DE HEILSORDE
Wat heilsfeiten zijn, is onder ons niet onbekend : de vleeswording des Woords door geboorte uit de maagd Maria, het lijden en sterven des Heeren, de kruisdood. Zijn opstanding ten derden dage, de hemelvaart. Zijn zitten aan de rechterhand Gods. Ziedaar een ganse reeks, "waarin de Zoon des Allerhoogsten geopenbaard is als de door God gestelde Middelaar, om voor de Zijnen te verwerven vergeving der zonde, gerechtigheid, heiligheid en eeuwige heerlijkheid.
Maar nu de heilsorde. Wat moeten wij daaronder verstaan ?
Men hoort nog al eens spreken over voorwerpelijke en onderwerpelijke prediking, nu, dat heeft ook iets met de heilsfeiten en met de heilsorde te maken.
Het is n.l. zó, dat wij niet alleen geloven dat de Zoon van God ons vlees en bloed heeft aangenomen en door de weg van lijden en sterven tot Zijn heerlijkheid is ingegaan, maar wij geloven ook, dat de geestelijke weldaden, die Hij als Middelaar Gods en der mensen verworven heeft voor Zijn volk, t.w. vergeving der zonde, gerechtigheid, heiligheid en eeuwige heerlijkheid, in Hem zijn.
Alle beloften Gods zijn in Christus ja en amen, en de genoemde geestelijke goederen zijn in Hem. Daarom zijn alle de beloften Gods in Christus vervuld en daarom wordt er ook terecht gesproken van een rijke Christus.
Om het woord , , voorwerpelijk" in dit verband te gebruiken : het ligt alles voorwerpelijk, of met een vreemd woord objectief, in Hem, wijl Hij het ganse werk der verzoening naar de wil Gods volbracht heeft. Het heil en alle goederen des heils in Hem, en Hij verhoogd aan de rechterhand Gods.
Wanneer nu de Christus gepredikt wordt en de prediker blijft bij die heilsfeiten en bij het heil, zoals het in Christus is, m.a.w. als hij zijn hoorders alleen bepaalt bij deze dingen, zoals zij objectief in de Christus liggen, dan noemt men zo'n prediking voorwerpelijk, of gelijk het ook wel wordt uitgedrukt: hij preekt een voorwerpelijke Waarheid. Men gevoelt n.l. wel, - dat, indien de prediker zich daarbij aan de Schrift houdt, zulk een prediking toch een prediking der Waarheid is.
Nu de heilsorde, of zoals ook wordt gezegd: de weg des heils.
De vraag doet zich immers onmiddellijk voor, als het alles in de Christus is, terwijl Christus niet meer op aarde, maar bij de Vader is, hoe kunnen wij daaraan deel krijgen? Het moet, zoals Calvijn ergens zegt, ook enigermate in ons komen.
Wat de dogmatiek nu heilsorde noemt bedoelt op die vraag een antwoord te geven. En het zal wellicht niemand verwonderen, dat deze vraag in de loop der geschiedenis zeer verschillend beantwoord is.
Uit dien hoofde is het van belang er eens bij stil te staan, en ook in onze tijd heeft het een goede zin, deze vraag onder het oog te zien, omdat er mensen zijn die geen behoefte hebben aan een weg of een orde des heils. Zij zijn n.l. van oordeel, dat zij bij de verkondiging van het objectieve heil, in Christus voor de mensheid bereid, kunnen blijven staan.
Zulk een oordeel ligt geheel in de onderstelling van een algemene verzoening. God heeft dat in Christus zo gedaan en het is Zijn wil, dat het aan allen ten goede komt.
Men zou kunnen tegenwerpen, dat 't dan toch in deze wereld zou moeten blijken, maar daardoor zou de tegenstander niet in verlegenheid worden gebracht. Hij zou zich beroepen op een nieuwe bedeling der toekomende eeuw, waarin de vrucht van het werk der verzoening openbaar zal worden.
De uitwerking en vervulling van het werk der verzoening ziet men dan eschatologisch, zoals dat heet.
