ONZE VERANTWOORDELIJKHEID IN DE KERK VAN VANDAAG 1)
II.
Geen negativisme bekoort en beheerst ons, als wij wijzen naar de weg terug, als wij arbeiden en bidden om de heerschappij van het Woord Gods in onze Kerk, om de levende onderwijzing van Gods Woord in de illuminatio door de Heilige Geest. Ontdek onze ogen, dat wij zien de wonderen Uwer wet. Geve Gods Geest ons meer ijver voor de zaak des Heren; onze gebreken overtreffen verre, onze deugden.
Waar is de ijver voor het huis des Heren, die ons verteert ? Waar is de pijn, als men Gods eer te na komt, als de leer des heils verdorven wordt en de Kerk in verwarring gebracht ?
Zouden wij niet bedreigd worden door de zonden van halfhartigheid en zelfgenoegzaamheid, van hoogmoed en eigendunkelijke betweterij ?
Lopen wij misschien aan ons zelf voorbij ? Zoeken wij onze eigen kerkelijke zonde met die van anderen te verontschuldigen ? Beleven wij niet, wat wij belijden ? Weten wij de dingen, aanvaarden wij de schriftwaarheden, maar heeft de waarheid ons niet overweldigd en veranderd? Waken wij zelf genoeg tegen inslapen ? Is er bij ons misschien de zelfverzekerdheid van de geestelijke arrive ? Zijn wij traag en zorgeloos ? Ligt het gevaar van Farizeïsme niet vlak bij ?
Waar is de heilige verwondering? , , Wij zijn maar nietige" aardwormen, schepselen vol ijdelheid, allen tezamen genomen maar leugenaars. En God wil, dat wij Zijn waarheid verdedigen, een eer, die zelfs de engelen niet te beurt valt". (Calvijn).
Hij die spreekt moet onderricht ontvangen. En niemand zal bekwaam zijn om de wil Gods aan anderen te verklaren of hij moet daarin zelf dagelijks toenemen.
Geeft de Here ons in deze tijden de kans te laten zien, wie en wat wij door genade zijn geworden ? Het kan zijn, dat de worsteling met allerlei dwaling ons steeds dieper fundeert in de waarheid.
En bovendien, Ergens schrijft Smytegelt: Gij moet niet alles op ons schuiven. Zijt gijlieden traag, meent niet dat uw predikanten engelen zijn en dat zij ook niet eens traag kunnen worden. Ja God geeft dit wel eens als een oordeel! Wij hebben gezondigd, wij en onze vaderen. De geschiedenis der Vaderlandse Kerk te bestuderen is heus niet altijd even opwekkend. Welk een getwist, welk een zoeken naar eigen eer, welk een wereldszin. Het is een eeuwig wonder, dat. de Kerk nog staat. Hebben wij daar wel eens zorg over, over het verliezen van het Woord Gods ? Is het oordeel van de profeet Amos alleen voor zijn tijd? (Amos 8 : 11). Wij weten wel beter: De afval komt niet of eerst moeten de herders God verlaten.
Erg bang voor de beschuldiging van conservatisme en repristinatie zijn wij niet. Er ligt grote waarheid in wat Berkhof zegt: Het conservatisme der gemeente kan , , verkapte eeuwigheid" (Noordmans) zijn en haar sloomheid de verwrongen uitdrukking van een diep vertrouwen in de overmacht van Gods werk. (Wending, 1950, pag. 231.)
Is er in ons midden niet een zich onttrekken aan het nemen van verantwoordelijkheid? Ik bedoel dit niet zozeer in de zin van de Kerkorde.
Daar neemt de Kerk vele verantwoordelijkheden op zich, die zij niet kan dragen vele en velerlei taken — het moet alles.
Maar de waarschuwende stemmen over het activisme van de Kerk, waarmee zij dreigt vast te lopen klinken reeds nu. Dr. Miskotte : , , De empirische Kerk houdt het niet — waarbij hij niet denkt aan haar machtspositie of haar bevoorrechting, maar aan het offensief; de vrees roept donkere voorgevoelens op, dat de empirische gemeente zelf in zo uitgebreide mate object van evangelisatie zal moeten zijn, dat de kernen die het werk naar buiten moeten wagen, , te klein worden om het te dragen". (Prof. Miskotte, De mens in de gemeente. Wending, juli/aug. '50, pag. 239).
Ik bedoel of wij meedragen, meeleven, meebidden om de ere van God en uit medelijden met degenen, die ten dode wankelen.
Het hart bloedt om de scheuren in de moederkerk, om de geesteloosheid. Mag ik eens aan het verleden herinneren : W. Teellinck zuchtte, dat het Gereformeerde christendom merendeels maar een naam was, zonder daad, een lichaam zonder leven, een zon zonder licht. De Middelburgse gemeente was niet vrij van scheuringen, ergernissen, schandalen, flauwigheden, hovaardij en onmatigheden, ontuchtigheden.
