ONZE VERANTWOORDELIJKHEID IN DE KERK VAN VANDAAG 1)
Het zal u niet verwonderen, dat ook dit jaar de vragen over de Kerk het onderwerp zijn van inleiding én bespreking op onze jaarvergadering.
De Gereformeerde Bond is geboren uit de bewogenheid over de nood der Kerk en uit het bewustzijn van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor de Kerk. Zeker, de Kerk is geen Selbstzweck, heeft geen doel in zichzelf, maar gelijk heeft Aalders als hij zegt: Mijn kerkbegrip is exponent en symptoom van mijn religie (W. J. Aalders, Over de Kerk, pag. 211).
Op de Synode van Dordrecht hebben op de 30ste april 1619 de buitenlandse afgevaardigden, nadat de voorlezing gedaan was van confessie en catechismus, verklaard, dat in deze leer niets was met de waarheid in de Heilige Schrift uitgedrukt strijdende, maar dat zij ter contrarie in alles met deze waarheid en met de confessies van andere Gereformeerde Kerken accordeerde.
Daarenboven zijn de inheemse vermaand van de uitheemse theologen in deze rechtzinnige godzalige en eenvoudige confessie des geloofs standvastig te willen volharden, dezelve aan het nageslacht onvervalst te willen nalaten en tot de komst van onze Here Jezus Christus onvervalst te willen bewaren.
Op een hoogtepunt van geestelijk leven hebben onze vaderen zich door en aan deze leer gebonden geweten, om die als een te bewaren schat aan het nageslacht toe te vertrouwen.
Uiteindelijk ging het ook in de Leerregels van Dordt om de absoluutheid van Gods genade, om het , , zankhafte Wörtlein allein", om de vraag wie de naam des mensen in het boek des levens schrijft, God of mens, om Gods genade of mensenwerk. (Fides formans caritatem of fides caritate formata)
Dat in het bijzonder de Canones van Dordt fel bestreden zijn, noem ik slechts in het voorbijgaan. Wil men soms met de catechismus en de confessie nog in zee gaan, de leerregels liggen, indien al niet geheel onder het anathema, dan toch zouden wij hier te doen hebben met werk, dat kennelijk niet klassiek-reformatorisch is en dat als. epigonen-werk moet worden gekwalificeerd.
Het wedergeboren subject zoude in het middelpunt staan van de beschouwing, in onderscheiding van de theocentrische opzet van de Ned. Geloofsbelijdenis.
, ; De belangstelling voor de gepraedestineerde mens was bij de Dordtse vaderen helaas groter geworden dan voor de trinitarische daad der verkiezing Gods zelf". (Haitjema, Prediking des Woords en bevinding ; Veenman, Wageningen, 1950, pag. 16).
, , Kohlbrügge — aldus Haitjema — zag zeer goed in, dat de Remonstranten hier eigenlijk het conflict lieten uitbreken op hun front, n.l. daar waar zij zich het sterkst gevoelden, en dat was in de mensbeschouwing", , , Waarom tastte men de Remonstranten niet in de ribben aan, n.l. met de prediking van de rechtvaardiging door het geloof alleen ? " — Zo riep Kohlbrügge hartstochtelijk uit in een uitvoerige brief aan van Heumen.
Maar men vergeet, dat in de Dordtse Leerregels wij te doen hebben met , , een nadere synodale verklaring", dat wij hier een uitbouw van de belijdenis hebben.
Ook in de anthropologie is men theocentrisch ! Bovendien is menigmaal in de loop der Vaderlandse Kerkgeschiedenis gebleken, dat waar men met de Dordtse Canones op een gespannen voet leefde, ook de catechismus en confessie niet zonder reserve en ongeschonden werden aanvaard.
Altijd zal de Kerk, die men wel genoemd heeft , , der grosze Wellenbrecher im Strom geistiger Moden" (de grote golfbreker in de stroom van geestelijke modes), de geest van de tijd hebben te onderkennen, om front te maken tegen de vijand en te staan in de wapenrusting Gods.
Wat da Costa in 1823 als motto plaatste boven zijn opzienbarend vlugschrift over de bezwaren tegen de geest van zijn tijd : Wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, machten, geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht — dat is alle eeuw aan de Kerk opgelegd. Bij het Woord des Heren, dat wel vóór de mens is, maar niet naar de mens, gaan de geesten uiteen.
