HEILIGE GEEST EN DE ORDE DES HEILS
Christus aan de rechterhand Gods en alle gaven der genade in Hem!
Hoe krijgen wij, aardse stervelingen, deel aan Zijn gerechtigheid, heiligheid en heerlijkheid?
Dat was immers de vraag, waarop de heilsorde het antwoord wil geven.
Christus zet in de hemel Zijn Middelaarsarbeid voort. , , Ik ga heen om u plaats te bereiden", heeft Hij gezegd (Joh. 14 : 2 en 3). , , Het is u nut, dat Ik heenga", zo sprak Hij tot de discipelen. (Joh. 16 : 7).
Zijn heengaan staat derhalve niet alleen in het teken Zijner verheerlijking, (Vader, verheerlijk Mij met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was, (Joh. 17 : 5), maar ook in dat van de voltooiing van het Middelaarswerk.
En nu de discipelen op aarde ? Wat zal er van hen worden, als de Heere is weggegaan ?
, , Ik zal u geen wezen laten", heeft Hij gezegd. En voorts : , , Maar de Trooster, de Heilige Geest, welke de Vader zenden zal in Mijn Naam, die zal u alles leren en zal u indachtig maken, wat Ik u gezegd heb". (Joh. 14 : 26).
Zo zal dus de Heilige Geest op aarde het werk van de Middelaar doen, dat op aarde verder te doen is, terwijl Christus in de hemel voltooit, wat in de hemel te doen is.
Of dan de Heilige Geest ook Middelaar is ?
Het lijkt wel dialectisch, maar het is toch vrij rechtlijnig te verstaan, als wij die vraag beantwoorden met ja en neen.
Neen, in zoverre de Zoon, de tweede Persoon van de Godheid, het Woord, dat bij God was en God was, tot Middelaar Gods en der mensen gezalfd is, waarom Hij ook de Christus genoemd wordt.
Dit laatste echter legt een zeer nauwe betrekking tussen de Zoon en de Heilige Geest. Want de Schrift leert niet, dat de Zoon, bij wijze van spreken, enkele gaven van de Heilige Geest ontving, maar zij leert, dat Hij de Heilige Geest ontving niet met mate, dus in Zijn volheid.
Woord en Geest, zegt Calvijn, zijn als , , de handen Gods". De Zoon is als de Werkmeester en Architect van alle werken Gods. Hij schept de dingen overeenkomstig de wil des Vaders en geeft ze gestalte naar hun bestemming. In al de werken Gods, zowel van de schepping als van de herschepping, wordt Hij krachtens die zalving met de Heilige Geest, door de derde Persoon vergezeld. De Heilige Geest neemt deel aan al de werken, die de Zoon doet, en heeft daarbij een eigen taak. Hij geeft het leven en maakt levend.
Uit dien hoofde deelt de Heilige Geest alzo ook in het Middelaarswerk — en wel zó nauw, dat Christus genoemd wordt een levendmakende Geest. (Vgl. 2 Cor. 3 VS. 17 - , 1 Cor. 15 vs. 45). Een klaar bewijs, hoezeer de Heilige Geest met de Zoon verbonden is en waardoor ook duidelijk wordt, dat de Heilige Geest deel heeft aan het Middelaarschap van Christus.
In deze zin en in zoverre kunnen wij op bovenstaande vraag dus ook ja zeggen.
Uit het voorafgaande volgt zonder tegenspraak, dat de Heilige Geest op aarde het werk van de Middelaar doet.
Daartoe is die Geest uitgestort. Wij zouden kunnen zeggen : dit is de eerste daad van de verhoogde Christus. Hij is met de Heilige Geest gezalfd, niet met mate, het behoort tot Zijn Middelaarswerk, dat Hij over die Geest beschikt — Hij is immers levendmakende Geest — en dat Hij die naar de aarde zendt om woning te maken in degenen, die Hem van de Vader gegeven zijn, en deze bijeen te vergaderen tot een levende gemeente.
Dit stuk van het Middelaarswerk op aarde bepaalt ons bij de orde des heils.
Deze wil toch antwoord geven op de vraag: hoe krijgen wij deel aan de weldaden van de Christus ?
Uit de mond van de Heere Jezus Christus hebben wij reeds vernomen, dat de Heilige Geest tot een Onderwijzer en Leidsman is gesteld. , , Die zal u alles leren en indachtig maken, wat Ik u gezegd heb. Hij zal u in de Waarheid leiden". (Joh. 16 vs. 13).
