DE HEILIGE SCHRIFT ALS HET WOORD GODS 1)
„Al deze boeken alleen ontvangen wij „voor heilig en kanoniek om ons geloof „daarnaar te reguleren, daarop te gronden en daarmede te bevestigen. En wij „geloven zonder enige twijfeling al wat „daarin begrepen is en dat niet zo zeer, , , omdat ze de Kerk aanneemt en voor „zodanige houdt; maar inzonderheid, , , omdat ons de Heilige Geest getuigenis , , geeft in onze harten, dat zij van God „zijn". (Vgl. Art. V, N.G. Bel.).
Ziedaar de confessie omtrent ons gereformeerd Schriftgeloof. Dit Schriftgeloof is de grondslag van ons Christelijk geloofsleven.
Onder Schriftgeloof verstaan wij hier dus het Christelijk geloof, dat de Heilige Schrift ontvangt als Gods Woord en dat alleen, derhalve geen andere Schrift, en in geen andere zin dan zoals men die kan uitgedrukt vinden in het hoofdwerk van de Geneefse Reformator: , , Maar aangezien geen dagelijkse Godsspraken uit de hemel gegeven worden, en alleen de Schriften bestaan, door welke het de Heere heeft goedgedacht Zijn waarheid tot een eeuwige gedachtenis te doen voortleven, bezit de Schrift door geen ander recht een volledig gezag bij de gelovigen, dan wanneer ze geloven, dat zij uit de hemel is voortgebracht, evenalsof de levende stemmen Gods zelf vandaar gehoord werden". (Inst. I. 7. 1. Vert. Sizoo).
Dat is voor de moderne mens wel wat veel gevraagd. Doch heus niet voor hem alleen, want het is voor de doodgewone alledaagse mens ook te veel gevraagd. , , Evenalsof de levende stemmen Gods vandaar gehoord werden", wie kan zoiets nog beweren na een paar eeuwen „wetenschappelijk" Schriftonderzoek met zijn critische noten en resultaten ?
Wel, het geloof! Dat is het nu juist, wat Calvijn zegt: , , de Schrift heeft door geen ander recht volledig gezag bij de gelovigen, dan wanneer ze geloven, dat ze uit de hemel is voortgebracht, evenalsof de levende stemmen Gods zelf vandaar gehoord werden".
Het geldt hier een hemelse zaak en daarom een zaak des geloofs. De Wet is uit de hemel, de profetie is uit de hemel, het Evangelie is uit de hemel, want Christus kwam uit de hemel. Hij is de Heere uit de hemel. Het gaat nl. alles om Hem, ook als het gaat om de Schrift.
Juist, omdat het geloof met hemelse dingen van doen heeft, staan wij hier voor een zaak des geloofs, die ons aardse verstand niet kan grijpen. Hemelse dingen verstaan, aan hemelse dingen deel hebben, is een hemelse gave. Het geloof is een gave Gods.
Geloven betekent deelhebben aan de Godsopenbaring en daarbij persoonlijk betrokken worden.
Geloof en openbaring hangen samen, want het geloof leeft uit de openbaring. Het geloof valt binnen de sfeer van Gods openbarende werkzaamheid : , , Zo is dan het geloof uit het gehoor en het gehoor door het Woord Gods". (Rom. 10 : 17). In Colosse 2 vers 12 wordt gesproken van het, , geloof der werking Gods, die Christus uit de doden opgewekt heeft".
Geloof is alzo geloof in de werking Gods en wel in de levendmakende werking Gods. Dit wordt ook betuigd in de brief aan de Efeziërs : , , opdat Hij u geve naar de rijkdom Zijner heerlijkheid met kracht versterkt te worden door Zijn Geest in de inwendige mens; opdat Christus door het geloof in uwe harten wone en gij in de liefde geworteld en gegrond zijt". (Efeze 3 : 16v.).