Of ik luister naar Voetius (in zijn afscheidsrede Heusden 1634) : , , Gij, die de verschillen in de religie weet te ontleden tot de ruimste stukken toe, ontleedt gij uw eigen consciëntie niet ? Zulke preciesheid is verre te verkiezen boven de gemene sleur, boven ongeresolveerde en slappe belijders, halfbakken gereformeerde pronkchristenen met een middelmatige godzaligheid".
Schortinghuis : , , Mijn ziel werd zo met Hem opgetrokken en verrukt, dat de woorden mij ontbraken om het naar werkelijkheid uit te drukken. Duizend maal van Jezus gehoord, gelezen en gesproken en nooit te voren heb ik Hem als zulk een volkomen, overdierbare Heiland in Zijn onmisbaarheid, schoonheid en bereidwilligheid gezien".
Is er bij ons de vernederende zelfontdekking ? God dienen om Gods wil! Welk een armzalige, zelfzuchtige beweegreden soms, wat een egoïsme met een vroom tintje. Welk een gemakzucht. Als ik maar elke zondag een goede preek hoor, als mijn kinderen. .. ., als ik.... Maar hebben wij wel oog voor heel de Kerk en heel het volk ?
Calvijn : Het geloof is geen frigida notitia, sed quae corda nostra inflammat in amorem Christi. Het is geen vacua et meteorica speculatio.
Het geloof is geen koude kennis, maar zulk één, waardoor het hart in vlam gezet wordt in liefde tot Christus. Het is geen ledige en ijdele beschouwing.
Paulus weet van het gevaar, zelf verwerpelijk te worden, terwijl men anderen predikt. Bij Paulus vinden wij de sterke waarschuwing: Rom. 8:9: althans, indien de Geest Gods in u woont.
Lijken wij met ons strijden voor de waarheid op Mondchristen ? Nette mensen, wellevende mensen, beschaafde mensen zijn de heiligen der wereld.
, , Op een afstand gezien ziet hij er beter uit dan vlak bij. Hij kan praten over alles. Elk onderwerp interesseert hem ; ethische en dogmatische kwesties, diepe en bevattelijke waarheden, alles is van zijn gading. Hij telt de poorten en de torens van Jeruzalem, maar heeft geen begeerte om daar burger te zijn. De godsdienst neemt geen plaats in, in zijn huis noch in zijn hart. De ziel van de godsdienst is de beoefening". (Bunyan).
Zet het burgerschap in de hemel een stempel op het leven van vandaag? , , Ein Stehen und Warten in der Vorlaüfigkeit menschlicher Existenz, die sich von der Ewigkeit Gottes umfaszt und gehalten weisz". (Eichrodt). Wat een wereldgelijkvormigheid in onze kringen! Wereldgelijkvormigheid d.i. zich in levenshouding voegen naar de wereld, in doen en in laten, in spreken en in waarderen. Waar is het andere leven dan dat van de wereldling ? Het zich verheugen over aardse goederen is dan een zich verheugen over het hebben van God.
Wandelt met wijsheid bij degenen, die buiten zijn. Getuigenissen uit het verleden genoeg. Justus Martyr schreef : Wij, die eens de wellust dienden, jagen thans naar reinheid des levens, die eens de toverkunsten bedreven, hebben ons de eeuwige God gewijd. Wij, die eens ons zelf liefhadden boven alles, delen nu wat wij hebben met de nooddruftigen. Wij bidden voor onze vijanden, wij zoeken wie ons ten onrechte haten, te overtuigen, opdat zij naar de heerlijke leer van Christus leven en daardoor in de eeuwige hope mogen delen.
Wij — willen en mogen wij' elke dag van genade leven ? Zijn wij een volk, dat alleen woont ? Of zou men ook van ons moeten zeggen :
, , The church to-day lacks converting power because the majority of its members are not convinced Christians". (Toward the conversion of England, pag. 75).
, , De Kerk van vandaag mist bekerende kracht, omdat de meerderheid van haar leden geen overtuigde christenen zijn".
Maar de , , ander en" dan ?
Wij denken aan de dagen van de Remonstrantse twisten. De resoluties tot onderlinge verdraagzaamheid deden in vele plaatsen goede diensten om de gereformeerden te keren en de remonstrantse prediking op de kansel te brengen. Ik vraag : is dit alleen geschiedenis?
Trigland vroeg in 1617 aan de Prins om vrije exercitie van de religie — al was het maar in huizen en schuren, dan zouden zij de Arminianen wel doodpreken. Doch de Prins had geantwoord : „Wat ? Zullen wij in huizen en schuren gaan ? De Kerken komen ons toe!" Ik vraag weer : Is dit alleen geschiedenis ?