Deze woorden van de Overste Leidsman des geloofs stellen dus een blijvende betrekking tussen de Heilige Geest en wat Christus gezegd heeft, de Waarheid, m.a.w, tussen de Heilige Geest en het Woord-
Zoals de Heilige Geest in al de werken Gods nauw verbonden is met de Zoon, zo heeft de Christus voor het Middelaarswerk van de Heilige Geest op aarde een nauw verband gelegd tussen Zijn Woord en de Heilige Geest. Het blijft ook in deze betrekking : Woord en Geest werken saam het werk Gods.
Een belangrijk stuk van dat Middelaarswerk bestaat in de mededeling van de gaven der genade, welke in Christus zijn, aan de Zijnen, opdat zij openbaar worden als kinderen Gods.
Indien wij acht geven op de Evangeliën, kunnen wij trouwens opmerken, dat de Heilige Geest van meet af heeft deelgenomen aan het Middelaarswerk. Om enkele voorbeelden te noemen: Door de Heilige Geest werd Hij ontvangen in, de schoot van Maria (Lukas 1 VS. 35), door die Geest werd Hij gezalfd bijl de doop (Matth. 3 vs. 16), door die Geest ook werd Hij in de woestijn geleid (Matth. 4 VS. 1), keerde Hij weer naar Galilea (Luk. 4 vs. 14), enz. enz. Gelijk wij reeds hebben opgemerkt, is het ook door die Geest, dat Christus de Zijnen toebrengt, onderricht en leidt, en deel geeft aan Zijn gerechtigheid, heiligheid en heerlijkheid door het geloof in Hem.
Wat dit laatste betreft nog een opmerking.
Prof. Bavinck geeft in zijn Dogmatiek een uitvoerige behandeling van de heilsorde, welke, intussen aanbeveling verdient om gelezen en bestudeerd te worden. Op blz. 571 van het derde deel schrijft hij het volgende : , , Wanneer Christus door Zijn lijden en sterven alleen de vergeving der zonden had verworven, dan ware het genoeg, dat de Heilige Geest de verkondiging van het Evangelie bekrachtigde, de wereld van ongelijk overtuigde, geloof in de harten werkte, en de gelovigen van hun kindschap verzekerde. Maar deze objectieve rechterlijke daad is de enige niet; zij wordt door de ethische, en mystische weldaad der heiligmaking gevolgd. Christus neemt de schuld der „zonde niet alleen weg, maar breekt ook haar macht. Hij is één voor allen gestorven, opdat de levenden niet meer zichzelf, maar Christus leven zouden". (2 Cor. 5 VS. 15).
Het is inderdaad zó, dat wij, zondaren, aan de vergeving onzer zonden, zo daarmede de verdiensten van Christus waren uitgeput, toch niet voldoende zouden hebben. Bavinck zegt wel, dat het dan genoeg ware, dat de Heilige Geest de verkondiging van dit Evangelie bekrachtigde, want zo niet, wij zouden het niet eens voor waar aannemen.
Maar onderstel nu eens voor een ogenblik, dat het zo ware, dat zou dan toch alleen maar kunnen inhouden, dat de straf Gods over de zonde, die wij naar Zijn rechtvaardig oordeel verdiend hebben, achterwege bleef.
Men zou daaruit de slotsom kunnen trekken, dat de mens goedkoop kon zondigen, daar het oordeel Gods op nonactief zou zijn gezet. De vraag rijst echter onmiddellijk : hoe zou God dan aan Zijn eer komen?
Dat is geen geringe zaak en van veel hoger belang dan onze zaligheid.
En wat voor een zaligheid zou dat zijn, als het werk van Christus niet meer dan de vergeving der zonde zou hebben gebracht ?
Welk een zaligheid ? Zulk ene, die voor de zondaar wel zeer begeerlijk ware, want hij kon straffeloos zondigen en zijn eigen leven uitleven.
Zelfs ook, indien in dat geval de onderrichting van Woord en Geest toch nog tot enige droefheid naar God uitdreef, en de begeerte werd gewekt om Gode te leven, wat zou er van terecht komen, indien het niet tot een innerlijke verandering en algehele vernieuwing kwam?
Het is zonder meer duidelijk, dat de zondaar uit zich zelven geen werken der gerechtigheid kan voortbrengen. Zelfs na waarachtige bekering blijft de mens nog een zondaar, die slechts een klein beginsel der nieuwe gehoorzaamheid heeft, zoals de Catechismus leert.
Als de genade niet méér werkt dan vergeving der zonden, zullen wij desniettemin in tijd en eeuwigheid zondaren blijven, zonder ooit enige vrucht der bekering waardig voort te brengen.
Een vader kan zijn ondeugende jongen wel iedere avond de zonde van die dag vergeven, doch de volgende dag is het weer zo en de jongen blijft een ondeugd, als hij zich niet betert. Dat is nu maar een voorbeeld uit het natuurlijke leven, om duidelijk te maken — want de mens kan zich zelf nooit beteren — dat er meer moet gebeuren zal de zondaar van de zonde bevrijd worden en Gode de eer te geven, die Hem toekomt.