Sinds 1 mei '51 leven we nu onder een nieuwe kerkorde, die door de grote meerderheid der Kerk met gejuich is begroet. Dat er in die tijd zeer veel arbeid is verzet, waaraan in de dagen van de heerschappij van de Reglementenbundel geen denken was, is niet te ontkennen. Ook dat nu althans de grote vragen in de Kerk aan de orde komen, waarvan destijds geen sprake kon zijn. Dankbaar zijn wij voor een publicatie als het Herderlijk schrijven over de R.K. Kerk.
Hoeveel heeft de Kerk al gesproken. Maar ook hier geldt o.i.: In de menigte der woorden ontbreekt de overtreding niet.
Moet nu inderdaad de Kerk over alle dingen spreken of zou het niet veel beter zijn geweest, als de Kerk haar publicatie over Nieuw-'Guinea, die zoveel oorzaak was van verwarring, en die over het Christen-zijn in deze tijd, in portefeuille had gehouden ?
Waarom die haast ten aanzien van de voorstellen om de vrouw tot de ambten toe te laten ?
Voorstellen, die niet los gemaakt kunnen worden van de geest van deze tijd, en die evenmin als de andere publicaties voor ons het verlossende woord konden brengen.
In een in oktober '56 verschenen rapport dat door de Generale Synode aan de Kerk als een handreiking voor het gesprek der richtingen is aangeboden lezen wij :
, , Wij moeten ons er van bewust zijn, te spreken binnen de ruimte der Kerk, hetgeen inhoudt, dat wij inbrengen datgene, wat wij van het bijbelse getuigenis hebben verstaan en dat wij bereid zijn ons te stellen onder het gezag van de Heer der Kerk en onder de leiding van Zijn Geest".
Dan wrijft men zijn ogen uit. Is dit kerkelijk gedacht ? Welk een individualisme dat , , opnieuw" probeert te beginnen, met voorbijgaan — opzettelijk of ongewild — aan wat in een worsteling van de eeuwen door de Kerk van Gods Waarheid is verstaan.
Hoe heeft de oude Kerk gezocht en gestreden, gebeden en geleden, hoe is er door de vaderen geworsteld en als wij dat alles bedenken — zeide ds. Tromp, wat zijn wij dan een geslacht van kleine, bloedloze epigoontjes, die niet eens in staat zijn zo te spreken, zo te vorsen. Wat een schamelheden ! Daardoor ook — ik citeer ds. Tromp — een prediking, die op de duur een gemeente moet ondervoeden.
Eén onzer kerkelijke hoogleraren schreef eens over de belijdenis als vredestichter. Mét de belijdenis begint het gesprek op de juiste wijze. '(Ds. Tromp in , , De Waagschaal", 14 december '46).
In deze en soortgelijke publiciteit gevoel ik mij als in een geheel vreemd klimaat van gedachten.
, , Niet de dogmatische uitspraak, maar de klaarblijkelijke zin der belijdenis-uitspraak van het belijden der Kerk heeft als norm in het gesprek te gelden. Het vraagstuk der hanteerbare normen voor de Kerk van Christus behoort geheel bezien te worden vanuit het gezag van het belijden van Jezus Chrisitus als hoofd der Kerk en wel volgens het getuigenis des Geestes, dat in de Heilige Schrift tot ons komt", (Pagina 66).
Wat betekent dit: „Niet de dogmatische uitspraak, maar de klaarblijkelijke zin der belijdenis-uitspraak in het belijden der Kerk norm in het gesprek".
Is dan in de belijdenis-uitspraak de zin niet gegeven? Is dan achter de woorden de zin verborgen gebleven ?
Geldt hier van de belijdenis soms ook: Zich verbergen in de openbaring ? Heeft men gezegd, wat men toch eigenlijk niet zo bedoelde ?
Het gaat niet om de woorden, maar om de zaken der woorden, zou men kunnen zeggen, maar van deze uitspraak ben ik niet gediend. Men maakt onderscheid en ergens tegenstelling tussen Woord Gods en Bijbel, tussen religie der belijdenis en de belijdenis.