Geloof is geloof in die God, die Zich heeft geopenbaard en zich, door Zijn Woord en Geest nog altijd openbaart aan de Zijnen. Door het geloof leeft de waarheid Gods in de harten der gelovigen voort. Omdat er een levende betrekking is tussen het geloof en Gods openbarende werkzaamheid, is er ook een levende betrekking tussen het geloof en Gods Woord door de werking van de Heilige Geest.
Het geloof is opgenomen in de openbarende werking van God. God heeft aan het geloof in die openbarende werkzaamheid een plaats en een functie gegeven. Daarom ontsluit zich het Woord voor 't geloof als Gods Woord. De mens wordt door het geloof bij de kennis en het getuigenis der Waarheid betrokken, zodat hij een plaats verkrijgt onder de getuigen Gods en als zodanig deel heeft aan het werk der openbaring.
Er zijn meer heilige boeken in de wereld buiten de Heilige Schrift, die in bepaalde godsdiensten gezag hebben. Men spreekt dan wel van , , boekreligie" en dat wil men ook wel eens toepassen op het orthodoxe Schriftgeloof. Het Christelijke geloof heeft met een boekreligie niets uit te staan en slechts miskenning van het rein geestelijk karakter van de Christelijke godsdienst kan aan zulke gedachten voet geven.
Het Christelijk geloof heeft niet slechts van doen met de Heilige Schrift als een getuigenis omtrent de Godsopenbaring, of met een oorkonde van een openbaringsgebeuren in het verleden, alsof er een distantie zou zijn tussen het eigenlijk openbaringsgebeuren en de meer of minder nauwkeurige optekening daarvan. Dergelijke gedachten leven bij wijsgeren en Schriftonderzoekers, die bij , hen in de leer gaan. Maar de Kerk des Heeren belijdt niet wij hebben een getuigenis aangaande Woorden Gods, of aangaande openbaringen Gods, maar zij belijdt, dat de Heilige Schrift Gods Woord is en dat zij de Godsopenbaring is, welke God door Zijln profeten en door Zijn Christus haar heeft toebetrouwd.
Zolang wij de Heilige Schrift nog slechts als een getuigenis aangaande Godsopenbaring zien, leven wij nog van horen zeggen, en heeft zij voor ons ook alleen Goddelijk gezag bij overlevering van vader of moeder, van dominé en onderwijzer, maar zijn wij nog niet bij de levende kennis der openbaring, waarvan de belijdenis en Calvijn spreken.
Er is nl. zulk een innige betrekking tussen het waarachtig geloof en Gods Woord, dat de Schrift spreekt van „wedergeboren door het Woord". (1 Petrus 1 : 23) en , , uit de waarheid zijn". (1 Johannes 3 : 19). Het geloof leeft dan ook bij de Schrift als getuigenis van God, evenalsof de levende stemmen van de hemel werden gehoord.
Deze levende betrekking is het voorrecht van de gelovigen. Het geloof heeft dus ook geen bewijs of redenering nodig om het goddelijk gezag der Schrift vast te houden. Het valt trouwens niet redelijk te bewijzen, dat de Schrift Gods Woord is, maar het geloof is de vrucht van een innerlijke overtuiging, welke door de Geest der Waarheid in het hart wordt gewerkt, zoals ook de belijdenis zegt.
Ook in het werk der openbaring behoren Woord en Geest bij elkaar, gelijk zij in alle werken Gods de wil des Vaders volbrengen. Is het de Zoon, die aan alle dingen gestalte heeft gegeven, het Woord, dat bij God was en God was, zo heeft Hij ook de , , menselijke" gestalte der Godsopenbaring gegeven, en de Geest, die Hem in alle werken Gods vergezelt, wijl Hij met de Heilige Geest gezalfd is en niet met mate, vergezelt ook het Woord in Zijn levendmakende kracht. Die Geest is het ook van Wie door de Christus is gezegd, dat Hij Zijn discipelen zal leiden in de Waarheid (Joh. 16:13).