Van de allerheiligste in dit leven zegt de Catechismus, dat hij slechts een klein beginsel heeft van de ware gehoorzaamheid. Als dat geldt van de enkele gelovige, dan is het niet te verwonderen, dat de Kerk, een gemeenschap van zondaren, eveneens onvolmaakt is. Maar is onze Kerk nog wel een Kerk ? Wordt de waarheid er niet in verkracht ? Is er niet een tijd, dat, wij moeten zeggen: Nu moet ik er uit?
Vele zijn de gebreken der Kerk. De Kerk is geen vereniging van gaande en komende mensen ! Het kerkelijke indifferentisme neemt toe. Velen verwisselen van kerk, zoals men van jas verwisselt of van hotel, omdat de bediening of de keuken de gast niet zint. Het is goed, dat wij die hier over de Kerk samenspreken, niet in de eerste plaats vragen : wat heb ik aan de Kerk, maar wij zullen het moeten omkeren : Wat heeft de Kerk aan mij ?
Ik kan er niet uit — al zoude ik willen. Ik wil er niet uit — al zoude ik kunnen. . Ik mag er niet uit — al zoude ik kunnen en willen. Het defaitisme, dat oordeelt: het is toch niets, doet tekort aan het geloof in de kracht van het Woord Gods.
Het doet pijn, als men ergens op een hoge kerkelijke vergadering, althans zo las ik het in een dagblad, verklaarde, dat de Herv. Kerk een valse kerk is. Dat hier op een on theologische wijïze met de toelij denis wordt omgesprongen is duidelijk.
Dat er een grote breuk door de Kerk heenloopt is niet te ontkennen. De heilswaarheden worden ook onder de nieuwe Kerkorde ontkend of misduid. Van de zijde van de Synode hebben wij' dogmatisch materiaal ontvangen, dat in flagrante strijd is met de belijdenis.
Wij menen in genen dele, dat het ware leven Gods alleen bij ons zoude zijn —dat ware puur zelfbedrog en een schrikkelijke hoogmoed, miskenning van de vrijmacht des Heiligen Geestes.
Maar erg bevreesd zijn wij, dat men bezig is een schijneenheid te kweken, verdoetzelende, dat het geloof nooit één kan zijn, als het niet wèl gefundeerd is.
Als men b.v. de Doornse stellingen de Kerk instuurt en daarvan zegt: Zie, laat de Kerk dit nemen als een kruk, om te leren lopen '-— als een thema-boek, om opnieuw te leren lezen, dan mogen wij toch eerder terecht verwijzen naar de belijdenis, die de Kerk in gebed en in strijd heeft aangenomen.
Het gaat niet aan om gemakkelijk te zeggen : het gaat toch om de onzichtbare Kerk, als ik daar maar lidmaat van ben.
Dat doet men met de roeping soms evenzo. Het is maar de uitwendige roeping zegt men. Het moet levend worden I 't Is Gods Woord niet — maar het kan het worden. Hier liggen de gevaren van de Doperse ideeën.
Calvijn heeft de onzichtbare en de zichtbare Kerk zeer nauw op elkaar betrokken.
Dat blijkt ook uit de Ned. Geloofsbelijdenis: Dat ieder schuldig is zich bij de ware Kerk te voegen, buiten dewelke geen zaligheid is.
Dit geldt ook enigermate, zegt Calvijn, van de uitwendige Kerk. (Inst.).
Bij de Hervormers zult u heus niet zo gemakkelijk op indifferente wijze over het instituut van de Kerk horen spreken.
Terecht zei Aalders: , , Hoogtepunten van geestelijk leven zijn altijd hoogtepunten in het kerkelijke leven geweest". (Aalders, Roeping der Kerk, pag. 43).
Bij de ingezonkenheid van het kerkelijke en geestelijkeleven ligt er troost in iii de Institutie van Calvijn te lezen: „God bewaart er immers Zijn Woord en ministerie ter wille van Zijn uitverkorenen, terwijl de vromen met de misdaden der goddeloze dienaren geen gemeenschap hebben.
Alhoewel dan de droevige woestheid en eenzaamheid, die ons alom voor ogen komt roept en betuigt, dat er niets van de Kerk is overgebleven, laat ons nochtans vasthouden, dat Christus' dood vruchtbaar is en dat God Zijn Kerk in schuilhoeken bewaart."
Dathenus gaf toe, dat het geoorloofd was de kinderen te laten dopen in de Lutherse Kerk te Frankfort.
God bewaart er immers, al overtreft het goddeloze deel het betere, Zijn Woord.