Als prof. Van Niftrik over Zondag 10 handelt, dan is hij het met de religie van Zondag 10 wel eens, maar met Zondag 10 niet.
In deze brochure, die ongetwijfeld der bestudering waard is, is ook een passage gewijd aan de Gereformeerde Bond. Soms moest ik wel eens denken : geldt dat ook van de Gereformeerde Bond?
Dan werd ik wel herinnerd aan wat destijds door een studie-commissie van de Vrijzinnig Hervormden opgemerkt werd over sommige passages in het synodale geschrift inzake de leer aangaande de Heilige Schrift: Deze publicatie is hier, blijkbaar uit vrees om namen te noemen, in verwarring stichtende algemeenheden blijven hangen. (De Bijbel, Rapport over' de synodale publicatie enz. samengesteld door de Studie-Commissie van Vrijzinnig Hervormden in Nederland. 1954, pag. 13).
In de Handreiking voor het gesprek der richtingen lezen wij op pag 18 :
, , Teleurstellend is echter dat de houding van de Gereformeerde Bond veelal negatief is ten aanzien van alles, wat in de Ned. Herv. Kerk bezig is tot ontwikkeling te komen. Dit is daarom des te erger, omdat de vragen, die juist in zijn midden leven, hierdoor ook veel te weinig doorklinken in het huidige kerkelijk gesprek.
Wij denken hierbij aan de vraag naar de verhouding van geloof en bevinding, verbond en verkiezing, het heil in Christus en de toeëigening van het heil door de Heilige Geest. En niet het minst aan de vraag naar de functie van de belijdenis der Kerk. Wij hopen voor de voortzetting van het kerkelijk gesprek op een steeds toenemende openheid bij de Gereformeerde Bond voor het Hervormd kerkelijk denken. Een hernieuwde studie van de nadere reformatie zou hiertoe ook genezend kunnen werken. Wij zien met verlangen uit naar het ogenblik, waarop de Gereformeerde Bond niet langer alleen maar waarschuwend de vinger opheft, maar zijn eigen plaats en functie in het geheel der Kerk erkent en vervult. Het zou voor henzelf het einde kunnen betekenen van de worsteling in eigen kring, waarbij „het sectetype" in theologie en prediking zich steeds weer tracht breed te maken ten koste van Gereformeerde inzichten, terwijl hij als , , het richting-type", gesteld in de ruimte van de ecclesia catholica allen zou kunnen dienen tot een rijker verstaan van Gods openbaring. Tot op heden is echter in de Gereformeerde Bond weinig aan de dag getreden van dit verlangen naar deelneming aan het kerkelijk gesprek".
Tot zover de handreiking voor het gesprek der richtingen. P. 18/19.
Het is niet onze bedoeling hierop breed in te gaan. Al lezende wees ik reeds op de pretentie, die ligt in de kwalificatie „het Hervormd kerkelijk denken". Dat wij op zeer deskundige wijze worden voorgelicht over de mannen van de nadere reformatie weten onze lezers van „De Waarheidsvriend" zeer wel. Dat wij onze eigen plaats en functie in het geheel moeten erkennen en moeten vervullen zullen wij ons voor gezegd houden.
Ik zou niet gaarne willen spreken van onze inbreng in het geheel van de Kerk. Liever denk ik aan het apostolisch vermaan van de apostel en pas dit ook toe op de vaderen : Gedenkt uwen voorgangeren, die u het Woord Gods hebben verkondigd en volgt hun geloof na, ziende de uitkomst van hun wandel, , , Deze voorgangers hebben het Woord Gods tot hen gesproken en in hun woord is derhalve reeds een bezit geschonken, dat de gemeente nimmer mag verwaarlozen". (Van Oyen, Brief aan de Hebreen, a.l.).
Zo is er een komen en gaan der generaties, de een geeft het heil weer over in de handen van de ander, maar wat ook wijzige en wankele : Jezus Christus, de overste leidsman en voleinder des geloofs blijft dezelfde ; om Hem gaat het en wee, als wij de leer van. Christus losmaken. Met de Herv. Kerk en haar belijdenis is voor ons gegeven, wat ook in deze tijd van voortgaande ontkerstening het enig houvast kan zijn. De betekenis van de Kerk is overal teruggedrongen. De golven van de tijdgeest zijn over de drempel van de Kerk gekomen.
