GESPREK
Zoals men zich zal herinneren, schreven wij in De Waarheidsvriend d.d. 4 juli onder de vraag : Is het dan niet zo ? naar aanleiding van een opmerking van ds. L. in „De Hervormde Kerk", over een uitspraak van de voorzitter van de Bond van Mannen verenigingen, de heer Noteboom.
Thuis komende van vacantie-reis, vind ik een nummer van , , De Hervormde Kerk", mij toegezonden door haar redactie, van 20 juli j.l., waarin ds. L. op mijn stuk terugkomt: Hoe is het dan wel ? Gesprek met prof. dr. J. Severijn.
Welnu, wij zijn gaarne bereid het ..gesprek" voort te zetten.
He.t stuk van ds. L. gaat over twee zaken : 1. De wijkgemeenten en 2. Modaliteit ?
Onder het eerstgenoemde brengt hij een „voorstel", te Woudschoten besproken, in het geding, waarvan ik mij op het ogenblik niet herinner, hoe en wat, zodat ik deze zaak even laat liggen.
Wat ds. L. over punt 2. Modaliteit? aan de orde stelt, geeft echter genoegzame stof om reeds nu verder te spreken.
Het vraagteken achter het woord Modaliteit wordt verklaard uit het feit, dat ds. L. daarmede ook niet zo hard wegloopt. Hij vindt, dat er iets , , iriterends" in dat woord zit en merkt daarbij op, dat het ook , , gelukkig" in de kerkorde niet voorkomt. Alleen in een overgangsbepaling. Wij achten dat een rede te meer om er dan ook niet mede te werken en kunnen niet nalaten de aandacht van ds. L. er op te vestigen, dat de kerkorde-commissie geen modaliteiten-kerk op het oog heeft gehad. De gedachte aan een modaliteiten-kerk is niet kerkordelijk, zoals ook bij de bezwaren tegen , , Overgangsbepaling" 238 aan de dag kwam. Het geeft dus te denken, dat er toch zo grif over modaliteiten gesproken wordt en zo weinig aan een waarachtige kerkelijke eenheid wordt gewerkt.
Ds. L. denkt ook aan een eenheid, en daarom heeft hij wellicht niet helemaal vrede met het woord modaliteit:
Hij zegt:
"Het duikt pas op, als de grenzen van de Kerk in zicht schijnen te komen. Er is een „minderheid" die niet „aan haar trek" kom De visitatie komt er bij en constateert, dat men zich toch ook daar, zij het „op een wat andere manier beweegt op de weg van het belijden der Kerk. Maar het grote gevaar van een te vlot gebruik van dit begrip „modaliteit" is, dat de vraag naar de waarheid, waarom het in het Evangelie gaat, en waarom het ook in het belijden van de Kerk moet gaan, wordt ontweken"
Wat dit laatste aangaat; die vraag wordt kennelijk ontweken. Daarom is het ook van weinig betekenis, wat hier van de visitatie wordt gezegd, omdat het volmaakt onduidelijk is, wanneer „men" zich in de weg, nog in de weg van het belijden der Kerk beweegt en wanneer dat niet of niet meer het geval is.
Letten wij voorts op de volgende zinsnede van ds. L., dan schijnt er toch een raakpunt aanwezig te zijn : , , En daarom zit er iets in, als prof. S. zegt: , , Wij willen niet dat men ons zegt, dat wij een , , eigen" predikant mogen hebben, omdat wij een „modaliteit" zijn. Dit druist tegen een gezond kerkbegrip in".
En toch redeneert ds. L. uit een geheel ander kerkbegrip dan hetgeen hij in de belijdenis der Kerk aantreft. Dat is niet alleen de eigenlijke aanleiding tot dat gesprek, maar wellicht ook van een langs elkander heen praten.
Ds. L. heeft ook een geheel andere eenheid voor ogen, een eenheid, waarbij: de verscheidenheid van weinig belang wordt geacht. Het valt niet zo gemakkelijk uit te maken, hoe hij zich dit voorstelt, doch als hij opmerkt, dat de Waarheid Gods en ons belijden niet op hetzelfde niveau liggen, kunnen wij enigermate vermoeden, uit welke beschouwing hij redeneert.
De eenheid ligt dan in wat hij wil begrepen hehben onder de uitdrukking : , , de Waarheid Gods".
Daarover ware ook op orthodoxe wijze te spreken, a.h.w. vanuit de belijdenis der Kerk. De eenheid der Kerk ligt in Hem, die is de Weg en de Waarheid en het Leven. De Schrift noemt de Kerk het lichaam van Christus.
Zo kunnen wij ook zeggen, dat de eenheid in de Waarheid Gods is, d.i. in de hemel, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods.
Wij hebben echter van doen met de Kerk op aarde en zo waarlijk de eenheid van die Kerk in de Christus zelf ligt, zo waarlijk kan die eenheid op aarde alleen openbaar worden in het gemeenschappelijk getuigenis van de geestelijke verbondenheid met die Christus: m.a.w. in de gemeenschappelijke belijdenis des geloofs.
Zo heeft de Kerk het ook altijd gezien en het ligt dan ook voor de hand, dat over de verscheidenheid van het belijden niet gesproken wordt.
Eén Geest is het, de Geest van Christus, die al de Zijnen onderwijst in het Woord Gods en inleidt in de uitnemende kennis van Christus, één Geest, die getuigenis geeft in de harten, hoe anders dan in een gemeenschappelijk getuigenis kan dan de eenheid des Geestes openbaar worden?