Deze werkingen Gods liggen achter de belijdenis der gelovigen, dat zij de Heilige Schrift als Gods Woord ontvangen.
De Heilige Schrift is dus niet maar een min of meer betrouwbare herinnering aan een openbaringsgebeuren, dat eens in het verleden heeft plaats gehad, niet maar een min of meer nauwkeurige overlevering bij monde van een profeet, wien zulks te beurt viel, want daaraan zou juist het eigenlijke, het persoonlijk overtuigende van het Woord Gods ontbreken. Neen, het Woord Gods, dat ons is overgeleverd is een levend Woord, een Woord uit de mond van de levende God uitgegaan met een door God bevolen opdracht om die te volbrengen. De profeet Jesaja leert ons dat in een sprekende gelijkenis, die ook het licht laat vallen op de werking van het Woord. , , Want gelijk de regen en de sneeuw van de hemel nederdaalt'en derwaarts niet wederkeert, maar doorvochtigt de aarde en maakt, dat zij voortbrenge en uitspruite, en zaad geve de zaaier en brood de eter, alzo zal Mijn Woord, dat uit Mijn Mond. uitgaat, ook zijn, het zal niet ledig wederkeren, maar het zal doen, wat Mij behaagt en het zal voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe Ik het zende". (55 : 10-11).
Wij zeiden, dat God Zich aan de mens heeft geopenbaard op een menselijke wijze. De Heere daalt in Zijn openbarende daad niet alleen af tot een mens, maar Zijn Woord neemt een voor de mens passende, voor hem verstaanbare gestalte aan. Gods Woord kleedt zich in de gestalte van een mensenwoord, althans een menselijk woord.
Uit het feit reeds, dat God de mens heeft geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis, volgt dat Hij ook het voornemen heeft gehad Zich aan hem bekend te maken. Hij wilde met die mens omgang hebben en met hem in gemeenschap treden. Vandaar Zijn spreken tot de mens en Zijn gesteld verbond. Dit alles kan aantonen, dat de openbaring van God aan de mens mede zou inhouden, dat God zich op schepselmatige wijze aan hem bekend maakt. Het goddelijke Woord moet schepselmatige gestalte aannemen en wel zulk één, welke past bij de mens, die God geschapen heeft.
In het spreken Gods met de mens is iets, dat zeker niet is gelijk te stellen met de vleeswording des Woords, maar toch wel daarmede mag vergeleken worden. Het zou te ver gaan om te onderstellen, dat 't Woord der openbaring de menselijke natuur heeft aangenomen, maar het openbarende Woord Gods heeft wel de natuur van het menselijk woord aangenomen, om ons de Naam des Vaders bekend te maken.
Zo zelfs, dat veelal ook het eigen karakter van het menselijke van de verschillende profeten aan de openbaringsgestalte herkenbaar is. Een andere gestalte neemt het Woord aan bij Jesaja een andere bij Jeremia, om een voorbeeld te noemen.
Hoe zou er enige Godskennis in de wereld zijn, als God de Heere ons zou toegesproken hebben in de verborgen taal, welke de Vader spreekt met de Zoon en de Geest ? Hoe zou het mogelijk zijn van God te getuigen, ja ook maar aan het bestaan van God te denken, als Hij niet uit Zijn eeuwige verborgenheid in de gestalte van het schepsel gesproken had ?
En hoe zou dat Woord Gods in onze wereld doen, waartoe het gezonden is, als het niet in menselijke gestalte in de wereld en onder de mensen gekomen was ? Doch nu weten wij, dat het bezig is aan de vervulling van de Raad Gods, en dat het voorspoediglijk voortgaat. De mens wordt daarbij naar Gods beschikking betrokken, omdat hij in de Raad Gods zo grote plaats inneemt en God de werken Zijner handen niet laat varen.
(Slot volgt).
1) Referaat, gehouden op de vergadering van de organisatie tot bevordering van het werk van de I. C. C. C, d.d. 18 juni 1957, in het Jaarbeursgebouw te Utrecht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's