Vandaar dan ook, dat Bavinck terecht opmerkt: , , Christus neemt de schuld der zonde niet alleen weg, maar breekt ook haar macht"- (t.a.p. blz. 571). , , Hij is niet alleen gestorven, Hij is ook opgestaan en verheerlijkt", '(t.a.p. blz. 572).
Immers wat Christus gestorven is, is Hij der zonde gestorven. Hij heeft ons oordeel op zich genomen bij de geboorte uit de maagd en heeft de wet vervuld en door Zijn dood de schuld, die op ons lag, weggenomen.
Maar de menselijke natuur, welke Hij aangenomen heeft, is in de dood niet gebleven, als om een eeuwige bezoldiging voor de zonde te brengen. Neen, neen, de dood des Heeren opent de poort der genade en der gerechtigheid. Schuld en zonde van de mens hebben in Christus afgedaan. En nu openbaart zich de goddelijke majesteit en kracht ook daarin, dat de Heere nieuw leven schonk aan de menselijke natuur, zodat zij deel kreeg aan Zijn gerechtigheid, heiligheid en eeuwige heerlijkheid.
Hebben wij niet gelezen, dat de Christus is de Heere uit de hemel, de levendmakende Geest ?
Welnu, de Christus zelf heeft geen behoefte aan de heerlijkheid, welke Hij voor de mens verworven heeft. Hij toch heeft een heerlijkheid bij God van voor de grondlegging der wereld (Joh-. 17 VS. 5). Hij zelf leert ons, dat het des Vaders welbehagen is, dat die heerlijkheid aan de mens wordt geopenbaard en verwerkelijkt. (1 Kor. 2:7).
Zo brengt dan het werk van de Heilige Geest op aarde mede, dat Hij niet alleen het geloof werkt aangaande de vergeving der zonde, maar Hij is de bewerker van een nieuw leven. Hij is het die woning maakt in het hart van een mens, ja, in het hart van een zondaar. Onbegrijpelijke goedertierenheid Gods. Wie kan zo iets doorgronden, de Heilige Geest maakt een zondig en afkerig mensenhart tot Zijn huis.
Men ziet wel, dat zulks niet buiten ons kan omgaan, al is het gans en al Gods werk, onder de leiding en onderrichting van Zijn Woord en Geest. De mens blijft daarvan niet onwetend. Hij wordt er bij betrokken. Hij komt — nog onbewust van wat er gebeuren gaat met hem — in een goddelijke leerschool, de school van ontdekking, bekering en geloof, wordt ingeleid in de kennis van God en van zichzelf en van de grote werken Gods.
De Heilige Geest maakt woning en onderricht, hij leidt de mens binnen in de verborgenheid Gods, en ontdekt hem aan de goddelijkheid van het Woord der Schrift. Hij geeft gemeenschap aan de weldaden der genade in Christus, wijsheid, gerechtigheid, heiligheid en een volkomen verlossing. Hij vergadert de kinderen Gods tot één gemeente, en zo kunnen wij voortgaan over het werk van de Heilige Geest.
En het is ook nog zo, dat de Heilige Geest dat alles doet in het verborgene. Hij bekrachtigt het Woord, openbaart wat in de mens is, ontdekt hem aan de eis van Gods gerechtigheid, overreedt hem tot aangrijping van de genade Gods in Christus, ontsluit de rijkdom der genade in Christus, deelt daaruit mede en vervult zo het ganse werk der wedergeboorte.
Wij komen allengs in de stof, welke behoort tot de orde des heils, of dé weg des heils, en het kan zijn nut hebben ook in dit verband te waarschuwen tegen eenzijdigheid.
Het ging hier over het werk van de Heilige Geest, maar laat ons bedenken, dat de Heilige Geest dat alles werkt van uit de Christus, die zelf dat werk aan Zijn Woord heeft gebonden.
De Heilige Geest doet dit alles dus niet op en voor zichzelf, zoals sommigen schijnen te menen. Wij moeten ons daarvoor wachten. De Christus zegt immers : dat de Geest het uit het Zijne zal nemen. (Joh. 16: 13, 14).
De Heilige Geest doet niets buiten de Christus om en daarom moet daarmede in de orde des heils altijd rekening worden gehouden.
En dan nog een opmerking. Als wij dit verband voor ogen houden, laat ons het voornaamste niet voorbij zien : n.l. dat God door Christus en de Heilige Geest al de dingen werkt, m.a.w. de orde des heils moet voor alles de blik gericht houden op de Drieënige God, wetende, dat alle werken Gods werken zijn van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's