en gewillig om ons te laten leiden als ellendige zondaren in ons zelf. tot de plaats van de genadestoel, waar de Heere ons de gouden schepter toereikt.
En de Hebreënbrief troost de kleinmoedigen, die vol van vrees niet durven naderen : Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd.
Want wij hébben een barmhartige Hogepriester. En het voorhang is gescheurd. De weg ligt open.
Uiteindelijk zullen wij niet de ontmoeting met God ontlopen. Sterven is God ontmoeten. Dan is het heden der genade voorbij. Nu is het nog de tijd om Hem te zoeken op de plaats waar Hij Zich vinden laat.
Anders : Wie zal God zien en leven ?
Wie in de Zoon gelooft heeft het eeuwige leven, maar wie de Zoon ongehoorzaam is zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's