Daarom worden wij. hier bepaald bij een functie van de kerkelijke belijdenis, die zo heel belangrijk is, niet alleen voor de onderhouding van een gezond kerkbegrip, maar ook van een gezonde Kerk.
Wij willen niet ontkennen, dat ook binnen het kader van de kerkelijke belijdenis verscheidenheid van gevoelen en opvatting kan voorkomen, doch ook déze heeft haar grenzen. Dat erkent ook de kerkorde, welke immers wil, dat geweerd wordt, wat in strijd is met het belijden der Kerk. Deze uitdrukking intussen heeft van meetaf iets onbehagelijks gehad. Waarom niet concreet de belijdenis, inplaats van het belijden ?
Men heeft derhalve toch gedacht aan grenzen, aan ontoelaatbare leringen of beschouwingen. Men heeft aan uitingen, woorden, formuleringen gedacht, al huiverden sommigen bij de gedachte aan leertucht in de praktijk.
Verscheidenheid binnen het kader der belijdenis des geloofs, maar eenheid in de fundamentele stukken : b.v. — dat mag in onze tijd wel eens worden opgemerkt — in het geloof omtrent het goddelijk gezag der Heilige Schrift, want de afwijking in dit fundamentele stuk is een bron van onheilige verwarring, misleiding en eigengerechtigheid in de Kerk als geen andere. Wat betekent de uitdrukking : trouw aan Schrift en belijdenis, als ieder daarover 't zijne denkt?
Formeel schijnt er dus wel overeenkomst te zijn met een standpunt, dat wij in de discussie wel hebben vernomen, aangaande een verscheidenheid binnen het kader van artikel X van de kerkorde.
Die overeenkomst zou zelfs ook materieel aanwezig zijn, indien men de in artikel X genoemde belijdenis aan het non-actief onttrok en deed funtioneren, althans ernst ging maken met de bezinning over de methode, welke men zóu kunnen volgen om haar allengs te doen functioneren.
Tot nog toe heeft men zich over deze vraag weinig of niet bekommerd. Er komen geen aanklachten, dus alles beweegt zich in de weg van het belijden der Kerk.
Wij zijn ervan overtuigd, dat er zijn, die er zo over denken, doch zij misleiden zichzelf en verzuimen hun roeping, als zij in de regering der kerk zitten en zich op dit stuk niet herzien.
Wij kunnen dus ons geloof, dat wij als het gemeenschappelijk geloof der Kerk in de belijdenis terugvinden, niet als , , het eigene" zien tegenover , .de Waarheid Gods", zoals ds. L. ons wil opdringen. Wij zien en gevoelen het geloof, dat in de belijdenis aan het woord is, als het geloof der Kerk en als de Waarheid Gods, zoals die door de Kerk wordt verstaan.
Onderstel dat wij ons geloof als iets , , eigens" omtrent of tegenover de Waarheid Gods zouden verstaan en het, , eigene" van anderen op gelijke voet, dan zou het gevolg zijn, dat de Kerk een conglomeraat van eigen opvattingen zou wezen omtrent een Waarheid, die boven de Kerk zweefde.
Integendeel, wij ontdekken ons eigen geloof in de belijdenis als het gemeenschappelijk geloof der Kerk, waaraan wij door genade deel mogen hebben.
En wij geloven, dat het God heeft behaagd Zijn Waarheid in het geloof der Kerk op aarde te doen voortleven.
Daarom is eenheid in belijden de openbaring van de eenheid des Geestes, die in de Waarheid leidt.
Nog een paar opmerkingen.
Het zal wel te goeder trouw zijn, maar een misverstand is in het artikel van ds. L. ingeslopen. Hij legt mij de woorden in de mond: , , Wij hebben recht op een plaats in de Kerk, omdat wij trouw zijn aan Schrift en belijdenis". Ik zie niet, dat ik deze zinsnede geschreven heb, maar het behoeft geen betoog, dat degenen, die trouw begeren te zijn aan Schrift en belijdenis, legitieme leden der Kerk zijn. Daarover geen verschil.
Wèl heb ik in het door ds. L. opgenomen stuk een andere stelling geschreven : n.l. dat de gemeente recht heeft op een prediking naar de confessie.
En dat degenen, die zulk een prediking niet wensen te horen, in de Kerk geen recht kunnen doen gelden op een prediking, die met de fundamentele stukken der belijdenis in strijd is.
Daarop is ds. L, niet ingegaan, maar inplaats daarvan wil hij het doen voorkomen, alsof dezerzijds beweerd werd: dat alleen zij, die tot de Gereformeerde Bond behoren, kunnen verklaren een prediking voor te staan, die naar de confessie is.
Ten eerste is dat dezerzijds niet beweerd, en ten tweede is dit een verschuiving en een soort afleiding van de zaak, die wij objectief als kerkrechtelijke stelling hebben voorgebracht, naar het subjectieve vlak.
Daarom nog eens : Beweerd is door ons, dat de gemeente recht heeft op een prediking naar de confessie en dat niemand in de Kerk recht kan doen gelden op een prediking, welke daarmede in strijd is.
Dit behoorde voor ieder vanzelfsprekend te zijn en zó duidelijk gehandhaafd, dat het niet langer aan particuliere menigen en verklaringen werd overgelaten, of men en hoe men een prediking naar de confessie voorstaat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's