„De reine dienst van Gods Woord en het onvervalste gebruik der sacramenten Is, gelijk wij zeggen, een bekwaam pand en merkteken om ons te verzekeren, dat wij die vergadering gerust mogen omhelzen voor een ware Kerk. Ja, daar zal zelfs hetzij in de bediening der leer, hetzij in de uitdeling der sacramenten, iets gebrekkigs inkruipen, hetwelk ons van haar gemeenschap niet behoort te vervreemden.
Want de hoofdstukken der leer zijn niet alle van eenzelfde betekenis. De kermis van, sommige hoofdstukken is zo noodzakelijk, dat ze bij allen voor vast en ontwijfelbaar moeten worden gehouden.
Gelijk daar zijn deze, te weten, dat er een enig God is ; dat Christus is God en de Zone Gods dat onze zaligheid bestaat in Gods barmhartigheid en dergelijke.
Als Paulus zegt: zovelen dan, als wij volmaakt zijn, laat ons dit gevoelen.
Maar dewijl ieder mens is bedekt met enige duisterheid der onwetendheid, zo zullen wij of in het geheel geen Kerk over laten blijven op aarde, of wij zullen misverstanden over het hoofd moeten zien die iemand zou mogen hebben in zulke zaken, in welke men zonder het fundament der religie öm te stoten en zonder verlies der zaligheid mag onwetende zijn". (Inst. IV, I, 1, 12).
In het verdragen van de onvolmaaktheden in het leven der gelovigen gaat Calvijn nog veel verder. (Inst. IV - 1, 13).
De Kerk, zegt Calvijn, is een akker met goed koren bezaaid, maar die door de listigheid van de vijand met onkruid verontreinigd wordt, waarvan zij niet gezuiverd wordt, voordat de oogst in de schuur wordt verzameld. Calvijn wijst op de Kerk van Corlnthe, die met alle gruwelijke zonden besmet was. Slaat Paulus haar met de banbliksem van de vervloeking?
Al te grote hardheid vloeit voort uit hoogmoed en Calvijn is het eens met Augustinus : Wij moeten met ontferming bestraffen en vegeteren hetgeen wij kunnen en wat wij niet kunnen verbeteren met lijdzaamheid verdragen en met liefde bezuchten en bewenen, totdat de Here zulks verbetere en straffe of in de oogst het onkruid uitroeie en het kaf uitwanne.
Wij moeten bedenken, dat in de bediening des Woords en in de uitdeling der Sacramenten meer kracht en gewicht is dan dat al die kracht door de schuld van sommige bozen zoude kunnen verdwijnen en tenietgaan. Al te gemakkelijk geeft men de Kerk een scheidbrief. , , Het is zijn solemnele belofte, die men aan God in tegenwoordigheid der kerke, toen men tot lidmaat aangenomen werd, gedaan heeft te herroepen en te breken. En of men dat een lichte zaak acht en zich behelpt met de uitvlucht, ik wist toen niet beter, de Here zal het nochtans zoeken en vinden. Zal men het verbond breken en onschuldig zijn ? " (W. á Brakel I, pag. 597). En dan: elke gemeente is een complete Kerk. Daarmede gaan wij niet de kant van de independentisten op, maar het is Schriftuurlijk er aan vast te houden, dat de gemeente van Corinthe Kerk heet en is en dat heeft consequentie voor elke plaatselijke gemeente, verantwoordelijkheden en voorrechten. Daarom kan ik niet erkennen, dat de Kerk voor 1940 niet heeft gesproken. Maar als men zich dan beroept op de leiding desi Geestes in een hogere kerkvergadering ?
, , Velen beroemen zich op de Heilige Geest, maar wie hun eigen dingen spreken, die beroemen zich valselijk op Hem".-
Daarom moeten de stemmen niet zozeer geteld, als wel gewogen.
Ook het besluit van een Concilie — en ik meen, dat zulks echt-reformatorisch is — kan ons niet binden, tenzij het in overeenstemming is met het Woord van God.
Het besluit van een kerkvergadering is , , een prae-advies", dat het onderzoek naar het Woord Gods niet verhindert.
Het gaat om de heerschappij van het Woord des Heren en daarom alleen. , , Alle menselijke bedenkselen, die er op gericht zijn de eenvoud en zuiverheid van het Woord Gods te verderven en de dienst, die Hij vraagt en goedkeurt onderste boven te keren zijn met recht heiligschennis, waaraan een christen niet kan deelnemen of hij lastert God, dat wil zeggen: Hij vertreedt Zijn eer met voeten". (Calvijn).
De Koning der Kerk make ons allen getrouw in onze arbeid voor en in de Kerk tot glorie van Zijn Naam.
1) Rede uitgesproken op de Jaarvergadering van de Gereformeerde Bond op 2 mei te Utrecht door dr. H. Bout.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's