Het werk der verzoening gaat dus gans buiten de mens om naar deze beschouwing en daarin schuilt op zichzelf een waarheid, welke wij ook onderschrijven. God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende. De verzoening en al wat daarmee samenhangt, is evenals de schepping een werk Gods. Een werk van God, en niet de mens wat en God wat.
Voorzover men daarop de nadruk wil leggen, accoord! Daarmede is echter niet gezegd, dat alle mensen in het door Christus verworven heil zullen delen, zelfs zonder daarbij betrokken te worden en buiten hen zelf om.
Alleen die gedachte is reeds absurd, en zo blijft de vraag : hoe krijgen wij persoonlijk deel aan de genade Gods ? Hoe kan ik een genadige God in de hemel vinden? vraagt Luther.
Deze vraag van Luther bewijst reeds, dat hij met God van doen had en dat de goddelijke dingen maar niet zonder meer objectief voor hem bleven. Hij worstelde om genade.
Er moet dus een weg zijn, waarin wij bij deze dingen betrokken worden, met God in levende betrekking komen.
Het kan bij de verkondiging van de objectieve waarheid en de daaruit verkregen kennis van horen zeggen niet blijven, zullen wij ook uit het werk der verzoening leven. Dan toch moet het zijn kracht binnen in ons openbaren.
De oudste Christenen hebben van geen orde des heils gesproken. Het was duidelijk, dat het Evangelie een kracht Gods. tot zaligheid is. De eerste gemeente werd onder krachtige werking van de Heilige Geest geboren. De feitelijkheid was er en openbaarde zich in een krachtig geloof. En zonder beding, geloof komt op uit de gemeenschap met de Christus. Het geloof is de openbaring dier gemeenschap. Dat alles was zo klaar, zo werkelijk, gepaard gaande met wonderen en tekenen, zodat men geen aanleiding had om te theologiseren over de weg, of de orde des heils.
Men zou ook kort en bondig kunnen zeggen, dat het geloof de weg des heils is.
Na deze opmerkingen over de eerste Christenheid behoeft niemand zich te verwonderen, dat ook de reformatoren niet over de orde des heils hebben gedogmatiseerd.
Calvijn gaat, nadat hij in het eerste en tweede boek van zijn , , Onderwijzing" heeft gehandeld over tweeërlei Godskennis : de kennis van God de Schepper en de kennis van God de Verlosser, over tot de behandeling van het geloof.
Het grote stuk der reformatie betrof niettemin zakelijk zeer nadrukkelijk de kern van de weg des heils.: n.l. de rechtvaardigmaking, en het accent viel in tegenstelling met de leer der goede werken naar roomse trant op de rechtvaardigmaking door het geloof alleen.
In dit stuk waren Luther en Calvijn het volkomen eens. Het heeft dan ook een goede zin, te zeggen, dat wij door het geloof de weldaden van Christus deelachtig worden of toeëigenen.
Spreekt men .niet van een „toe eigenend" geloof ?
Met deze uitdrukking zijn wij gekomen aan een punt, dat ons aanleiding geeft over de gevaren te spreken niet van de weg des heils, maar van het delibereren over de weg des heils en van een toepassing, welke geheel in strijd kan komen met het door Christus zelf gegeven getuigenis : „Ik ben de Weg, en de Waarheid en het Leven".
Wellicht is dit voor iedereen zo maar niet duidelijk, zodat enige nadere toelichting wel gewenst kan zijn. Het is intussen een feit, dat het spreken over de weg des heils aan de orde komt, als de gemeente aan kracht des geloofs heeft ingeboet en in de praktijk van het door het geloof alléén in belangrijke mate is afgedwaald, zodat de werkheiligheid veld wint boven de genade, ja, tot de weg des heils wordt gemaakt, m.a.w. dat werkheiligheid geacht wordt de weg te zijn om de zaligheid deelachtig te worden. Een dwaling, welke in de geschiedenis der kerk telkens weer in de discussie omtrent de orde des heils aan de dag treedt.