Is de Kerk een eiland van rust in een onrustige, doodvermoeide wereld, eiland van troost in de grondeloze ellende en jammer van de wereld ?
Jaren geleden schreef dr. Woelderink (Geestelijke nood van deze tijd, 1936, pag. 27) : De Kerk is niet minder ontkerstend dan het volksleven en daarom mag gezegd, dat de geestelijke nood van deze tijd gelegen is in de krachteloosheid der Christelijke Kerk. Haar ontrouw, haar gebrek aan geloof en liefde zijn zo groot, dat de grens tussen Kerk en wereld is uitgewist".
Is het in de loop van deze 20 jaar beter geworden ? Wat is onze taak ? De Kerk herinneren aan haar adel, herinneren aan wat de Here, die alleen wonderen werkt, in verleden tijden aan haar heeft gedaan en geschonken. Wij denken aan het woord : Hoewel gij leraars behoordet te zijn vanwege de tijd, hebt gij wederom van node, dat men u lere welke de eerste beginselen zijn. (Hebr. 5:12). Hier is geen hoogmoed aan 't woord, geen breuk in de solidaire verbondenheid met de Kerk in haar armoede, niet de ontkenning, dat wij samen ziek zijn geworden, maar de belijdenis, dat er alleen heil zal zijn in een wederkeer tot datgene, wat de troost en de hope en het houvast is geweest van het vrome voorgeslacht.
Samen ziek geworden, liever verdoold. Maar hier ligt onze schuld. Ik kan het niet beter zeggen, dan Calvijn : Inderdaad moeten wij wel bedenken, dat de verschrikkelijke ontreddering, die thans zo erg in de wereld is, dat heel de dienst van God verdorven is en dat het Woord Gods vervalst is en de sacramenten zijn verbasterd, een rechtvaardige wraak is op onze zonden. Tot wien moeten wij dus anders de toevlucht nemen om weer te juichen over de rechte leer, de sacramenten en van de vrijheid om de naam des Heren aan te roepen en belijdenis te doen van ons geloof anders dan tot Hem, die ons kastijdt door ons van deze weldaden te beroven? (Calvijn). Is de Here ons ons loon aan het uitbetalen ? Waarom verstokt gij ons hart, dat wij U niet vrezen ?
Verstaat de Kerk wel voldoende haar critische taak tegenover de wereld ? De Kerk moet niet met de wereld meelopen, zegt prof. Aalders. (Roeping der Kerk, pag. 166).
, , Onheilige Kerk is der wereld onnut, der hel een belaching, de hemel een afschuw". (Spurgeon). Hebben de profeten ons niet gewaarschuwd, dat daar het onderscheid ligt tussen ware en valse profetie, dat de ware profetie opriep tot bekering, het kernwoord der profetie, terwijl de valse profeet zonder alternatief een optimisme op grond van een natuurnoodwendig verbond predikte ? Of is de Kerk bang, populariteit in te boeten. ? De waarheid Gods is absoluut; wee, als wij met haar zoeken te transigeren. De Kerk kan noch mag principieel verdraagzaam zijn.
Was het maar meer dan een woord, als men spreekt van de onbeperkte heerschappij des Heren, die alleen in de Kerk geldt. Want inderdaad Barth heeft gelijk als hij zegt, dat niet de genialiteit van de enkeling, noch het instinct of het enthousiasme van de massa de Kerk heeft geschapen. De geheime keuze Gods is het fundament van de Kerk. Dat is de enige rust, de zekerheid, de stootkracht van de Kerk, die zij nodig heeft.
In de trouw aan hare Koning zal de Kerk sterk staan en getroost worden, dat de poorten der hel haar niet zullen overweldigen. , , Midden in de dood zal zij blijven leven en ook in de laatste vertwijfeling zal zij vrij worden door Gods kracht en hulp. Dat ene zal ons voldoende zijn om ons te versterken. Wij hebben, een leidsman, die zo onoverwinlijk is, dat Hij des te meer overwinningen en triomfen in Zijn hand heeft, naarmate Hij meer wordt aangevallen".
1) Rede uitgesproken op de Jaarvergadering van de Gereformeerde Bond op 2 mei te Utrecht door dr. H. Bout.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's