Als wij immers belijden, dat al de goederen der genade in Christus zijn en Zijn mond betuigt: „Ik bén de Weg, de Waarheid en het Leven", dan wordt het bedenkelijk om naast Hem van een weg des heils te spreken. Daarin ligt op zichzelf reeds een gevaar en de geschiedenis kan aantonen, dat dit niet denkbeeldig is.
Niettemin kent ook de Schrift het gebruik van het woord weg in een zin, welke aanleiding kan gegeven hebben om van de weg des heils te spreken, hoewel zij geen uitgewerkte orde des heils aandient.
Wij denken aan Hand. 24 vs. 14 : , , Maar dit beken ik u, dat ik naar die weg, welke zij sekte noemen, de God der vaderen alzo diene, gelovende alles, wat in de wet en in de profeten geschreven is".
Duidelijk is, dat Paulus hier met het woord weg ziet op het geloof in de Christus der Schriften.
Als wij derhalve aan dat geloof in de Christus maar vasthouden, kunnen wij wel van een weg des heils spreken, mits — hetzij nog eens herhaald — het geloof de Christus voor ogen houdt en zich bewust blijft, dat wij uit Zijn volheid ontvangen genade voor genade, d.w.z. menigvuldige genade.
Waarin dan het gevaar schuilt?
Wel, als wij over het geloof spreken, dan spreken wij over ons deelachtig worden en deelachtig zijn van de genadegoederen in Christus, naar de mate van ons geloof. Wij getuigen dan van onze rechtvaardigmaking. Wij scharen ons onder die wij, waarmede de apostel de levende gemeente van Christus op het oog heeft. Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus. (Rom. 5 VS. 1).
Daarmede raken wij aan de onderwerpelijke zijde der geestelijke dingen, aan de bevindelijke kennis van Christus en Zijn weldaden. Wij spreken over de weg des heils, en wel bij voorkeur over onze weg. God geve, dat het oprecht en in waarheid geschiede !
Ons geloof, onze weg, onze bevinding, ja, onze gerechtigheid en heiligheid.
De apostel Paulus laat niet na te spreken van vrede bij God, en door onze Heere Jezus Christus — en hij gaat onmiddellijk verder: door Welken wij de toeleiding hebben. Hij waarschuwt tegen alle valse roem.
Ziet, als onze weg een andere is dan de uitnemende kennis van Christus, dan zijn wij op een dwaalweg.
Wellicht zal men het gevaar, waarop wij doelen, begrepen hebben. Eenzijdige prediking van de objectieve of voorwerpelijke Waarheid, die overigens voorbij gaat aan de vraag, hoe krijg ik deel aan de erfenis der genade in Christus, mag eenzijdig objectief heten, maar indien zij daarbij getrouw blijft aan het beeld van de Christus, die ons in de Evangeliën wordt voorgesteld, zonder toevoegselen of onjuiste verklaringen en beschouwingen, is zij toch een prediking van de Waarheid.
Maar •—• wat zal men zeggen, van een eenzijdige onderwerpelijke prediking, waarbij niet de Christus, maar de , , vrome" mens de centrale plaats inneemt, met zijn weg en zijn bevinding ?
Zulk een eenzijdigheid gaat gewoonlijk gepaard met een zelfgenoegzaamheid, welke geen gelijkenis heeft met de ootmoed, die de Christen behoort te sieren, en doolt veeltijds ook af van de waarachtige vreze Gods, welke leeft bij het Woord.
Het kan in deze verkeerde weg waarlijk zover komen, dat de gehoorzaamheid aan het Woord gaat ontbreken, omdat er geen worsteling der heiligmaking is, die de mens nederig houdt en afhankelijk van de goedertierenheid Gods. Zij voert altijd weer terug naar de onderrichting en de vertroosting van Gods Woord.
Een eenzijdige onderwerpelijkheid loopt uit op eigengerechtigheid, werkheiligheid en verheerlijking van de , , vrome" mens.
Daarom getrouw aan de belijdenis, die ons de Heilige Schrift aanprijst als de enige regel des geloofs.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's